Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3540

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
21-11-2019
Zaaknummer
18/00564
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:4992, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eigenwoningregeling. Vooruitbetaalde hypotheekrente over periode waarin woning niet langer als eigen woning kan worden gekwalificeerd wegens overlijden belastingplichtige. Het Hof acht, anders dan de rechtbank, het betalingsmoment niet beslissend voor het antwoord op de vraag of de rente aftrekbaar is. Rente in casu niet aftrekbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-11-2019
V-N Vandaag 2019/2634
FutD 2019-3026 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2020/216 met annotatie van mr. D. Westerman
V-N 2020/5.1.1
Belastingadvies 2020/4.2
Vp-bulletin 2020/11 met annotatie van S.G.M.J. Rebbens, J.M.P. Tobben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00564

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 17 augustus 2018, nummer BRE 17/1242, in het geding tussen

de erven van [naam erflaatster] ,

hierna: belanghebbenden

en

de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan [naam erflaatster] (hierna: erflaatster) is over het jaar 2014 de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 2.427 (aanslagnummer [aanslagnummer] ; hierna: de aanslag). Na daartegen gemaakt bezwaar is de aanslag bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbenden zijn van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake daarvan heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, het verzamelinkomen vastgesteld op een negatief bedrag van € 6.227, het verlies uit werk en woning vastgesteld op € 6.227, de aanslag gehandhaafd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbenden ten bedrage van € 1.500 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbenden betaalde griffierecht van € 46 aan hen vergoedt.

1.3.

De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2019 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] , alsmede, namens belanghebbenden, hun gemachtigden, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , belastingadviseurs.

1.5.

Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

In hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door de Rechtbank vastgestelde, feiten.

“2.1. Aan erflaatster is op 9 maart 2012 een woning geleverd waarop een recht van eerste hypotheek en eerste pand is verleend ten behoeve van [hypotheekverlener] (hierna: [hypotheekverlener] ) in verband met een door hem verstrekte geldlening. De bijbehorende hypotheekakte van diezelfde datum vermeldt met betrekking tot de geldlening het volgende over de rente: “Vanaf heden is over de hoofdsom respectievelijk het restant daarvan een rente verschuldigd van vijf procent (5%) per jaar, te voldoen in maandelijkse termijnen bij achterafbetaling (…).”

2.2.

Erflaatster is overleden op [datum overlijden] 2014.

2.3.

In de aangifte IB/PVV 2014 (hierna: de aangifte) is in de rubriek ‘Eigen woning’ als aftrekbare rente onder meer een bedrag van € 8.750 ter zake van de geldlening van [hypotheekverlener] (zie 2.1) aangegeven. Het aangegeven verlies uit werk en woning bedraagt € 6.227.

2.4.

Bij brief van 18 augustus 2016 heeft de inspecteur vragen gesteld met betrekking tot het in de aangifte vermelde bedrag aan aftrekbare rente van € 8.750. De gemachtigde van belanghebbenden heeft daarop gereageerd bij brief van 29 augustus 2016. In de bijlagen bij laatstgenoemde brief zijn onder meer een kopie van de in 2.1 genoemde hypotheekakte en een print van een overzicht van de bankrekening van erflaatster bij de ABN AMRO opgenomen. Op het overzicht van de bankrekening staat aan de linkerzijde “ [datum overlijden] ‘14” vermeld. Daarnaast staat onder meer een overboeking van € 8.750,04 aan [hypotheekverlener] vermeld, met als omschrijving “RENTE hypotheek voor 2014”. Onder deze post staat vermeld: “Rentedatum [datum overlijden] 2014”.

2.5.

Bij brief van 18 oktober 2016 heeft de inspecteur zijn voornemen tot correctie van de aangifte aangekondigd. Hij heeft daarin verklaard dat het bedrag van € 8.750 vooruitbetaalde rente betreft en dat deze vooruitbetaalde rente niet aftrekbaar is als eigenwoningrente. De aangegeven aftrekbare eigenwoningrente dient daarom naar zijn mening te worden gecorrigeerd met een bedrag van € 8.654 (361/365 dagen x € 8.750), waardoor het belastbare inkomen uit werk en woning op (positief) € 2.427 zal worden vastgesteld.

2.6.

Bij het opleggen van de aanslag is uitgegaan van het in 2.5 berekende belastbare inkomen uit werk en woning. Het bedrag aan IB/PVV, na toepassing van de heffingskortingen, is vastgesteld op nihil. Het aanslagbiljet vermeldt een bedrag aan voorheffing van € 1.011. In verband met eerder verleende voorlopige teruggave(n) en voorlopige aanslag(en) komt het te betalen bedrag op nihil uit.

2.7.

In de bezwaarfase heeft de gemachtigde van belanghebbenden bij brief van 23 januari 2017 een e-mail van [hypotheekverlener] van 20 januari 2017 overgelegd. [hypotheekverlener] verklaart desgevraagd in die e-mail aan de gemachtigde het volgende:

“[erflaatster] heeft mij gevraagd of ik het goed vond dat ze een jaar vooruit betaalde. Logies [naar de rechtbank begrijpt, is bedoeld: Logisch] dat ik daar geen bezwaar tegen had.”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is de in 2.5 genoemde correctie van € 8.654.

Belanghebbenden zijn van mening dat het genoemde bedrag als eigenwoningrente aftrekbaar is. De Inspecteur is van mening dat het bedrag niet aftrekbaar is.

3.2.

De standpunten van partijen zijn opgenomen in de door hen ingediende gedingstukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep in eerste aanleg. Belanghebbenden concluderen tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De Rechtbank heeft onder meer als volgt overwogen:

(…)

Kan vooruitbetaalde rente in aftrek worden gebracht ook voor zover de rente ziet op een periode waarin na overlijden geen sprake meer is van een eigen woning?

4.5.

In artikel 3.120, eerste, derde en vierde lid, van de Wet IB 2001 is, voor zover hier van belang, met betrekking tot de aftrekbaarheid van (vooruitbetaalde) rente in verband met een eigen woning het volgende bepaald:

“1 De aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning zijn het gezamenlijke bedrag van:

a. de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld;

(…)

3 De in een kalenderjaar bij wijze van vooruitbetaling voldane renten van schulden en kosten van geldleningen worden niet in aanmerking genomen:

a. indien zij betrekking hebben op tijdvakken die eindigen later dan zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin zij zijn voldaan doch slechts voor zover zij betrekking hebben op de periode die aanvangt na afloop van het kalenderjaar, waarbij die renten naar evenredigheid worden toegerekend aan kalendermaanden en gedeelten van kalendermaanden als kalendermaand worden aangemerkt;

b. voor zover zij betrekking hebben op tijdvakken of delen daarvan die vallen na het tijdstip waarop de binnenlandse belastingplicht anders dan door overlijden eindigt.

4 Vooruitbetaalde renten en kosten van geldleningen die op grond van het derde lid, onderdeel a, niet in aanmerking zijn genomen, worden, behoudens indien de binnenlandse belastingplicht anders dan door overlijden is geëindigd, geacht in gelijke delen te zijn voldaan in elk van de op het in het derde lid bedoelde kalenderjaar volgende kalenderjaren waarop de renten of kosten van geldleningen betrekking hebben, waarbij gedeelten van kalenderjaren als kalenderjaren worden aangemerkt. In het jaar waarin de belastingplichtige overlijdt, worden de renten of kosten van geldleningen die nog buiten aanmerking zijn gebleven, geheel in aanmerking genomen.”

4.6.

In de wetsgeschiedenis is bij de totstandkoming van het in 4.5 genoemde artikel onder meer de volgende toelichting gegeven (Kamerstukken II 1998/99, 26727, nr. 3, p. 157):

“Het in aftrek brengen van vooruitbetaalde financieringsrenten ter zake van de eigen woning is in beginsel beperkt tot de renten die betrekking hebben op dat jaar. Indien het tijdvak waarover is betaald, eindigt binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de renten zijn voldaan, mag alle betaalde renten toch in aanmerking worden genomen ([toevoeging rechtbank: derde lid] onderdeel a).

Indien de binnenlandse belastingplicht in het kalenderjaar eindigt, anders dan door overlijden, mogen uitsluitend de renten die betrekking hebben op de periode van de binnenlandse belastingplicht in aftrek worden genomen ([toevoeging rechtbank: derde lid] onderdeel b).

Het vierde lid bepaalt op welke wijze vooruitbetaalde renten aan de verschillende jaren moet worden toegerekend. Als de belastingplichtige komt te overlijden mag hetgeen nog niet in aanmerking is genomen in het jaar van overlijden in aftrek worden genomen.”

4.7.

Belanghebbenden hebben gesteld dat de in geding zijnde rente aftrekbaar is, mede gelet op wat is bepaald in artikel 3.120, vierde lid, laatste volzin, van de Wet IB 2001.

4.8.

De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van een economische benadering. De rente heeft voor zover de aftrek ervan is geweigerd, betrekking op een periode waarin de woning niet meer als eigen woning van de erflaatster kwalificeerde, waardoor die rente in zoverre niet aftrekbaar is. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij gewezen op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 10 juni 2010 (nr. DGB2010/921, Stcrt. 2010, 8462, BNB 2010/268, onderdeel 4.3) en arresten van de Hoge Raad (HR 19 mei 1979, BNB 1976/154 en HR 3 mei 2013, BNB 2013/162 en BNB 2013/163). Artikel 3.120, vierde lid, laatste volzin, van de Wet IB 2001 is volgens hem geen aanwijzing voor het tegendeel. Deze bepaling is enkel van toepassing in een partnersituatie, waarin de ene partner overlijdt en de andere partner in de woning blijft wonen en waarin de woning (dus) nog steeds als eigen woning is aan te merken.

4.9.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de systematiek van artikel 3.120 van de Wet IB 2001 volgt dat vooruitbetaalde rente van een eigenwoningschuld als uitgangspunt op grond van het eerste lid aftrekbare kosten zijn in het jaar waarin de betaling plaatsvindt, zelfs indien die rente in economische zin betrekking heeft op een periode gelegen na het desbetreffende jaar. Dit vindt steun in het derde lid van artikel 3.120 van de Wet IB 2001, waarin immers beperkingen zijn opgenomen met betrekking tot – kort gezegd – de aftrekbaarheid van vooruitbetaalde rente van een eigenwoningschuld. Aan dat artikellid ligt het uitgangspunt ten grondslag dat vooruitbetaalde rente van een eigenwoningschuld in beginsel volledig in aanmerking kan worden genomen in het jaar van betaling. Voormeld uitgangspunt vindt ook steun in de totstandkomingsgeschiedenis van het bij Wet van 21 juni 1980, Stb. 334, ingevoerde derde lid van artikel 38 van de Wet IB 1964 (de voorganger van het derde en vierde lid van artikel 3.120 van de Wet IB 2001). Uit die totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat de wetgever ervan uitging dat vooruitbetaalde rente, zelfs over de jaargrens heen, aftrekbaar was en dat in verband met het tegengaan van constructies er aanleiding was om beperkingen te stellen aan de aftrekbaarheid (Kamerstukken met nummer 15516).

In artikel 3.120 van de Wet IB 2001 noch in andere artikelen met betrekking tot de eigenwoningrente is een bepaling opgenomen waaruit expliciet volgt dat in het geval op het moment van vooruitbetaling van de rente er sprake is van een eigenwoningschuld en de rente (ook gelet op het derde lid van artikel 3.120 van de Wet IB 2001) beoordeeld naar dat moment aftrekbare kosten zijn, die kwalificatie alsnog gedeeltelijk komt te vervallen indien als gevolg van overlijden van de belastingplichtige de schuld niet meer als eigenwoningschuld kwalificeert. Dat de wetgever dit wel beoogd zou hebben, ligt gelet op het derde lid en vierde lid van artikel 3.120 van de Wet IB 2001 niet voor de hand. Uit het derde lid volgt immers dat de wetgever juist voor het geval van overlijden een uitzondering heeft willen maken op de beperking inhoudende dat vooruitbetaalde renten niet in aanmerking kunnen worden genomen voor zover zij betrekking hebben op tijdvakken die vallen na het tijdstip waarop de binnenlandse belastingplicht eindigt. En het vierde lid voorziet er zelfs in dat vooruitbetaalde renten die nog buiten aanmerking zijn gebleven, geheel in aanmerking worden genomen bij overlijden. Dit een en ander duidt erop dat er geen, althans onvoldoende, aanknopingspunten zijn voor de door de inspecteur bepleite economische benadering. De door de inspecteur genoemde arresten (zie 4.8) geven geen aanleiding voor een andere opvatting, nu deze arresten geen betrekking hebben op vooruitbetaalde eigenwoningrente. De omstandigheid dat het standpunt van de inspecteur steun vindt in het door hem genoemde beleidsbesluit geeft geen aanleiding het beleid toe te passen. Het legaliteitsbeginsel van artikel 104 van de Grondwet staat immers eraan in de weg beleidsregels toe te passen indien die een nadeliger resultaat voor de belastingplichtige opleveren dan toepassing van de wet zoals deze volgens de belastingrechter moet worden uitgelegd.

Met name de hiervoor vermelde tegemoetkoming in het vierde lid verhoudt zich niet tot de door de inspecteur bepleite economische benadering. Daarbij verdient opmerking dat de in 4.8 vermelde opvatting van de inspecteur dat die tegemoetkoming ziet op ‘partnersituaties’, niet blijkt uit de wettekst. Evenmin is voor de opvatting steun te vinden in de totstandkomingsgeschiedenis van die tegemoetkoming (zie 4.6, alsmede Kamerstukken II, 1979/80, 15516, nr. 19).

Tot slot merkt de rechtbank het volgende op. Tegelijk met de invoering van regels om constructies met vooruitbetaalde rente te bestrijden, zijn destijds ook regels ingevoerd om constructies met meegekochte rente te bestrijden (artikel 38, vijfde lid, van de Wet IB 1964). Bij deze verwante regeling heeft de wetgever onder ogen gezien dat belastingplichtigen in het zicht van overlijden zouden kunnen proberen een belastingvoordeel te behalen, maar dat heeft de wetgever geen aanleiding gegeven tot ingrijpen (Kamerstukken II 1978/79, 15516, nr. 5, p. 16).

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat (i) rente van een schuld die voor een kalenderjaar wordt vooruitbetaald, in dat kalenderjaar in aanmerking kan worden genomen als eigenwoningrente, indien en voor zover op het moment van betaling die schuld een eigenwoningschuld is, en dat (ii) dit niet anders wordt indien de belastingplichtige in dat kalenderjaar ná die betaling komt te overlijden.

(…)

Conclusie

4.12.

Nu erflaatster de rente heeft vooruitbetaald voor het hele jaar 2014 op een moment waarop de schuld een eigenwoningschuld was, is de rechtbank van oordeel dat de rente volledig aftrekbaar is. Het belastbare inkomen uit werk en woning van € 2.427 dient daarom met € 8.654 te worden verminderd tot € 6.227 negatief. Het verzamelinkomen en het verlies uit werk en woning dienen ook op dit bedrag te worden vastgesteld. De aanslag als zodanig wordt gehandhaafd, nu het bedrag aan IB/PVV reeds vastgesteld was op nihil en er ook overigens geen geschil is (zie 4.1, eerste alinea).”

4.2.

In hoger beroep betoogt de Inspecteur dat de woning vanaf het moment van overlijden van erflaatster niet langer als eigen woning kan worden aangemerkt en dat de rente, voor zover die betrekking heeft op de periode na dat overlijden, daarom niet als eigenwoningrente in aanmerking kan worden genomen. Verder stelt de Inspecteur dat de schuld voor de erfgenamen niet als een onder het overgangsrecht vallende bestaande eigenwoningschuld kan worden aangemerkt en dat de schuld niet voldoet aan de wettelijke eisen zoals die met ingang van 1 januari 2013 gelden.

4.3.

Het Hof stelt voorop dat het moment van betaling van rente niet beslissend is voor de kwalificatie van die rente (als eigenwoningrente of anderszins). Het andersluidende uitgangspunt van de Rechtbank acht het Hof niet juist. Rente die betrekking heeft op schulden die vanaf een bepaald moment in een jaar geen eigenwoningschulden zijn - een en ander in de zin van artikel 3.120, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 - kan niet als eigenwoningrente in aftrek worden gebracht. In het arrest BNB 1997/49 (ECLI:NL:HR:1996:BI5753) overwoog de Hoge Raad als volgt:

“3.6. Het middel slaagt in zoverre dat de tijdsevenredige verdeling van de onderhoudskosten niet als juist kan worden aanvaard. De periode waarin sprake was van een eigen woning en de periode waarin sprake was van een - tegen te lage prijs - verhuurde woning moeten wat betreft de aftrekbaarheid van de onderhoudskosten elk naar hun eigen regels worden beoordeeld. Anders dan in het middel wordt bepleit kan de vraag naar de aftrekbaarheid van de onderhoudskosten in elk van die perioden echter niet worden beantwoord aan de hand van artikel 38 van de Wet. Aan de vraag naar het tijdstip van aftrek gaat immers vooraf de vraag in hoeverre het gaat om voor aftrek in aanmerking komende kosten. Voor werkzaamheden verricht in de periode waarin - voor het geheel - sprake was van een eigen woning verhindert artikel 42a, lid 1, van de Wet aftrek van onderhoudskosten; voor werkzaamheden verricht in de verhuurperiode volgt aftrekbaarheid - voor het door het Hof vastgestelde evenredige deel - uit artikel 35 van de Wet (HR 19 mei 1976, nr. 17 957, BNB 1976/154). Verwijzing moet volgen opdat zal worden onderzocht welk deel van de in dit jaar betaalde kosten kan worden toegerekend aan de werkzaamheden die zijn verricht na het door het Hof op omstreeks 30 juni 1991 gestelde tijdstip waarop de bestemming tot verhuur kwam vast te staan.”

De onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gewezen jurisprudentie, in het bijzonder de arresten BNB 1976/154 en BNB 1997/49, heeft ook onder de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn betekenis behouden, aangezien de wettelijke systematiek in zoverre geen wijziging heeft ondergaan.

4.4.

De vraag is of in het bepaalde in artikel 3.120, lid 3 en/of 4, van de Wet IB 2001 reden moet worden gezien om af te wijken van die algemene systematiek.

Het Hof stelt voorop dat die bepalingen in het onderhavige geval toepassing missen, omdat de in het onderhavige geval betaalde rente uitsluitend betrekking heeft op het jaar waarin die rente is betaald en ook overigens niet wordt voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van het derde lid. Omdat het derde lid in het onderhavige geval niet van toepassing is, wordt aan toepassing van het vierde lid niet toegekomen.

Of in die artikelleden desalniettemin aanleiding moet worden gezien voor een afwijking of andere uitleg van de wettelijke systematiek, is een vraag die in beginsel ontkennend moet worden beantwoord, omdat de daarin opgenomen regels, op een enkele uitzondering na, onder de Wet IB 1964 ook al golden, ingevolge het toenmalige artikel 38, lid 6, van de Wet IB 1964. Het arrest BNB 1997/49 betreft een jaar (1991) waarin die regels ook golden en de Hoge Raad heeft daarin kennelijk geen aanleiding gezien voor een ander oordeel dan het gegeven oordeel.

4.5.

Het Hof overweegt dat de temporiseringsregels van artikel 3.120, lid 3, van de Wet IB 2001 ook betekenis hebben voor gevallen waarin, anders dan in het onderhavige geval, schulden na het tijdstip waarop rente wordt vooruitbetaald onverkort als eigenwoningschulden worden gekwalificeerd. In dergelijke gevallen zouden belastingplichtigen door vooruitbetaling van rente ter zake van die schulden de bedragen aan van jaar tot jaar verschuldigde IB/PVV kunnen beïnvloeden, hetgeen de wetgever met (de voorloper van) die bepaling heeft willen keren. Het derde lid van artikel 3.120 van de Wet IB 2001 is, gelet op de bedoeling die daaraan ten grondslag ligt zoals die blijkt uit de Kamerstukken met dossiernummer 15 516, een anti-misbruikbepaling. De bij amendement ingevoerde slotregel voor overlijdensgevallen (de huidige slotzin van artikel 3.120, lid 4, van de Wet IB 2001) is op zichzelf beschouwd niet van een toelichting voorzien. Kennelijk heeft de wetgever de temporisering van de aftrek zoals die overigens door dat vierde lid is voorgeschreven, willen laten eindigen in het jaar van overlijden van de belastingplichtige. Het Hof ziet daarin echter geen wijziging van de algemene systematiek zoals onder 4.3 hiervóór geschetst. De beide bepalingen – artikel 3.120, lid 3 en lid 4, van de Wet IB 2001 – zijn temporiseringsregels waaraan pas wordt toegekomen nadat is bepaald of mag worden verondersteld dat rente (en/of kosten) aftrekbaar zijn. Zij mitigeren de werking van het kasstelsel, zonder het recht op aftrek als zodanig, dus los van het moment van die aftrek, te regarderen. Dat betekent dat de slotzin van het vierde lid van artikel 3.120 van de Wet IB 2001 niet zo kan worden uitgelegd dat de wetgever daarmee in overlijdensgevallen het recht op renteaftrek heeft aanvaard, ongeacht de vraag of na het overlijdensmoment nog aan de wettelijke voorwaarden voor dat recht is voldaan. Aan toepassing van die bepaling kan bijvoorbeeld worden toegekomen indien het overlijden van de belastingplichtige de kwalificatie van de woning als eigen woning onverlet laat, hetgeen bij partnersituaties aan de orde kan zijn.

4.6.

In het onderhavige geval heeft de Inspecteur gesteld dat de woning na het overlijden van erflaatster niet langer als eigen woning in de zin van de wettelijke regeling kan worden aangemerkt. Belanghebbenden hebben die stelling niet bestreden, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Dat betekent dat de rente die betrekking heeft op de periode na het overlijden van erflaatster niet als rente van een eigenwoningschuld kan worden aangemerkt. Het gelijk is aan de Inspecteur.

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd. Het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep moet ongegrond worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor het heffen van griffierecht ter zake van het hoger beroep van de Inspecteur.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 26 september 2019 door P.C. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en V.M. van Daalen-Mannaerts, in tegenwoordigheid van L.J.J. van Kruiningen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend, nu de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.