Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3538

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
21-11-2019
Zaaknummer
18/00545
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:811
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is leges verschuldigd omdat de Heffingsambtenaar een dienst heeft verricht in de vorm van de verstrekking van een kopie van een document. De Heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat het verstrekte kopie het document betreft waar belanghebbende om had gevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-11-2019
V-N Vandaag 2019/2653
FutD 2019-3085
Belastingblad 2020/37 met annotatie van R.A. Eskes
Viditax (FutD), 01-05-2020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00545

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 28 augustus 2018, nummer SHE 18/1143, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar gemeentelijke belastingen van de gemeente Bergeijk,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te noemen legesnota.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 21 maart 2018 een legesnota van € 0,40 (hierna: de legesnota) opgelegd wegens een, naar aanleiding van een in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) ingediend verzoek, aan belanghebbende verstrekte kopie. Na tegen de legesnota gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar deze gehandhaafd bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 19 april 2018.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 126. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op het verweerschrift gereageerd bij brief met dagtekening 3 december 2018.

1.4.

De Heffingsambtenaar heeft (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft omtrent het incidentele hoger beroep zijn zienswijze ingebracht.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 1 augustus 2019 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, [A] .

1.6.

Het Hof heeft aan het eind van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft in het kader van een Wob-verzoek een brief met dagtekening 5 februari 2018 aan de Heffingsambtenaar doen toekomen. Voor zover in de onderhavige procedure relevant luidt deze brief als volgt:

“Onderwerp: Ons Wob-verzoek van 29 november 2017 en 8 januari 2018

Geachte college,

In aanvulling op ons Wob-verzoek van 29 november 2017 hebben wij op 8 januari 2018 nadere stukken opgevraagd. In uw brief van 31 januari 2018 verstrekt u nagenoeg alle door ons gevraagde informatie. Helaas ontbreken twee stukken die een integraal onderdeel vormen van ons Wob-verzoek van 29 november 2017 en 8 januari 2018.

In Item 2 vragen bij de volledige metadata in printvorm van document “20160804 Verweerschrift.pdf”. Uit de verstrekte gegevens blijkt dat dit document niet het brondocument is, maar slechts de representatie in een pfd-vorm. PDF-files als deze zijn “read-only”.

Dat betekent dat het brondocument in een tekstverwerkingsprogramma zoals bv. Word is gemaakt, waarvan deze pdf-file een afgeleide is.

Daarom verzoeken wij u ons de volledige metadata in printvorm van het brondocument van de pdf-file “20160804 Verweerschrift.pdf” te verstrekken. (…)”.

2.2.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 28 februari 2018 als volgt gereageerd op deze brief:

“Op 6 februari 2018 hebben wij uw verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (verder: Wob), met dagtekening 5 februari 2018, ontvangen. In uw verzoek vraagt u ons om de volgende documenten aan u te verstrekken:

1. de metadata van het brondocument van het document ‘20160804 Verweerschrift.pdf’

(…)

Besluit

In reactie op uw verzoek hebben wij het volgende besloten.

1. Wij kunnen aan uw verzoek voldoen en de volgende documenten aan u verstrekken:

a. Metadata brondocument ‘20160804 Verweerschrift.pdf’ (bijlage 1)

(…)

Bezwaar

Als u het niet eens bent met dit besluit kunt u hiertegen bezwaar maken bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk (…). Dat kan tot zes weken na de dag van verzending van het besluit. In uw bezwaarschrift moet staan tegen welk besluit u bezwaar maakt en waarom. Verder moet u uw naam, adres en de datum vermelden én het bezwaarschrift ondertekenen.”

2.3.

De bij voornoemde beschikking gevoegde bijlage luidt als volgt:

Bijlage 1. Metadata brondocument ‘20160804 Verweerschrift.pdf’

(…)

Eigenschappen

Grootte 49.0kB

Pagina’s 3

Woorden 1341

Totale bewerkingstijd 1 Minuut

Titel Verweerschrift/ pleitnota ve…

(…)

Verwante datums

Laatst gewijzigd 4-8-2016 10:45

Gemaakt 4-8-2016 10:45

Laatst afgedrukt Vandaag, 10:57

(…)”

In de bijlage is tevens een deel van een document opgenomen.

2.4.

Na tegen de legesnota gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar deze gehandhaafd bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 19 april 2018. In de uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende in de gelegenheid gesteld om het document met metadata in te zien. Belanghebbende heeft op 9 mei 2018 op digitale wijze een document ingezien op het gemeentehuis.

2.5.

In hoger beroep heeft belanghebbende ter vergroting van de leesbaarheid de in 2.3. vermelde bijlage op groot formaat (A0-formaat) laten afdrukken en aan het Hof overgelegd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de legesnota terecht aan belanghebbende opgelegd (principaal hoger beroep)?

II. Indien vraag I ontkennend beantwoord dient te worden: dient het door belanghebbende ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard te worden wegens het ontbreken van procesbelang (voorwaardelijk incidenteel hoger beroep)?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is van mening dat vraag I bevestigend beantwoord dient te worden. Indien vraag I door het Hof ontkennend wordt beantwoord dan is de Heffingsambtenaar van mening dat vraag II bevestigend beantwoord dient te worden.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Partijen hebben hun standpunten ter zitting nader toegelicht.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de legesnota. De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, omdat er volgens hem geen procesbelang is.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

De Heffingsambtenaar heeft twee bijlagen gevoegd bij het in hoger beroep ingediende verweerschrift. Bijlage 1 betreft een brief met dagtekening 10 juli 2018 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk die, onder meer, aan belanghebbende is gericht. Door middel van dit schrijven is aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat aan hem beperkingen zijn opgelegd met betrekking tot de communicatie met de gemeente. Bijlage 2 betreft een brief met dagtekening 22 oktober 2018 die belanghebbende in het kader van een andere procedure aan de Rechtbank Oost-Brabant heeft doen toekomen. In deze brief deelt belanghebbende aan de Rechtbank Oost-Brabant mede dat hij het, gelet op de slechte verhoudingen met de gemeente, niet zinvol acht om ter zitting te verschijnen. De Heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift toegelicht dat hij deze bijlagen in de onderhavige procedure heeft ingediend teneinde aan te tonen dat de samenwerking tussen de gemeente en belanghebbende reeds gedurende vele jaren moeizaam verloopt.

4.2.

Belanghebbende verzet zich tegen het tot de gedingstukken rekenen van deze bijlagen. Met betrekking tot beide bijlagen heeft belanghebbende, kort gezegd, aangevoerd dat deze niet in de onderhavige (belasting)procedure thuishoren. Belanghebbende heeft hier met betrekking tot bijlage 1 aan toegevoegd dat hij niet getekend heeft voor ontvangst van dit stuk dat aangetekend aan hem verzonden is waardoor ervan uitgegaan dient te worden dat hij dit stuk destijds niet heeft gehad.

4.3.

Het Hof ziet, gelet op de omstandigheid dat de Heffingsambtenaar heeft toegelicht waarom hij ervoor gekozen heeft om deze bijlagen in te dienen, in de door belanghebbende geuite bezwaren geen reden om de bijlagen buiten aanmerking te laten. Het Hof rekent deze bijlagen derhalve tot de gedingstukken.

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.4.

Het Hof verstaat het betoog van belanghebbende aldus dat het verstrekken van de onderhavige kopie niet is aan te merken als een door de Heffingsambtenaar aan hem verleende dienst als bedoeld in art. 2, onderdeel a, van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2018 (hierna: de Verordening). Ter onderbouwing van deze stelling voert belanghebbende enerzijds aan dat hij, vanwege gedeeltelijke onleesbaarheid van deze kopie, niet kan vaststellen of deze kopie de metadata van het bestand dat door hem in de brief met dagtekening 5 februari 2018 is omschreven als “brondocument van de pdf-file “20160804 Verweerschrift.pdf’” (hierna: het brondocument) bevat. Anderzijds voert belanghebbende aan dat hij op grond van de leesbare passages het vermoeden heeft dat de kopie niet de metadata behorende bij het brondocument – waarvan tussen partijen niet in geschil is dat dit een Word-document betreft – bevat.

4.5.

Het Hof stelt voorop dat het belastbare feit in art. 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening als volgt is omschreven:

“Onder naam leges worden rechten geheven voor:

a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;”.

4.6.

Naar het oordeel van het Hof kan het verstrekken van een kopie in dit geval uitsluitend leiden tot een belastbaar feit in voornoemde zin indien deze op aanvraag is verstrekt en een afschrift betreft van de metadata van het (digitale) document waarvan belanghebbende een afschrift wenst te ontvangen.

4.7.

De bewijslast dat zich een belastbaar feit in voornoemde zin heeft voorgedaan rust op de Heffingsambtenaar. De Heffingsambtenaar heeft daartoe een kopie overgelegd van de in 2.3. vermelde bijlage, die naar belanghebbende is opgestuurd. Hierop staan een aantal metadata vermeld, die volgens de Heffingsambtenaar betrekking hebben op het brondocument. De Heffingsambtenaar is van mening dat, nu belanghebbende om toezending van die informatie had verzocht, er sprake is van een verstrekte dienst in de zin van art. 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening, zodat terecht leges is geheven. Het Hof is van oordeel dat de Heffingsambtenaar hiermee, behoudens tegenargumenten van belanghebbende, het van hem verlangde bewijs heeft geleverd.

4.8.

Belanghebbende heeft hier tegenin gebracht dat hij, vanwege gedeeltelijke onleesbaarheid van deze kopie, niet kan vaststellen of deze kopie de metadata van het brondocument bevat. Het Hof is daarentegen van oordeel dat op de door belanghebbende zelf uitvergrote kopie alle in het document opgenomen gegevens volledig leesbaar zijn. De enkele stelling van de onleesbaarheid baat belanghebbende dan ook niet. Gelet hierop ziet het Hof ook geen reden om mevrouw [B] en mevrouw [C] als getuigen op te roepen om te verklaren over de onleesbaarheid van het document.

4.9.

Belanghebbende heeft ook betoogd dat de kopie niet de metadata behorende bij het brondocument kan omvatten, aangezien dit brondocument een Word-document is en de bewerkingstijd van een Word-document dat 1.341 woorden bevat nimmer 1 minuut kan bedragen. Volgens belanghebbende betreffen de metadata niet het Word-document maar de pdf-versie van het Word-document. Naar het oordeel van het Hof is de omstandigheid dat op de kopie een bewerkingstijd van 1 minuut is opgenomen onvoldoende om twijfel te zaaien over de juistheid van de door de Heffingsambtenaar ter zitting afgelegde verklaring dat de kopie wel de metadata behorende bij het originele Word-document betreft. Het Hof is immers ambtshalve bekend met het feit dat het, onder omstandigheden, mogelijk is dat een Word-bestand met 1.341 woorden slechts een bewerkingstijd van 1 minuut vermeldt. Een mogelijke verklaring voor een dergelijke bewerkingstijd kan immers zijn dat het desbetreffende Word-bestand na bewerking onder een andere bestandsnaam is opgeslagen of dat het verweerschrift allereerst na het afronden van de tekst onder een andere naam is opgeslagen. De omstandigheid dat op de kopie een bewerkingstijd van 1 minuut is opgenomen doet derhalve niet af aan de door de Heffingsambtenaar ter zitting afgelegde geloofwaardige verklaring. Het Hof voegt daar nog aan toe dat de uitvergrote bijlage laat zien dat het gedeelte van het document dat is bijgevoegd het uiterlijk heeft van een Word-document. Tenslotte overweegt het Hof dat het Hof proefondervindelijk heeft vastgesteld dat, na raadpleging van voor eenieder toegankelijke metadata van willekeurige Word-documenten en pdf-documenten, de vorm waarin de metadata in de bijlage zijn opgenomen overeenstemt met die van Word-documenten en niet met die van pdf-documenten.

4.10.

Het vorenoverwogene leidt het Hof tot de slotsom dat het belastbare feit als bedoeld in art. 2, onderdeel a, van de Verordening zich heeft voorgedaan. Aangezien gesteld noch gebleken is dat andere omstandigheden aan het opleggen van de legesnota in de weg staan, beantwoordt het Hof vraag I bevestigend.

Vraag II

4.11.

Gelet op de bevestigende beantwoording van vraag I komt het Hof niet toe aan beantwoording van vraag II.

Slotsom

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is daarmee komen te vervallen (art 8:112, lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)).

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Gelet op de omstandigheid dat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof geen redenen aanwezig om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond; en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 26 september 2019 door mr. drs. M.M. de Werd, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. van Middelkoop, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.