Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3512

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
200.264.918_01 en 200.264.918_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6.1.2 Jw; bekrachtigen beslissing tot afgifte machtiging gesloten jeugdhulp. De termijn die nog resteert is kort en gelet op de heftigheid van de problematiek van de minderjarige en het risico op terugval is de thans ingezette positieve lijn nog te pril om de machtiging voor het eind van de looptijd op te heffen.

Wetsverwijzingen
Jeugdwet 6.1.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 26 september 2019

Zaaknummers : 200.264.918/01 & 200.264.918/02

Zaaknummers 1e aanleg : C/03/267893 / JE RK 19-2032 & C/03/267894 / JE RK 19-2033

in de zaak in hoger beroep van:

[minderjarige] ,

thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdhulp [instelling] te [plaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [minderjarige] ,

advocaat: mr. C.A.M.J. M. Joosten ,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Midden- en West-Brabant, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder);

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de GI);

- de heer [de stiefvader] (hierna te noemen: de stiefvader).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de op 21 augustus 2019 mondeling uitgesproken beslissing van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, zoals bij beschikking vastgelegd en ondertekend op 23 augustus 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 augustus 2019, heeft [minderjarige] verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de afgifte van een machtiging tot plaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor gesloten jeugdhulp en opnieuw rechtdoende deze machtiging alsnog niet te verlenen.

Tevens heeft [minderjarige] verzocht de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de machtiging op te heffen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 september 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [minderjarige] , bijgestaan door mr. Joosten;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer mr. [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de moeder;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] .

Tevens is mevrouw [stagiaire] , stagiaire van mr. Joosten, ter zitting als toehoorder aanwezig geweest.

2.3.1.

De stiefvader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het procesdossier uit de eerste aanleg;

  • -

    een faxbericht van de advocaat van [minderjarige] d.d. 27 augustus 2019;

  • -

    een door het hof afgegeven last tot toevoeging ten behoeve van [minderjarige] , d.d. 27 augustus 2019;

  • -

    de brief van de raad d.d. 6 september 2019 met als bijlage het raadsrapport d.d.15 augustus 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [de vader] (hierna: de vader) is - voor zover hier van belang - [minderjarige] op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] geboren.

3.2.

[minderjarige] is van februari 2019 tot 18 augustus 2019, met instemming van de moeder, vrijwillig geplaatst in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, te weten [instelling] te [plaats] . Van 18 augustus 2019 tot 21 augustus 2019 heeft [minderjarige] bij de moeder thuis verbleven.

3.3.

Bij de bestreden – van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank op verzoek van de raad aan de GI machtiging verleend om [minderjarige] met ingang van 21 augustus 2019 tot uiterlijk 21 november 2019 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

3.4.

[minderjarige] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

[minderjarige] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - aan dat niet voldaan is aan het ultimum remedium criterium. [minderjarige] stelt dat hij vanuit de thuissituatie naar school kan en dat deze situatie thuis hem meer veiligheid biedt dan binnen de gesloten setting.

Ter zitting heeft de advocaat van [minderjarige] het appelschrift nader toegelicht naar aanleiding van de recente ontwikkelingen sinds de plaatsing van [minderjarige] te [instelling] in [plaats] op 21 augustus 2019. Het gaat nu beter met [minderjarige] . Hij heeft inmiddels ingezien dat hij zijn leven anders zal moeten inrichten en dat hij zich coöperatief en gemotiveerd zal moeten opstellen teneinde terug te kunnen keren naar de thuissituatie bij de moeder, hetgeen hij het allerliefste nu al zou willen proberen. [minderjarige] heeft geleerd van de eerste periode op de groep bij [instelling] , waar hij zich heeft misdragen met betrekking tot drugs en zelfbepalend, naar zijn zeggen stoer gedrag heeft laten zien. Het heeft tot niets positiefs geleid en hem alleen maar verder verwijderd van wat hij niets liever wil, namelijk bij zijn moeder wonen en laten zien dat hij met behulp van hulpverlening zich anders kan gedragen en iets van zijn leven kan maken. Een gesloten plaatsing is een ultimum remedium en gelet op de relatief jonge leeftijd van [minderjarige] (net veertien geworden) die al een half jaar zijn moeder heeft moeten missen, dient eerst gekeken te worden of op een minder ingrijpende wijze hulp mogelijk is. Temeer nu de motivatie er bij [minderjarige] op dit moment wel is, zou het wenselijk zijn hier op door te pakken en hem een kans te geven terug naar huis te keren en daar met hulpverlening en de moeder te werken aan zijn toekomst.

[minderjarige] geeft zelf ter zitting in hoger beroep aan het zat te zijn om opgesloten te zitten en zijn moeder en broers erg te missen. Hij heeft het niet goed aangepakt in het begin en graag zou hij nu laten zien dat het ook anders kan, vanuit huis.

3.6.

De raad voert ter zitting - kort samengevat - aan dat [minderjarige] nu een kans wil en meent die niet te krijgen, maar dat hij reeds een kans heeft gehad door vanuit een open setting in behandeling te gaan bij de Mutsaersstichting en die kans uitdrukkelijk heeft afgewezen. Een maand geleden was er derhalve nog geen enkele sprake van probleembesef bij [minderjarige] , noch van een intrinsieke motivatie om met zichzelf aan de slag te gaan met hulpverlening. De raad stelt zich op het standpunt dat [minderjarige] eerst binnen de geslotenheid dient te laten zien dat hij daadwerkelijk en bovendien voor langere tijd zijn gewijzigde houding vast weet te houden en ook bewijst dat hij middels goed gedrag zijn vrijheden weet te verruimen. De situatie is thans te pril om [minderjarige] naar huis te laten keren, temeer nu de zorgen en problemen waardoor hij nu gesloten zit aanzienlijk zijn. De raad acht het risico op terugval te groot en de moeder (nog) niet opgewassen tegen een terugkeer, waar ook zij hard zal moeten werken om [minderjarige] datgene te bieden binnen de opvoeding wat hij met zijn problematiek en karakter nodig heeft.

3.7.

De moeder heeft ter zitting verklaard dat [minderjarige] inderdaad zijn gedrag ten positieve heeft veranderd in de afgelopen maand. Hij laat zien dat hij kan luisteren zonder tegenspraak en dat hij lief kan zijn tegen zijn broers. [minderjarige] heeft volgens de moeder geleerd van zijn fouten. Het regime binnen de gesloten setting en de dynamiek van de groep hebben een averechts effect op [minderjarige] , die mede door zijn lengte, wordt overschat en overvraagd door groepsgenoten. Zijn groepsgenoten zijn veelal ouder en hebben de nodige bagage. Het is voor [minderjarige] niet goed hier dagelijks mee geconfronteerd te worden. Nu heeft hij de motivatie gevonden om zijn leven te beteren en kansen te pakken. De moeder zou willen dat het hof hem en haar de kans zou geven hier samen op door te gaan en de positieve ontwikkeling door te zetten. De moeder heeft een school in de buurt gevonden waar [minderjarige] naar toe kan en waar hij ook graag naar toe zou willen gaan. De oudste broer van [minderjarige] is inmiddels ook het goede pad op gegaan; zo is hij uit detentie, woont hij weer thuis en heeft hij werk, hetgeen een positieve invloed op [minderjarige] kan hebben.

De moeder geeft aan dat zij het goed zou vinden als er urinecontroles bij haar thuis plaatsvinden voor [minderjarige] als dat nodig gevonden wordt.

3.8.

De GI heeft ter zitting verklaard dat de Mutsaersstichting, ondanks de eerdere weigering tot deelname van [minderjarige] , nog open staat voor het bieden van hulpverlening en dat thans onderzocht wordt wat er mogelijk is. Nu dit onderzoek zich nog in de preklinische fase bevindt, kan thans nog niet gezegd worden of een gezinsopname bij de Mutsaersstichting, zoals alle betrokken inclusief [minderjarige] thans voor ogen hebben, ook een haalbare optie is. Dit zal nog moeten worden afgewacht. Indien een gezinsopname een mogelijkheid is voor dit gezin, dan zal na de kerstvakantie met dit traject gestart kunnen worden is de verwachting.

Ten aanzien van de zorgen van de moeder omtrent de veiligheid van [minderjarige] binnen de gesloten setting waar het gaat om drugsgebruik, is met de instelling afgesproken dat zij meer urinecontroles uitvoeren en [minderjarige] beperkte vrijheden hebben gegeven die hij weer kan uitbreiden door middel van goed gedrag.

Het gaat op dit moment ook beter met [minderjarige] , hij gedraagt zich beter en is rustiger en meewerkend. Ook wordt niet verwacht dat hij nog zal weglopen.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

3.9.1.

Het verzoek van [minderjarige] tot opheffing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing tot afgifte van een machtiging plaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdhulp is ingeschreven onder zaaknummer 200.264.918/02. Nu op grond van artikel 6.1.12, lid 1 van de Jeugdwet (Jw) deze maatregel van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is, kan het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad niet opheffen. Gelet hierop wordt dit verzoek afgewezen.

Machtiging gesloten jeugdhulp

3.10.

Ingevolge artikel 6.1.1. lid 2 Jw is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2. Jw bekwaam om in rechte op te treden.

Op die grond komt aan [minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.

3.10.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek van onder meer de raad een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.

Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:

  • -

    er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en;

  • -

    de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

3.10.2.

Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.

3.10.3.

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.

Tot slot behoeft het verzoek op grond van artikel 6.1.2 lid 6 Jw de instemming van een gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

3.10.4.

Het hof is van oordeel dat voldaan is aan de formele vereisten van artikel 6.1.2 lid 3 aanhef en sub a, lid 5 en lid 6 Jw.

Het hof voegt daaraan toe dat er thans weliswaar sprake is van een positieve ontwikkeling bij [minderjarige] , waarbij hij meer gemotiveerd is dan voorheen om zijn medewerking te verlenen aan de hulp die men vindt dat hij nodig heeft. Ook de moeder is welwillend om mee te werken aan een gezinsopname, teneinde met het hele gezin te werken aan het gezinssysteem en wat [minderjarige] nodig heeft om op een verantwoorde wijze thuis te kunnen wonen en te werken aan zijn problemen. Echter deze positieve ontwikkeling is pas zeer recent ingetreden en gelet op de heftigheid van de problematiek waarvoor [minderjarige] thans gesloten geplaatst is, acht het hof met de GI en de raad de situatie niet bestendig genoeg en het risico op terugval te groot. Voorts heeft het hof twijfels of het probleembesef alsmede de intrinsieke motivatie om zijn problemen aan te pakken, waarvan [minderjarige] op zitting zeker blijk heeft gegeven, op dit moment reeds voldoende is om langere tijd ander gedrag te laten zien en niet terug te vallen in het gedrag van voorheen. [minderjarige] heeft immers in het recente verleden nog laten zien zeer beïnvloedbaar en zelfbepalend te zijn, waardoor hij overmatig drugs heeft gebruikt, is weggelopen vanuit de gesloten setting en nadrukkelijk iedere medewerking aan het voor hem beschikbaar gestelde hulpverleningstraject bij de Mutsaersstichting heeft geweigerd. Ook blijkt uit de stukken dat de moeder voorafgaand aan de plaatsing van [minderjarige] niet in staat is geweest om te voorkomen dat [minderjarige] binnen het gezin zelfbepalende en agressief gedrag vertoonde en veelvuldig van school spijbelde om zich onder meer met verkeerde vrienden in het criminele circuit bezig te houden. Het is positief dat de moeder hulp aangrijpt en ervan doordrongen is dat ook zij hard aan het werk zal moeten om het mogelijk te maken dat ook [minderjarige] weer thuis kan komen wonen op verantwoorde wijze, doch concrete resultaten zijn nog niet geboekt. Dit laatste komt onder meer omdat het traject bij de Mutsaersstichting zich nog in de preklinische fase bevindt en derhalve nog niet vaststaat wat de mogelijkheden van hulpverlening aldaar precies zijn, ofwel een gezinsopname zoals door alle betrokkenen thans gewenst wordt, of een andere vorm van hulpverlening. Het hof acht het niet verantwoord hierop vooruit te lopen en acht het voor [minderjarige] noodzakelijk dat hij op dit moment bij [instelling] verblijft zodat hij niet in de verleiding kan komen zich aan hulpverlening te onttrekken of beïnvloed wordt door anderen die hem daar mogelijk aan onttrekken.

[minderjarige] heeft binnen het gesloten kader nu de kans te laten zien dat hij meer vrijheden kan verwerven door zijn huidige positieve gedrag voort te zetten. Voorts kan hij laten zien dat hij ook op verantwoordelijke wijze met deze vrijheden om weet te gaan. De resterende (korte) termijn van de machtiging kan nog benut worden de nodige hulpverlening verder op gang te krijgen voor [minderjarige] en voor het gezin. Als na enige tijd blijkt dat de huidige positieve lijn inderdaad blijvend van aard is, dan kan dat meegenomen worden bij de beslissing over de duur van de inmiddels verzochte vervolgmachtiging.

3.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, mondeling uitgesproken op 21 augustus 2019 en schriftelijk bevestigd en ondertekend op 23 augustus 2019,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, L.Th.L.G. Pellis en A.M. van Riemsdijk en is op 26 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.