Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3510

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
200.246.632_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 26 september 2019

Zaaknummer: 200.246.632/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/330330 FA RK 17-2420

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] .

advocaat: mr. M. Poort-van der Meeren,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: [verweerster] ,

advocaat: mr. A. Bijl.

Betreffende de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008 (hierna te noemen: [minderjarige] ).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 juli 2018, gewezen onder voormeld zaaknummer

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 september 2018, heeft [appellante] verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover die beschikking ziet op de afwijzing van haar verzoek tot wijziging van het gezag en opnieuw rechtdoende dat verzoek - inhoudende het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] te wijzigen en te bepalen dat [appellante] voortaan het eenhoofdig gezag over [minderjarige] zal dragen -, alsnog toe te wijzen,

althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 november 2018, heeft [verweerster] verzocht om de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van [appellante] af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Poort-van der Meeren;

- [verweerster] , bijgestaan door mr. Bijl;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 juni 2018;

- de op 24 juni 2019 ingekomen producties 5 t/m 8 van de advocaat van [verweerster] .

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

3.2.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008 ( [minderjarige] ).

3.3.

[verweerster] is de biologische moeder van [minderjarige] .

3.4.

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2008 is de adoptie van [minderjarige] door [appellante] uitgesproken.

3.5.

Bij beschikking van 22 juli 2013 is de echtscheidingsbeschikking van 14 mei 2010, alsmede het door partijen ondergetekende echtscheidingsconvenant dat deel uitmaakt van die beschikking, gewijzigd in die zin dat het hoofdverblijf van [minderjarige] voortaan bij [appellante] zal zijn en [minderjarige] gedurende één weekend per 14 dagen van vrijdag na schooltijd tot zondag 17:00 uur bij [verweerster] zal verblijven, zulks voor het eerst op vrijdag 16 augustus 2013, met dien verstande dat [verweerster] [minderjarige] ophaalt op school en [appellante] [minderjarige] op zondagmiddag ophaalt bij [verweerster] .

3.6.

Bij beschikking 25 april 2013 - op schrift gesteld op 2 mei 2013 - is [minderjarige] tot 25 april 2014 onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is niet verlengd.

3.7.

Bij beschikking van 2 februari 2017 is [minderjarige] wederom onder toezicht gesteld en wel tot 2 februari 2018. Bij beschikking van 16 januari 2018 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 2 augustus 2018. Vervolgens is die ondertoezichtstelling niet meer verlengd.

3.8.

[appellante] heeft op 8 mei 2017 een verzoek tot het verkrijgen van eenhoofdig gezag over [minderjarige] ingediend. Bij beschikking van 24 november 2017 heeft de rechtbank de zaak verwezen voor behandeling door een meervoudige kamer.

3.9.

Bij de bestreden beschikking - van 10 juli 2018 - is het verzoek van [appellante] tot het verkrijgen van eenhoofdig gezag over [minderjarige] afgewezen en zijn de proceskosten gecompenseerd.

3.10.

[appellante] kan zich met de onder 3.9. genoemde beschikking niet verenigen, voor zover de beslissing ziet op de afwijzing van haar verzoek om eenhoofdig gezag, en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.11.

[appellante] voert - kort samengevat - het volgende aan.

[verweerster] is vanwege haar persoonlijke problematiek niet beschikbaar. Het lukt haar niet om haar leven op orde te brengen en met haar zijn geen afspraken te maken.

Sinds de mondelinge behandeling in eerste aanleg is haar situatie niet verbeterd. [appellante] heeft aanwijzingen dat er zich bij [verweerster] nieuwe feiten van oplichting hebben voorgedaan. Ook heeft [verweerster] geld van de donor van [minderjarige] geleend en aan hem beloften gedaan over een ontmoeting tussen hem en [minderjarige] . Zij heeft sinds juli 2018 in een Ggz-instelling verbleven waar mensen met zowel psychiatrische als verslavingsproblematiek worden behandeld. Gebleken is dat het niet mogelijk is om een traject te volgen om de communicatie te verbeteren. Vanwege het oeverloze geduld van [appellante] en het oprekken van haar eigen grenzen heeft [appellante] het voor elkaar gekregen dat er weer contact tussen [verweerster] en [minderjarige] tot stand is gekomen. Het contact vindt plaats gedurende een zondag in de veertien dagen van 11.00 uur en 14.00 uur, onder begeleiding van [verweerster] moeder. Als [verweerster] dan even alleen is met [minderjarige] belast zij hem meteen met beloftes die niet waargemaakt kunnen worden.

De minimale basis voor het voeren van gezamenlijk gezag ontbreekt en er is geen constructieve ordercommunicatie mogelijk. Partijen kunnen daardoor geen inhoudelijke beslissingen over de opvoeding van [minderjarige] nemen en zij kunnen daarin samen geen lijn uitzetten, hetgeen steeds belangrijker wordt nu [minderjarige] ouder wordt. [minderjarige] moet bovendien op [verweerster] als ouder kunnen rekenen en dat is niet het geval.

Dat er zich in de afgelopen periode geen problemen met betrekking tot het gezag hebben voorgedaan is enkel het geval omdat er geen concrete vraag voorlag.

[minderjarige] heeft in het verleden bij herhaling onder toezicht gestaan. Gezien de kindeigen problematiek van [minderjarige] en de psychische problemen van [verweerster] is in 2017 opnieuw een ondertoezichtstelling noodzakelijk geacht om de hulp voor [minderjarige] op gang te brengen en te houden. Bij de beëindiging van de ondertoezichtstelling zijn de raad en de GI uitgegaan van de beëindiging van het gezamenlijk gezag. De GI heeft geconcludeerd dat een verbetering van de oudercommunicatie niet haalbaar is. Als het gezamenlijk gezag zou voortduren bestaat er een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem en verloren zal raken tussen de ouders. Bovendien zou in dat geval een ondertoezichtstelling tot zijn meerderjarigheid noodzakelijk zijn en dat is te belastend.

3.12.

[verweerster] voert - kort samengevat - het volgende aan.

[appellante] brengt feitelijk alleen de persoonlijke problematiek van [verweerster] naar voren, maar die is reeds bekend en vormt geen reden voor een gezagswijziging. Er spelen geen (ernstige) problemen rondom de gezagsuitoefening over [minderjarige] . Het is al lang geleden dat de hulpverlening ten aanzien van [minderjarige] niet tot stand kwam. De oorzaak daarvan was overigens dat partijen het niet eens waren over de wijze van de hulpverlening. Het was juist [appellante] die wisselend toestemming gaf en erg kritisch was op de hulpverlening.

[verweerster] heeft de overweging van de rechtbank dat zij haar leven op orde moest krijgen ter harte genomen. Zij is opgenomen in een kliniek voor haar drugsverslaving. Die verslaving kwam voort uit PTSS die wordt behandeld met EDMR-therapie. Inmiddels is [verweerster] ruim een jaar clean en heeft zij eigen woonruimte. Zij heeft nog ambulante begeleiding en heeft sinds de opname geen terugval meer gehad. Overigens was een behandeling ook in het kader van een strafrechtelijke veroordeling als bijzondere voorwaarde gesteld.

Verder ontkent [verweerster] dat zij zich nog schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Het klopt wel dat zij, in april 2018, geld heeft geleend van de donor van [minderjarige] . Het ging toen niet goed met haar en zij had geld nodig. Zij had echter nooit de intentie om de donor [minderjarige] te laten ontmoeten. Dit zou zij nooit doen zonder voorafgaand overleg met [appellante] . Ook doet zij geen loze beloftes aan [minderjarige] . [verweerster] betwist dat zij steeds verder verwijderd raakt van een normaal leven. Zij meent juist op de weg terug te zijn.

Partijen zijn in staat om samen het gezag uit te oefenen. Vanwege de problematiek van [verweerster] rust de zorg voor [minderjarige] echter grotendeels op de schouders van [appellante] . [verweerster] heeft haar rol als moeder op afstand geaccepteerd en probeert daar zo goed als mogelijk invulling aan te geven. [verweerster] is beschikbaar en bereikbaar voor [appellante] .

Partijen zijn erin geslaagd om afspraken te maken over het contact tussen [verweerster] en [minderjarige] en er vindt structureel contact plaats. [verweerster] zou [minderjarige] op termijn graag meer en onbegeleid zien.

Tussen partijen vindt regelmatig communicatie plaats via e-mail en app. Ook volgens de gezinsvoogd zijn partijen in staat om afspraken te maken, ook al kost dat soms de nodige inspanning. Zo hebben partijen bijvoorbeeld de beslissing genomen dat [minderjarige] naar het speciaal onderwijs gaat. Ook krijgt [minderjarige] psychomotorische therapie. [verweerster] heeft onlangs op het verzoek van [appellante] toestemming gegeven voor de voortzetting van de therapie.

[verweerster] zou de communicatie tussen partijen graag nog verbeteren.

Zij is voldoende betrokken bij het leven van [minderjarige] om beslissingen te kunnen nemen en zij is beschikbaar voor hem.

Van een situatie dat [minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen beide ouders is niet gebleken. Evenmin blijkt dat [verweerster] niet in staat is het gezag over [minderjarige] te

dragen. De beslissing ten aanzien van de ondertoezichtstelling is genomen terwijl men bekend was met de mogelijkheid dat [verweerster] het gezag zou behouden.

3.13.

De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat het onderlinge vertrouwen van [appellante] in [verweerster] alleen maar kan groeien door stapjes te zetten. Op dit moment wordt er gehandeld op basis van ervaringen uit het verleden. Ten aanzien van de uitbreiding van het contact kan er worden gedacht aan een veiligheidsplan voor het geval het niet goed zou gaan, zodat ook [minderjarige] weet wat hij dan moet doen en hij kan bellen of ergens heen kan gaan. De ouders moeten hierover samen afspraken maken. Verder is het van belang dat partijen met elkaar in gesprek gaan om aan de communicatie en het vertrouwen te werken, eventueel met hulp via het wijkteam. De raad merkt op dat er veel begrip is over en weer, maar de communicatie via e-mail en telefoon te beperkt is om te kunnen werken aan het vertrouwen.

Ten aanzien van het gezag spelen er geen concrete zaken. Er is weliswaar geen sprake van gelijkwaardigheid in de opvoeding, maar [verweerster] is gegroeid en de belangen van [minderjarige] komen op dit moment niet in de knel. De raad kan niet adviseren om de bestreden beschikking te vernietigen.

3.14.

Het hof overweegt het volgende.

3.14.1.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders

en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.14.2.

Evenals de rechtbank, en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen weging en beoordeling tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat er op dit moment geen redenen zijn voor een wijziging van het gezag zoals door [appellante] verzocht.

Kort gezegd oordeelde de rechtbank destijds dat de communicatie tussen partijen niet optimaal was, maar dat de problemen in dit kader met name zagen op de contactmomenten tussen [verweerster] en [minderjarige] , omdat [verweerster] het op momenten liet afweten. De communicatieproblemen speelden echter niet een zodanige rol dat het gezag zou moeten worden beëindigd. Partijen waren, hoewel met moeite, wel in staat om afspraken met elkaar te maken. Zo hebben zij samen de beslissing genomen dat [minderjarige] de overstap zou gaan maken naar speciaal onderwijs. [verweerster] belemmert [appellante] niet in haar taak als verzorgende ouder. Zij is in ieder geval per e-mail bereikbaar voor [appellante] . Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [verweerster] voldoende betrokken is bij het leven van [minderjarige] en erop gewezen dat

[verweerster] haar leven, gelet op haar verantwoordelijk die zij heeft als ouder op afstand, op orde dient te brengen en dat zij zich hier ten volle voor dient in te zetten.

Het hof onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank en voegt hier nog het volgende aan toe. Sinds de bestreden beschikking heeft zich een aantal positieve ontwikkelingen voorgedaan. In juli 2018 is [verweerster] opgenomen in een instelling waar zij door middel van traumatherapie aan haar verslavingsproblematiek heeft gewerkt. Inmiddels is zij ruim een jaar clean. Het is partijen inmiddels ook gelukt om een contactregeling tussen [verweerster] en [minderjarige] af te spreken. Die regeling wordt begeleid door de moeder van [verweerster] en verloopt goed. [verweerster] zou graag onbegeleid contact willen en de regeling qua duur uitbreiden. De raad heeft ter zitting aangegeven dat er stappen moeten worden gezet om te komen tot groei van het vertrouwen van [appellante] in [verweerster] . Dat zou kunnen door de contactregeling uit te breiden en hiervoor een veiligheidsplan op te stellen en door met elkaar in gesprek te gaan, eventueel onder begeleiding van een professional. Beide partijen hebben zich ter zitting van het hof bereid verklaard hieraan te werken.

De beslissingen over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] komen momenteel tot stand op een wijze die niet belastend is voor [minderjarige] . [appellante] kan als verzorgende ouder die beslissingen nemen die voor het dagelijkse leven van (spoedeisend) belang zijn voor [minderjarige] . [verweerster] is bereikbaar voor [appellante] en blokkeert deze beslissingen niet. Bovendien is gebleken dat partijen de bereidheid hebben om te werken aan hun communicatie en het onderling vertrouwen en om de contactregeling tussen [verweerster] en [minderjarige] uit te breiden. Het hof gaat ervan uit dat beide partijen zich hier, in het belang van [minderjarige] , ten volle voor zullen inzetten. Voorts is het uiteraard zaak dat [verweerster] , gelet op haar door de rechtbank omschreven verantwoordelijkheid richting [minderjarige] , haar leven op orde houdt. Het hof heeft er vertrouwen in, dat dit [verweerster] in voldoende mate zal lukken.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat er geen sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders. Wijziging van het gezag is ook niet anderszins in het belang van [minderjarige] .

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, van 10 juni 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, H. van Winkel en E.H. Schijven-Bours is op 26 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.