Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3502

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
200.257.968_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wwz. Geen dringende reden voor ontslag op staande voet. Billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1026
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 26 september 2019

Zaaknummer : 200.257.968/01

Zaaknummer eerste aanleg : 6805901

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. N. Bakker te Amsterdam,

tegen

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna aan te duiden als [verweerster] ,

advocaat: mr. E.P. Cornel te Enschede.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de tussenbeschikking van 15 juni 2018, hierna: de tussenbeschikking, en naar de eindbeschikking van 17 januari 2019, hierna: de eindbeschikking, van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties 104-106, ingekomen ter griffie op 16 april 2019;

- het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 4 juli 2019;

- de bij brief van 24 juli 2019 door mr. Bakker toegezonden producties 107-109;

- de op 1 augustus 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Bakker;

- de heer [medewerker 1] , (middellijk) bestuurder van [verweerster] , in aanwezigheid van K.M. Gras-Langeslag, tolk en vertaler Duits, en [medewerker 3] , junior in- en verkoper, bijgestaan door mr. Cornel en mr. J.D. Veltman, advocaat te Enschede;

- de pleitnotities van de advocaten.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.2.

[verweerster] , opgericht in 2017, houdt zich bezig met de handel in vleesvarkens en biggen, zowel ten behoeve van de handel als ten behoeve van de slacht. [verweerster] is een dochteronderneming van [de vennootschap 2] te [vestigingsplaats] in Duitsland, die op haar beurt deel uitmaakt van het [concern] dat zich bezig houdt met de productie van levensmiddelen.

3.1.3.

[appellant] , geboren op [geboortedatum] 1983, is met ingang van 1 november 2016 in dienst getreden (aanvankelijk van [de vennootschap 2] en daarna, na oprichting van [verweerster] ,) van [verweerster] in de functie van in- en verkoper in buitendienst tegen een salaris van € 8.333,33 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag.

3.1.4.

Voordat [appellant] in dienst trad bij [verweerster] kocht en verkocht hij zelf biggen en varkens in het kader van zijn eenmanszaak [eenmanszaak] . Daarnaast was bij varkensmester/boer. Na zijn indiensttreding bij [verweerster] is [appellant] , in overleg met [verweerster] , namens [verweerster] zaken blijven doen met een aantal varkensmesters/boeren, die voorheen klant waren van [eenmanszaak] . Dit is hem, zowel gedurende het dienstverband met [verweerster] als na de beëindiging door [verweerster] daarvan, inkomen blijven opleveren.

3.1.5.

Na aanvankelijke tevredenheid van [verweerster] over de prestaties van [appellant] , signaleerde [verweerster] vanaf ongeveer september 2017 dat de door [appellant] gerealiseerde marges en omzetaantallen terugliepen. [verweerster] wilde met [appellant] in gesprek gaan over de reden van deze ontwikkeling of over een aanpassing van het dienstverband. Op initiatief van [verweerster] heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden op 9 februari 2018. Tijdens dat gesprek heeft [verweerster] aan [appellant] een voorstel gedaan voor een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Daarna heeft nog enkele keren contact tussen partijen plaatsgevonden, waaronder op 20 februari 2018, onder meer over de (oorzaak van) debiteurenstanden bij de door [appellant] namens [verweerster] afgesloten transacties.

3.1.6.

Op 28 februari 2018 heeft [verweerster] [appellant] met onmiddellijke ingang op staande voet ontslagen. De dringende reden voor het ontslag op staande voet is in de brief van deze datum als volgt omschreven:

“Gisteren aan het einde van de dag hebben wij geconstateerd dat foutieve rekeningen aan de onderneming [klant 1] zijn uitgefactureerd. Mevrouw [medewerker 4] stelt de rekeningen op daarna moet u de rekeningen vrijgeven. Het is uw verantwoordelijkheid dat dit op een correctie wijze geschied.

Heden hebben wij u geconfronteerd met het volgende. Het is ons gebleken dat u de omzet van onder andere klanten zoals [klant 2] , [klant 3] en [klant 1] manipuleert door transacties hoger uit te factureren bij verkoop van varkens en biggen en lager uit te facturen bij aankoop van varkens en biggen. Dit heeft u gedaan zonder uitdrukkelijke toestemming van uw werkgever.

Door dit op deze manier te doen ontstaat er een onjuist beeld met betrekking tot de door u ver- en ingekochte varkens en biggen. Door deze manipulatie lijkt het alsof de behaalde winst door [verweerster] hoger is dan dat dit in werkelijkheid het geval is. Dit heeft er voor [verweerster] toe geleid dat er inmiddels rekeningen door [verweerster] ter hoogte van circa € 30 000 worden gerestitueerd en betaald.

Hoe lang deze manipulaties al gaande zijn zal uit onderzoek moeten blijken.

Na u met bovenstaande te hebben geconfronteerd hebben wij u verzocht om een reactie op de door ons geconstateerde zaken te geven. U gaf hierbij aan dat u inderdaad bij [klant 2] , [klant 3] en [klant 1] onjuiste transacties heeft doorgevoerd zonder toestemming van de werkgever.”

3.1.7.

De advocaat van [appellant] heeft bij brief aan [verweerster] van 2 maart 2018 betwist dat [appellant] transacties heeft gemanipuleerd, de geldigheid van het ontslag op staande voet betwist en meegedeeld dat [appellant] zich beschikbaar hield voor het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden.

De standpunten van partijen en het oordeel van de kantonrechter

3.2.1.

In de onderhavige procedure verzocht [appellant] om vernietiging van het ontslag op staande voet, een bevel om hem weer tot de overeengekomen werkzaamheden toe te laten op straffe van verbeurte van een dwangsom en veroordeling van [verweerster] tot doorbetaling van loon vanaf 28 februari 2018, vermeerderd met de wettelijke verhoging, en subsidiair en meer subsidiair om veroordeling van [verweerster] om een billijke vergoeding van € 75.000,00 bruto te betalen. [appellant] verzocht voorts om de toe te kennen bedragen te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid en om [verweerster] te veroordelen in de kosten van het geding. Daarnaast verzocht [appellant] , bij wege van voorlopige voorziening voor de duur van het geding, om [verweerster] te veroordelen om het loon te betalen.

3.2.2.

[verweerster] verzocht samengevat om de verzoeken van [appellant] af te wijzen en om [appellant] te veroordelen in de kosten van het geding over de verzoeken van [appellant] . Daarnaast verzocht [verweerster] voorwaardelijk, voor het geval dat de kantonrechter zou oordelen dat de arbeidsovereenkomst niet geëindigd is door het ontslag op staande voet, de arbeidsovereenkomst per direct te ontbinden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding over dit tegenverzoek van [verweerster] .

3.2.3.

[appellant] heeft het tegenverzoek van [verweerster] weersproken en verzocht om [verweerster] te veroordelen in de kosten van het geding over het tegenverzoek.

3.2.4.

In de tussenbeschikking heeft de kantonrechter, in het geding over de verzoeken van [appellant] , [verweerster] in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan blijken dat door toedoen van [appellant] in de gevallen [klant 3] , [klant 1] en [klant 2] door [verweerster] andere bedragen zijn gefactureerd dan door [appellant] met die klanten was afgesproken. In het geding over het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerster] heeft de kantonrechter [appellant] in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat hij verplicht was zich jegens [verweerster] van concurrerende activiteiten te onthouden en om bewijs te leveren van de juistheid van zijn reiskostendeclaraties inzake [klant 4] , [klant 5] , [klant 6] , [klant 7] en [klant 1] . [verweerster] heeft ter voldoening van de aan haar gegeven bewijsopdracht schriftelijk bewijs bijgebracht, waaronder een schriftelijke verklaring van [klant 2] en heeft als getuigen haar medewerkers [medewerker 1] , [medewerker 2] , [medewerker 3] en [medewerker 4] doen horen. [appellant] is in zijn bewijsopdracht zelf als partijgetuige verschenen.

3.2.5.

In de eindbeschikking heeft de kantonrechter, kort samengevat, geoordeeld dat [verweerster] in het geding over de verzoeken van [appellant] het bewijs heeft geleverd. De kantonrechter heeft de verzoeken van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. In het geding over het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerster] heeft de kantonrechter [verweerster] niet-ontvankelijk verklaard en [verweerster] in de proceskosten veroordeeld.

3.2.6.

[appellant] heeft in hoger beroep 7 grieven, genummerd met Romeinse cijfers, tegen de tussenbeschikking en de eindbeschikking in het geding over de verzoeken van [appellant] aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van deze beschikkingen en tot veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [verweerster] om een billijke vergoeding van

€ 125.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2018. [appellant] heeft verder verzocht om [verweerster] , uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.7.

[verweerster] heeft verweer gevoerd tegen de grieven van [appellant] en verzocht om de bestreden beschikkingen te bekrachtigen, althans de billijke vergoeding op nihil te stellen of op een lager bedrag dan verzocht. [verweerster] heeft verder verzocht om [appellant] te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

De beoordeling van de grieven van [appellant]

3.3.

Met grief 1 richt [appellant] zich tegen de wijze waarop de procedure in eerste aanleg door de kantonrechter is ingekleed. [appellant] heeft bezwaar tegen de vertraging van de procedure als gevolg van de door de kantonrechter gegeven bewijsopdrachten en het aantal door de kantonrechter aan partijen geboden schriftelijke rondes. Deze bezwaren, wat daar verder ook van zij, kunnen niet tot vernietiging van de beschikkingen leiden. Verder meent [appellant] dat de kantonrechter partijen ongelijk heeft behandeld in het nadeel van [appellant] . Dit spitst [appellant] toe op de “akte” van [verweerster] van 7 december 2018, die volgens [appellant] de grenzen van het speelveld, zoals uiteengezet in de door de kantonrechter gegeven instructie in zijn brief van 2 augustus 2018 (productie 104 van [appellant] ), te buiten gaat omdat daarin ook is gereageerd op de reactie van [appellant] in zijn “schriftelijke reactie” 16 november 2018 op het schriftelijke bewijs van [verweerster] , en op de wijze waarop de kantonrechter in het licht van die instructie met die akte rekening heeft gehouden. Dit bezwaar van [appellant] is ten onrechte. In de akte heeft [verweerster] , wat betreft de aan haar verleende bewijsopdracht, vooral gereageerd op de verklaringen van de getuigen, en dat was binnen het bestek van de instructie van de kantonrechter. Voor zover [verweerster] ook heeft gereageerd de reactie van [appellant] op het schriftelijke bewijs van [verweerster] heeft de kantonrechter daarmee niet, op een wijze die geen recht doet aan het beginsel van hoor en wederhoor, rekening gehouden bij de eindbeschikking.

Grief 1 faalt.

3.4.1.

Met grief 2 komt [appellant] op tegen de overwegingen van de kantonrechter in rov. 9.1 tot en met 9.4 van de tussenbeschikking dat het ontslag onverwijld is gegeven. [appellant] betoogt dat [verweerster] al op 9 februari 2018, althans op 20 februari 2018 op de hoogte was van de feiten waarop zij het ontslag op staande voet heeft gebaseerd en bovendien dat ook als [verweerster] pas op 22 februari 2018 wetenschap zou hebben gekregen over deze feiten het ontslag te laat gegeven is.

3.4.2.

[verweerster] heeft in de punten 12 e.v. van het verweerschrift in eerste aanleg uiteengezet hoe zij op de hoogte is geraakt van de feiten waarop zij het ontslag op staande voet heeft gebaseerd. Dit komt er op neer dat [medewerker 1] na het gesprek op 9 februari 2018 samen met [appellant] een aantal grote klanten wilde bezoeken omdat de jaarrekening moest worden opgemaakt en er daarom duidelijkheid moest komen over de oorzaak van de betalingsachterstand van deze klanten, dat hij [appellant] heeft verzocht daarvoor afspraken in te plannen op 19/20 februari 2018, dat dit volgens [appellant] onmogelijk was, waarna [medewerker 1] op deze dagen buiten aanwezigheid van [appellant] een bezoek heeft gebracht aan deze klanten, dat toen bleek dat de klanten van mening waren een te hoge factuur te hebben ontvangen, dat dit vervolgens door [medewerker 1] met [appellant] besproken is op 20 februari 2018, dat [verweerster] daarna haar onderzoek heeft voortgezet en [appellant] op donderdag 22 februari 2018 heeft geconfronteerd met haar bevindingen, dat [verweerster] daarna een Nederlandse jurist heeft geraadpleegd en dat op 27 februari 2018 [klant 1] zich bij [verweerster] meldde met nog meer klachten over openstaande facturen. Deze door [verweerster] gestelde gang van zaken is door [appellant] niet voldoende gemotiveerd weersproken maar, in tegendeel, op belangrijke onderdelen, zoals de gang van zaken rond het bezoek aan klanten op 19/20 februari 2018 bevestigd. Gezien deze gang van zaken komt het hof evenals de kantonrechter tot het oordeel dat het ontslag onverwijld is gegeven. De tijd tussen het gesprek op 22 februari 2018 en het ontslag op staande voet voor het beraad van [verweerster] over haar juridische positie en het verwerken van de nieuwe informatie van [klant 1] is niet te lang. Grief 2 faalt.

3.5.1.

Met de grieven 3 tot en met 6 komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat er een dringende reden bestond voor het aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.5.2.

De in de ontslagbrief van 28 februari 2018 aangezegde dringende reden is erop gebaseerd dat [appellant] volgens [verweerster] de omzet van onder andere klanten zoals [klant 2] , [klant 3] en [klant 1] manipuleert door transacties hoger uit te factureren bij verkoop van biggen en varkens en lager uit te factureren bij aankoop van varkens en biggen, waardoor het lijkt alsof de behaalde winst door [verweerster] hoger is dan dat dit in werkelijkheid het geval is. De aangezegde dringende reden houdt dus niet alleen in dat door toedoen van (een fout van) [appellant] in het voordeel van [verweerster] werd gefactureerd in afwijking van hetgeen was overeengekomen met de betrokken klanten, maar daarnaast dat sprake was van manipulatie van [appellant] . Met toepassing van de wilsvertrouwensleer zoals neergelegd in de artikelen 3:33 en 3:35 BW en in het licht van de omstandigheden van het geval, overweegt het hof dat het gebruik van de term manipulatie door [appellant] redelijkerwijs in die zin kon worden opgevat dat hem opzet werd verweten, en wel met name, zoals [appellant] het in het verzoekschrift in hoger beroep heeft verwoord: het op slinkse wijze beïnvloeden van de omzet door [appellant] , het meermalen bedriegen van [verweerster] . Niet voldoende is dus dat er wordt aangetoond dat er sprake is van onjuiste facturen als gevolg van fouten van [appellant] .

3.5.3.

Bij zijn onderzoek of deze feiten door [verweerster] bewezen zijn heeft de kantonrechter zich blijkens rov. 10.3 van de tussenbeschikking terecht beperkt tot de in de ontslagbrief met name genoemde drie klanten. Door de bewijslevering in eerste aanleg acht het hof bewezen dat met deze klanten in een aantal gevallen verschil van mening is ontstaan over de mondeling door [appellant] namens [verweerster] overeengekomen prijs met de klant. Verder acht het hof door die bewijslevering aannemelijk gemaakt dat daarbij ook fouten zijn gemaakt door [appellant] , zij het dat niet is bewezen in welke gevallen. Maar het hof acht niet bewezen dat [appellant] er opzettelijk voor heeft gezorgd dat er binnen de administratie van [verweerster] onjuiste facturen zijn opgemaakt. De schriftelijke bewijsmiddelen en de verklaringen van de getuigen bieden geen aanknopingspunten om opzet aan te nemen.

3.5.4.

Ook de overige omstandigheden bieden die aanknopingspunten in onvoldoende mate.

In dit verband is voor het hof van belang dat gebleken is dat [appellant] , binnen het in zijn functie besloten liggende mandaat, bevoegd was om namens [verweerster] de prijs met de klanten overeen te komen. Dit gebeurde mondeling. De prijs werd niet (in alle gevallen) schriftelijk door [appellant] aan de klant bevestigd. In het midden kan blijven of het, zoals [verweerster] stelt, de bedoeling was dat [appellant] dit wel zou doen, omdat niet gesteld of gebleken is dat [verweerster] [appellant] er ooit op heeft aangesproken dat hij dit niet (altijd) deed. Vervolgens legden zowel [verweerster] als de klant de naar het eigen inzicht overeengekomen prijs vast in de eigen administratie en factureerde [verweerster] op basis van de uit haar administratie blijkende prijs. De verwerking van de prijs in de administratie van [verweerster] gebeurde op de mededeling van [appellant] over de mondeling overeengekomen prijs. Inherent aan deze werkwijze is dat achteraf, nadat de factuur door [verweerster] is opgemaakt, discussie kan ontstaan over de overeengekomen prijs, ook als beide partijen naar beste weten de mondelinge overeenstemming hebben vastgelegd in de eigen administratie.

Daarbij komt dat niet is komen vast te staan dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de in de administratie van [verweerster] aanwezige Excellijsten bij [appellant] lag. [verweerster] heeft aangevoerd dat [appellant] verantwoordelijk voor het invullen van de juiste bedragen in de Excellijsten, maar [appellant] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gemotiveerd weersproken. Volgens hem mailde hij de informatie naar [medewerker 3] , en maakten [medewerker 3] en [medewerker 2] de Excellijsten. [medewerker 3] heeft als getuige in eerste aanleg verklaard dat het een paar weken zo is gegaan dat hij Excellijsten stuurde naar [appellant] , waar geen prijzen op stonden. Die vulde [appellant] dan in. Na die paar weken is dat niet meer zo gegaan, aldus [medewerker 3] als getuige. [medewerker 2] heeft als getuige in eerste aanleg in algemene bewoordingen verklaard “Als [appellant] gezegd heeft dat hij de bewuste Excelsheets niet gemaakt heeft, dan zijn dat zijn woorden” en “De Excelsheets zoals deze worden altijd door buitenmedewerkers gemaakt”. Hij heeft dus niet verklaard dat [appellant] de betreffende Excellijsten heeft gemaakt .

Tenslotte is in dit verband van belang dat niet is gesteld of anderszins gebleken dat [appellant] , bij de transacties waarover discussie is ontstaan, buiten zijn mandaat ging. Evenmin is gesteld of anderszins gebleken dat [appellant] enig financieel voordeel had bij onjuist factureren. Een eventueel voor [verweerster] positief verschil tussen de mondeling overeengekomen prijs en door [verweerster] gefactureerde prijs kwam uitsluitend [verweerster] ten goede, net zoals een voor [verweerster] negatief verschil te haren laste kwam.

3.5.5.

Gezien het bovenstaande is niet komen vast te staan dat [appellant] , zoals [verweerster] in de ontslagbrief heeft geschreven, heeft gemanipuleerd bij het doorgeven van de informatie over de mondelinge transacties, op basis waarvan de facturen door [verweerster] zijn opgemaakt. Daarom kan in het midden blijven in welke van de gevallen, waarin discussie met [klant 2] , [klant 3] en [klant 1] is ontstaan over de mondeling overeengekomen prijs, [appellant] , en niet de desbetreffende klant, een fout heeft gemaakt.

3.5.6.

Nu de gestelde manipulatie niet is komen vast te staan is sprake van de situatie dat de door [verweerster] als dringende reden meegedeelde feiten slechts gedeeltelijk zijn komen vast te staan, voor zover bewezen zou worden dat in alle of een gedeelte van de gevallen waarop [verweerster] doelt, door [appellant] een fout zou zijn gemaakt. Bij deze stand van zaken zal het ontslag niettemin kunnen gelden als te zijn verleend om een dringende, onverwijld medegedeelde reden indien (1) het wel vaststaande gedeelte op zichzelf beschouwd kan gelden als een dringende reden voor ontslag op staande voet, (2) [verweerster] heeft gesteld, en ook aannemelijk is, dat zij [appellant] ook op staande voet zou hebben ontslagen indien zij anders dan zij blijkens de ontslagaanzegging meende - daarvoor slechts de grond zou hebben gehad die in rechte is komen vast te staan, en (3) dit laatste voor [appellant] in het licht van de gehele inhoud van die aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk moet zijn geweest. Dit doet zich naar het oordeel van het hof niet voor, reeds omdat het veroorzaken van een foutieve factuur zonder het element van opzet in dit geval onvoldoende is voor een dringende reden voor ontslag op staande voet. Daarbij is van belang dat de wijze waarop de overeengekomen prijzen tussen [verweerster] en haar klanten werden vastgelegd kwetsbaar was voor fouten en dat [verweerster] , na restitutie aan haar klanten van het door de klanten teveel betaalde of door nabetaling van het te weinig door haar betaalde, in dezelfde positie verkeert als waarin zij, naar haar eigen stellingen, zou hebben verkeerd indien juist zou zijn gefactureerd, te weten overeenkomstig de door [appellant] namens [verweerster] met de klanten mondeling overeengekomen prijs.

Dit betekent dat niet is voldaan aan het vereiste sub (1) en reeds om die reden kan het ontslag niet gelden als te zijn verleend om een geldige dringende reden. Daarom kan verder onderzoek naar de vraag in welke gevallen het meningsverschil tussen [verweerster] en [klant 2] , [klant 3] en [klant 1] is veroorzaakt door een fout van [appellant] en in welke gevallen door een fout van de klant in het midden blijven.

3.5.7.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat deze grieven terecht zijn voorgesteld. Het hof ziet geen aanleiding om [verweerster] in hoger beroep opnieuw toe te laten tot het leveren van getuigenbewijs. Weliswaar heeft [verweerster] aangeboden de heren [klant 3] , [klant 2] en [klant 1] (opnieuw) te horen teneinde te verklaren over de discrepantie tussen de gemaakte afspraken en de door hen ontvangen facturen en om de heren [medewerker 1] , [medewerker 2] , [medewerker 3] en mevrouw [medewerker 4] (opnieuw) te doen horen indien en voor zover er discussie blijft bestaan over de inhoud van de eerder door hen afgelegde verklaringen, maar dit bewijsaanbod heeft geen betrekking op de gestelde manipulatie door [appellant] . Het hof ziet evenmin aanleiding om ambtshalve [verweerster] wederom toe te laten tot het leveren van getuigenbewijs. De slotsom hiervan is dat in dit hoger beroep de aangezegde dringende reden niet geheel is bewezen en dat wat mogelijk wel kan worden bewezen onvoldoende is voor een dringende reden voor ontslag op staande voet.

De grieven 3 tot en met 6 slagen.

de conclusie ten aanzien van het ontslag op staande voet, het herstel van de arbeidsovereenkomst en de billijke vergoeding

3.6.1.

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat ontslag op staande voet door de kantonrechter had moeten worden vernietigd. Het hof overweegt het volgende over de consequenties die daaraan moeten worden verbonden.

3.6.2.

In hoger beroep kan het hof op grond van artikel 7:683, derde lid, BW ( [verweerster] veroordelen) de arbeidsovereenkomst (te) herstellen of aan [appellant] een billijke vergoeding toekennen. [appellant] heeft in hoger beroep op begrijpelijke gronden aangegeven dat hij, gezien alles wat is voorgevallen, geen herstel van de arbeidsovereenkomst wenst. Het hof zal daarom daarvan afzien.

3.6.3.

Het hof ziet, gezien al het voorgaande, wel aanleiding om aan [appellant] in plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst een billijke vergoeding toe te kennen. Bij de bepaling van de hoogte daarvan neemt het hof allereerst de leeftijd van [appellant] , de korte duur van zijn dienstverband bij [verweerster] en zijn salaris in aanmerking. Het hof acht aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst door de rechter zou zijn ontbonden, indien [verweerster] daarom had verzocht, al dan niet op de gronden die zij aan haar voorwaardelijke tegenverzoek in eerste aanleg ten grondslag heeft gelegd. In dat geval zou het dienstverband evenwel enige maanden langer hebben geduurd dan tot 28 februari 2018 en zou [verweerster] gehouden zijn geweest om gedurende die maanden het salaris van [appellant] door te betalen. [appellant] heeft naar het oordeel van het hof, gezien zijn leeftijd en achtergrond, ruime mogelijkheden om zich ook na het ontslag inkomen te verwerven. Ook als hij, zoals hij heeft gesteld, inmiddels een ander dienstverband heeft aanvaard tegen een lager salaris, komt dat voor zijn eigen risico, waarbij het hof in aanmerking neemt dat [appellant] ook nog ander inkomen uit zijn eenmanszaak heeft en hij, naar het oordeel van het hof, onvoldoende opening van zaken heeft gegeven wat betreft zijn totale inkomenspositie sinds 28 februari 2018. Al met al leidt het bovenstaande het hof tot de slotsom dat een bedrag van € 30.000,00 bruto een adequate compensatie is van het nadeel dat [appellant] ondervindt van het niet herstellen van de arbeidsovereenkomst. Het hof zal de billijke vergoeding vaststellen op dit bedrag. De door [appellant] verzochte wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag aan billijke vergoeding is eveneens toewijsbaar met dien verstande dat de wettelijke rente niet eerder door [verweerster] verschuldigd is dan nadat zij met de betaling van de billijke vergoeding in verzuim verkeert. Dit laatste is het geval als betaling niet binnen twee weken na de datum van deze beschikking plaatsvindt.

3.7.

Grief 7 van [appellant] heeft betrekking op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. [verweerster] is, gezien het oordeel over het ontslag op staande voet, te beschouwen als de in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij in het geding in eerste aanleg over de verzoeken van [appellant] en moet alsnog de proceskosten van [appellant] in dat geding betalen.

Grief 7 slaagt.

De slotsom

3.8.

De slotsom is dat het hof [verweerster] alsnog zal veroordelen om een billijke vergoeding van € 30.000,00 en de proceskosten van het geding in eerste aanleg aan [appellant] te betalen. De eindbeschikking van de kantonrechter zal op deze beide punten worden vernietigd en voor het overige in stand worden gelaten, omdat de beslissing van de kantonrechter om het ontslag op staande voet niet te vernietigen in hoger beroep niet kan worden vernietigd. De tussenbeschikking zal worden bekrachtigd om de daartegen gerichte grieven 1 en 2 niet tot vernietiging kunnen leiden. [verweerster] zal ook worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof:

4.1.

vernietigt de eindbeschikking, maar uitsluitend voor zover de kantonrechter daarin op de verzoeken van [appellant] geen billijke vergoeding aan [appellant] heeft toegekend en [appellant] in de proceskosten heeft veroordeeld;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

4.2.

veroordeelt [verweerster] , uitvoerbaar bij voorraad, om aan [appellant] een billijke vergoeding te betalen van € 30.000,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf twee weken na de datum van deze beschikking;

4.3.

veroordeelt [verweerster] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van het geding in eerste aanleg over de verzoeken van [appellant] en van het geding in het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 226,00 aan griffierecht en op

€ 960,00 aan salaris gemachtigde in eerste aanleg, en op € 324,00 aan griffierecht en op

€ 6.322,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 157,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking is voldaan aan de bij deze beschikking uitgesproken veroordelingen en betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

4.4.

bekrachtigt de eindbeschikking voor het overige alsmede de tussenbeschikking;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.AE. Uniken Venema, M.E. Smorenburg en A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2019.