Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3486

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
200.232.944_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1975
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In opdracht van appellant heeft geïntimeerde matrijs gemaakt.

Tussen partijen is in geschil of zij eigendomsoverdracht van de matrijs aan appellante zijn overeengekomen. Het hof acht voorshands bewezen dat dit het geval is en laat geïntimeerde toe tot tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.232.944/01

arrest van 24 september 2019

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. G.S. de Haas te Raamsdonksveer,

tegen

[de vennootschap 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.A.M. Hoogveld te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 augustus 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 18 mei 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellante] als eiseres en Hoogerdijk als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4460577 15-10404)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van 5 november 2015, 25 februari 2016 en 18 mei 2017.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellante] heeft [geïntimeerde] in november 1991 opdracht gegeven een matrijs te maken waarmee rubberen onderdelen konden worden vervaardigd.

3.1.2.

Bij faxbericht van 14 november 1991 (productie 15 bij akte houdende bewijslevering [appellante] van 21 april 2016) heeft [medewerker van geintimeerde] van [geïntimeerde] aan [medewerker van appellante] van [appellante] , voor zover van belang, het volgende bericht:

“Naar aanleiding van uw opdracht voor pakkingen moeten wij u informeren dat bij de aanbieding van de matrijs geen rekening is gehouden met het aanbrengen van uw firma-naam of logo. De kosten voor het aanbrengen van een naam zijn fl. 160,00 per nest (4 nesten). De kosten voor het aanbrengen van een logo liggen beduidend hoger.

Gaarne ontvangen wij per omgaande uw akkoord hiervoor.

(…).”

3.1.3.

[geïntimeerde] heeft vervolgens in 1991/1992 deze matrijs gemaakt. Zij heeft hiervoor aan [appellante] een factuur, gedateerd 10 april 1992, gestuurd voor een bedrag van fl. 4.340,00 exclusief btw/fl. 5.142,90 inclusief btw (productie 3 bij inleidende dagvaarding). Op deze factuur staat verder vermeld:

Artikelnr.

Aantal

Omschrijving

Prijs/Per

Bedrag

V7TNO1000

1.00

Uw opdracht v. 06.11.1991, O/N [opdrachtnummer]

Dhr. [medewerker van appellante]

st. /matrijs t.b.v. VRIN01000

inclusief graveerkosten

4340.00

/1

4340.00

[appellante] heeft deze factuur betaald. De matrijs is bij [geïntimeerde] gebleven.

3.1.4.

[geïntimeerde] heeft aan [appellante] een factuur, gedateerd 2 juni 1992, gestuurd met de volgende inhoud (productie 14 bij akte houdende bewijslevering [appellante] ):

Artikelnr.

Aantal

Omschrijving

Prijs/Per

Bedrag

VRIN0100

1066.00

Uw opdracht v. 01.11.1991, O/N [opdrachtnummer]

Dhr. [medewerker van appellante]

st. /nitril pakk.vlg. tek [tekeningnummer]

145.00

/100

1545.70

3.1.5.

De matrijs (dan wel haar opvolger) is tussen 1992 en 2004 door [geïntimeerde] gebruikt om in opdracht van [appellante] producten te maken.

3.1.6.

In februari 2015 heeft [appellante] zich in verband met een nieuwe productieorder tot [geïntimeerde]

gewend. Op 25 februari 2015 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] hiervoor een offerte uitgebracht. [appellante] kon zich niet vinden in de door [geïntimeerde] geoffreerde prijs en heeft bij e-mail van 27 februari 2015 aan [geïntimeerde] om afgifte van de matrijs verzocht, zodat zij de producten ergens anders kon laten maken.

3.1.7.

[geïntimeerde] heeft afgifte geweigerd. Volgens [geïntimeerde] is de matrijs bovendien vernietigd.

4 De procedure in eerste aanleg

4.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd:

- primair: vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van het verloren gaan van de matrijs, zijnde een bedrag van € 9.438,00, aan kosten voor het maken van een nieuwe matrijs;

- subsidiair: vergoeding van een in goede justitie te bepalen bedrag;

- primair en subsidiair: veroordeling van [geïntimeerde] in de beslagkosten, proceskosten en nakosten.

[appellante] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat partijen in 1991 een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan [geïntimeerde] een matrijs zou maken voor [appellante] , de matrijs na betaling van de factuur exclusief eigendom zou zijn van [appellante] , maar in bewaring zou blijven bij [geïntimeerde] en uitsluitend zou worden gebruikt door [geïntimeerde] voor het maken van producten voor [appellante] en dat [geïntimeerde] op eerste verzoek van [appellante] de matrijs aan [appellante] zou afgeven.

[appellante] heeft hiertegen, vooral tegen de stelling dat de matrijs eigendom zou worden van [appellante] , gemotiveerd verweer gevoerd.

4.2.

In het tussenvonnis van 25 februari 2016 heeft de kantonrechter [appellante] onder meer opgedragen te bewijzen dat tussen haar en [geïntimeerde] omstreeks 1991 een overeenkomst voor het maken van een matrijs tot stand is gekomen met de bepalingen die vermeld zijn in de order van [appellante] van 1 november 1991.

4.3.

In het eindvonnis van 18 mei 2017 heeft de kantonrechter [appellante] niet in de bewijslevering geslaagd geacht. De kantonrechter heeft vervolgens de vordering van [appellante] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1.

Onder aanvoering van 15 grieven concludeert [appellante] in de memorie van grieven tot vernietiging van het eindvonnis van 18 mei 2017 en alsnog toewijzing van haar vordering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. Het hof begrijpt echter uit de inhoud van de grieven, die mede zijn gericht tegen overwegingen van de kantonrechter in het tussenvonnis van 25 februari 2016, dat [appellante] bedoeld heeft ook vernietiging te vorderen van het tussenvonnis van 25 februari 2016. Nu [geïntimeerde] het hoger beroep van [appellante] ook in die zin heeft begrepen gelet op de inhoud van haar memorie van antwoord, gaat het hof ervan uit dat het hoger beroep van [appellante] mede gericht is tegen het tussenvonnis van 25 februari 2016.

5.2.

Met haar grieven legt [appellante] het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal de grieven dan ook gezamenlijk behandelen.

5.3.

De vraag die aan het hof ter beantwoording voorligt, is of tussen partijen in 1991/1992 een overeenkomst tot stand is gekomen die, zoals [appellante] stelt en [geïntimeerde] betwist, mede strekt tot eigendomsoverdracht van de door [geïntimeerde] in opdracht van [appellante] geproduceerde en bij [geïntimeerde] achtergebleven matrijs aan [appellante] . Bij de beantwoording van de vraag wat partijen in dit verband zijn overeengekomen, komt het aan op wat partijen op dit punt over en weer hebben verklaard en op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de gegeven verklaringen en gedragingen mochten toekennen en aan wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenaamde Haviltex maatstaf). Daarbij is het in de eerste plaats aan [appellante] om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van gemotiveerde betwisting – te bewijzen die, indien bewezen, tot de conclusie leiden dat aan voornoemde opdracht een overeenkomst ten grondslag lag die mede strekt tot eigendomsoverdracht aan haar van door [geïntimeerde] vervaardigde matrijs. [appellante] beroept zich immers op het bestaan van een overeenkomst waarin is overeengekomen dat zij de eigenaar van de matrijs is.

5.4.

[appellante] verwijst ter onderbouwing ten aanzien van de inhoud van de overeenkomst naar de volgens haar aan [geïntimeerde] gegeven en volgens haar door [geïntimeerde] aanvaarde order van 1 november 1991, overgelegd als productie 2 bij inleidende dagvaarding. In deze offerte staat, voor zover van belang, vermeld:

ORDERNUMMER: [opdrachtnummer] [plaats] , 01-11-1991.

pos aantal omschrijving bedrag

---- ------- ---------------------------------------------------------------------- -------------------

1 1 1 1 matrijs voor pakking volgens onze 4.090,00

tekening nummer [tekeningnummer]

2 0 2 0 pakking volgens onze tekening

nummer [tekeningnummer] 1,45

Prijzen per stuk, in nederlandse guldens, exklusief B.T.W.

(…)

Levering: - pos 1: matrijs blijft tot nader order bij

fabrikant aanwezig (…)

Rechten: na betaling van de matrijskosten wordt de matrijs het exklusieve eigendom van [appellante] bv. De matrijs ma g uitsluitend gebruikt worden voor produktie in opdracht van [appellante] bv. Ingeval de matrijs door [appellante] bv

gevorderd wordt, dient deze kompleet en in

onbeschadigde staat aangeleverd te worden.

Garantie: de matrijs wordt gegarandeerd voor 300.000 produkten.

Onderhoud en tussentijdse reparaties worden

kostenloos uitgevoerd.

[medewerker van appellante] .”

5.5.

Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat er een order van [appellante] aan het sluiten van een overeenkomst is voorafgegaan. Dit kan ook worden afgeleid uit het faxbericht van [geïntimeerde] aan [appellante] van 14 november 1991 (zie rov. 3.1.2).

[geïntimeerde] betwist evenwel dat zij de onder 5.4 vermelde order van 1 november 1991 van [appellante] heeft ontvangen. Het hof acht deze betwisting echter niet overtuigend en in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. Het hof neemt daartoe het volgende in aanmerking.

5.5.1.

In de eerste plaats correspondeert het ordernummer op de overgelegde order van 1 november 1991 ( [opdrachtnummer] ) met het ordernummer op de factuur van [geïntimeerde] van 10 april 1992, waarbij [geïntimeerde] aan [appellante] een bedrag van fl. 4.340,00 in rekening heeft gebracht voor het maken van de matrijs (zie rov. 3.1.3). Het bedrag op deze factuur wijkt weliswaar af van het bedrag op de overgelegde order (fl. 4.090,00), maar dit is te verklaren door het feit dat in de order nog geen rekening is gehouden met graveerkosten (zie ook het hiervoor genoemde faxbericht van [geïntimeerde] van 14 november 1991). Uit de factuur van 10 april 1992 is voorts niet af te leiden dat het daarbij aan [appellante] in rekening gebrachte bedrag, zoals [geïntimeerde] aanvoert, slechts betrekking had op een bijdrage in de gereedschapskosten.

5.5.2.

Daarnaast correspondeert het ordernummer op de overgelegde order van 1 november 1991 met het ordernummer, zoals vermeld op de factuur van [appellante] van 2 juni 1992 (ook [opdrachtnummer] ), en strookt de datum van de order met de datum van de opdracht waarnaar in die factuur wordt verwezen. De factuur van 2 juni 1992 lijkt ook verband te houden met de door [appellante] overgelegde order van 1 november 1991 (zie rov. 3.1.4), aangezien het tweede onderdeel van de overgelegde order van 1 november 1991 betrekking heeft op “pakking volgens onze tekening nummer [tekeningnummer] ” en deze factuur ziet op de levering van “st./Nitril pakk. Vlg. tek [tekeningnummer] ”. De prijs op de overgelegde order voor dit onderdeel (fl. 1,45 per stuk) komt verder overeen met de prijs op de factuur van 2 juni 1992 (“ [factuur] ”). Ten slotte is op de order het nummer van de tekening volgens welke de matrijs en de pakkingen dienden te worden gemaakt ( [tekeningnummer] ) gelijk aan het tekeningnummer, vermeld op de factuur van 1 juni 1992 en op de door [appellante] overgelegde tekening van de matrijs (productie 16 bij akte houdende bewijslevering [appellante] ).

Tegenover deze feitelijke gegevens volstaat [geïntimeerde] slechts met het verweer dat de factuur van 2 juni 1992 geen betrekking had op de door haar in opdracht van [appellante] gemaakte matrijs, zonder nader toe te lichten waarop deze factuur dan wèl betrekking heeft.

5.5.3.

[geïntimeerde] voert nog als verweer aan dat de datum van de order waarnaar in de factuur van 10 april 1992 wordt verwezen (6 november 1991) niet gelijk is aan de datum van de overgelegde order, maar in het licht van het bovenstaande acht het hof dat op zichzelf nog niet doorslaggevend, omdat het niet onaannemelijk is dat de datum van de order waarnaar in de factuur van 10 april 1992 wordt verwezen, zoals [appellante] stelt, een verschrijving is en eigenlijk 1 november 1991 had moeten zijn.

5.6.

Het bovenstaande, in onderling samenhang bezien, rechtvaardigt naar het oordeel van het hof voorshands – dat wil zeggen behoudens tegenbewijs door [geïntimeerde] – de conclusie dat de door [appellante] overgelegde order van 1 november 1991 door [geïntimeerde] is ontvangen en dat deze order ten grondslag heeft gelegen aan de door partijen in 1991/1992 gesloten overeenkomst met betrekking tot het maken van een matrijs door [geïntimeerde] voor [appellante] . Uit die order volgt dan dat, nu gesteld noch gebleken is dat van de zijde van [geïntimeerde] daarop afwijzend is gereageerd en [geïntimeerde] de bestelde matrijs heeft geproduceerd, [appellante] ervan heeft mogen uitgaan dat haar order door [geïntimeerde] was aanvaard en, zoals in de aldus tot stand gekomen overeenkomst staat te lezen, na betaling van de matrijskosten de exclusieve eigendom van de matrijs bij haar zou komen te rusten. Indien dit niet de bedoeling was van [geïntimeerde] had een afwijzende reactie van [geïntimeerde] dan wel voor de hand gelegen, gelet op de door haar gestelde andere gebruikelijke gang van zaken bij [geïntimeerde] (en in de gehele branche van rubberen onderdelen, punt 6 conclusie van antwoord, punt 48 memorie van antwoord). Deze houdt volgens haar in dat een gemaakte matrijs eigendom blijft van [geïntimeerde] als maker en door deze wordt bewaard om voor mogelijke vervolgopdrachten te worden gebruikt en dat een matrijs slechts eigendom wordt van de opdrachtgever wanneer daarover andersluidende afspraken zijn gemaakt die zijn vastgelegd in een aparte “toolovereenkomst”.

Het hof zal [geïntimeerde] in de gelegenheid stellen tot het leveren van tegenbewijs.

5.7.

In het geval [geïntimeerde] er niet in slaagt dit tegenbewijs te leveren, dient er dus vanuit te worden gegaan dat de order door [geïntimeerde] is ontvangen en dat het de bedoeling van partijen is geweest dat de overeenkomst mede strekt tot eigendomsoverdracht van de door [geïntimeerde] gemaakte matrijs aan [appellante] .

5.8.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De uitspraak

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [geïntimeerde] toe tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat de order van 1 november 1991, door [appellante] overgelegd als productie 2 bij inleidende dagvaarding, door [geïntimeerde] is ontvangen en ten grondslag heeft gelegen aan de door partijen in 1991/1992 gesloten overeenkomst met betrekking tot het maken van een matrijs door [geïntimeerde] voor [appellante] ;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. R.A. van der Pol als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 8 oktober 2019 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, E.J. van Sandick en R.F. Groos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 september 2019.

griffier rolraad