Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3475

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-09-2019
Datum publicatie
20-11-2019
Zaaknummer
18/00635
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:7287, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte naar het juiste bedrag opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-11-2019
FutD 2019-3084
V-N Vandaag 2019/2672
V-N 2019/60.21.12
Belastingblad 2020/64 met annotatie van J.K. Lanser
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00635

Uitspraak op het hoger beroep van

VOF [belanghebbende] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 20 september 2018, nummer BRE 16/8903, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna vermelde aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2013, aanslagnummer [aanslagnummer] , opgelegd van € 940,94 (hierna: de aanslag). Na daartegen gemaakt bezwaar is de aanslag bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 785,84.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De griffier van de Rechtbank heeft in de onderhavige zaak geen griffierecht geheven gelet op de samenhang met andere beroepszaken van belanghebbende. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 508. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 augustus 2019 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende, [A] vergezeld door zijn echtgenote [AA] , alsmede, namens de Heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar]

1.6.

De Heffingsambtenaar heeft tijdens deze zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende exploiteert op het adres [adres] in [vestigingsplaats] een

activiteitencomplex. Tussen partijen is niet in geschil dat in dit complex diverse

fitnessruimten en spreekkamers met douches voor de sporters, een zwembad met

douches voor zwemgasten en een loungeruimte met bar geëxploiteerd worden.

Belanghebbende heeft een aantal watermeters geplaatst maar de daarmee gemeten

hoeveelheden wenst hij niet in te brengen.

2.2.

De Heffingsambtenaar heeft de aanslag vastgesteld en berekend naar 18,2

vervuilingseenheden (hierna: ve) tegen een tarief van € 51,70, is € 940.94. Het aantal ve is als volgt vastgesteld:

m³ ingenomen water

Vervuilingseenheden per m³

Totaal ve

Klasse 1

250 m³

0,0010

0,25 ve

Klasse 4

750 m³

0,0039

2,92 ve

Klasse 8

655 m³

0.023

15,0 ve

Totaal

18,2 ve

Bij de aanslag is de eerder opgelegde voorlopige aanslag van € 1.189,10 verrekend. Deze voorlopige aanslag is gebaseerd op 23,0 ve, tegen een tarief van € 51,70. Bij de uitspraak

op bezwaar is de aanslag verder verminderd tot € 785,84. De Heffingsambtenaar is hierbij uitgegaan van 15,2 ve, omdat voor het verbruik van de woonruimte 3,0 v.e in mindering is gebracht.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot een aanslag waarbij het aantal vervuilingseenheden is bepaald door een toerekening van het waterverbruik aan klasse 1 en klasse 4. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

De omvang van het geschil

4.1.

Het Hof stelt voorop dat, overeenkomstig het uitgangspunt van belanghebbende in haar nadere stukken van 3 augustus 2019, het geschil beperkt is tot de aanslag (hieronder wordt verstaan de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2013, aanslagnummer [aanslagnummer] (zie 1.1)). Ook ter zitting is aan belanghebbende voorgehouden dat het geschil beperkt is tot de aanslag.

De aanslag

4.2.

In artikel 122d, lid 1, van de Waterschapswet is bepaald dat ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, onder de naam zuiveringsheffing een heffing wordt ingesteld ter zake van het afvoeren van afvalwater. Op grond van artikel 122k van de Waterschapswet in verbinding met het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (hierna: het Besluit) wordt met behulp van de tabel van artikel 2 van het Besluit de vervuilingswaarde per m³ ingenomen water bepaald. Op grond van dit artikel, in verbinding met artikel 122l van de Waterschapswet, is door het Waterschap Brabantse Delta de Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2013 vastgesteld (hierna: de Verordening).

4.3.

In de Verordening staat voor zover van belang vermeld:

“Artikel 7 Meting, bemonstering en analyse

1. Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening geschieden met in achtneming van de in Bijlage I opgenomen voorschriften.

2 De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 8.

3 De meting, bemonstering en analyse geschieden zodanig dat:

a de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de werkelijke hoeveelheid afvalwater;

b het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid stoffen die gedurende de

bemonsteringsperiode vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt afgevoerd.

4 De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter kennis van de heffingsambtenaar van het waterschap,

5 De heffingsambtenaar van het waterschap:

a kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;

b beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting en bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;

c beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat kan worden afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed;

d kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c nadere voorschriften geven.

6 De heffingsambtenaar van het waterschap neemt zijn beslissing, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:

a de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan wordt afgeweken;

b de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c;

c de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel d;

d een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven.

(…)

Artikel 8 Beperkte meting, bemonstering en analyse

1. Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de heffingsambtenaar van het waterschap dat meting, bemonstering en analyse geschieden in afwijking van het bepaalde in artikel 7, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:

a een opgave van de afvalstromen en de stoffen welke in het onderzoek dienen te worden betrokken;

b de tijdvakken waarin meting, bemonstering en analyse geschieden, hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan;

c de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten worden herleid tot het aantal

vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;

d een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven.

2 De heffingsambtenaar van het waterschap kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van onderdeel C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in die beschikking is opgenomen.

3 De heffingsambtenaar van het waterschap neemt zijn beslissing, bedoeld in het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 10 Tabel afvalwatercoëfficiënten

(…)

2 Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt berekend volgens de formule A x B, waarbij

A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;

B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.

3 Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld aan de hand van watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen wijze.

4 De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ als bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met toepassing van de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k van de Waterschapswet. [het Besluit].

Artikel 17 Schatting

De heffingsambtenaar BWB kan het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen, indien door de heffingsplichtige:

a zonder de in artikel 8 genoemde beschikking niet is voldaan aan de in artikel 7, tweede lid, opgenomen verplichting;

b niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in artikel 8 of 9 genoemde beschikking;

c meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in overeenstemming met de in bijlage I opgenomen voorschriften;

d niet is voldaan aan de in artikel 7, eerste lid, eerste volzin, opgenomen verplichting en bepaling van de vervuilingswaarde overeenkomstig de artikelen 10, 11, 15 en 16 niet mogelijk is, dan wel bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 10, vijfde lid, wel mogelijk is en door de heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, is ingediend.”.

4.4.

De vervuilingswaarde per m³ ingenomen water wordt op forfaitaire wijze bepaald met behulp van de tabel die is opgenomen in artikel 2 van het Besluit. In het Besluit (tekst 2013) staat voor zover van belang vermeld:

“Artikel 2

De vervuilingswaarde per m³ ingenomen water wordt bepaald met behulp van de navolgende tabel.

Indien de bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan de volgende bedrijfscategorie betreft

vervuilingswaarde per m³ ingenomen water

(…)

Zwem- en badinrichtingen

0,0036

Onderdelen voor suppletie en filterspoeling, voor zover de hoeveelheid water voor suppletie en filterspoeling afzonderlijk wordt vastgesteld.

0,0011

(…)

De niet in deze tabel vermelde bedrijfsruimten of onderdelen van bedrijfsruimten

0,021

Artikel 4

1. De vervuilingswaarde per m³ ingenomen water kan door de heffingsplichtige op zijn kosten op aanvraag, dan wel ambtshalve door de inspecteur op kosten van de betrokken beheerder, in afwijking van de artikelen 2 en 3, worden bepaald aan de hand van monsterneming en analyse overeenkomstig het derde lid, onderscheidenlijk aan de hand van meting, bemonstering en analyse overeenkomstig het vierde lid.”.

In Bijlage II Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 122k, lid 3, van de Waterschapswet) behorende bij de Verordening zijn de volgende klassen gekoppeld aan de betreffende ve:

Klasse

Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ingenomen water

Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden per m³ ingenomen water in het heffingsjaar

ondergrens

bovengrens

1

> 0

0,0013

0,0010

(…)

4

> 0,0031

0,0048

0,0039

(…)

8

> 0,018

0,029

0,023

4.5.

De aanslag is door de Heffingsambtenaar geschat, omdat belanghebbende niet overeenkomstig de Verordening gedurende 24 uren per dag 7 dagen per week heeft gemeten, bemonsterd en geanalyseerd. De Heffingsambtenaar heeft deze schatting gebaseerd op de hoeveelheid ingenomen water en uitgedrukt in ve. Op grond van artikel 10, lid 2, van de Verordening wordt het aantal ve bepaald door de hoeveelheid ingenomen water te vermenigvuldigen met de afvalwatercoëfficiënt die behoort bij de klasse van de in Bijlage II opgenomen Tabel afvalwatercoëfficiënten. De indeling in een klasse geschiedt op grond van artikel 10, lid 4, van de Verordening in samenhang met artikel 2 van het Besluit. De Heffingsambtenaar is bij het opleggen van de aanslag uitgegaan van de onder 2.2 opgenomen verdeling in de klassen 1,4 en 8. De Heffingsambtenaar heeft daarvoor een onderverdeling gemaakt in de in artikel 2 van het Besluit genoemde bedrijfscategorieën “Onderdelen voor suppletie en filterspoeling, voor zover de hoeveelheid water voor suppletie en filterspoeling afzonderlijk wordt vastgesteld” (0,0010 ve/m³ ingenomen water); “Zwem- en badinrichtingen” (0,0039 ve/m³) en “De niet in deze tabel vermelde bedrijfsruimten of onderdelen van bedrijfsruimten” (0,023 ve/m³). Voor de toerekening van het waterverbruik aan de verschillende bedrijfscategorieën is de Heffingsambtenaar uitgegaan van in het verleden gehanteerde toerekeningen. Dit resulteert in een ve van, in totaal 18,2 (afgerond), die bij uitspraak op bezwaar met 3,0 ve is verminderd tot 15,2 ve

4.6.

Belanghebbende verzet zich tegen de door de Heffingsambtenaar gehanteerde methode voor de berekening van de afvalwatercoëfficiënt en het daaruit voortvloeiende aantal ve. De Rechtbank heeft daarover het volgende overwogen:

“2.9.1. Naar het oordeel van de rechtbank kan belanghebbendes bedrijf niet uitsluitend worden aangemerkt als een zwem- en badinrichting. Vast staat immers dat belanghebbendes bedrijf, naast een zwembad, diverse fitnessruimten omvat, met volgens de website van belanghebbende, een ruim aanbod van fitnesstraining. Zowel bij het zwembad als bij de fitnessruimten zijn doucheruimten aanwezig en er is een lounge met bar en een aantal toiletten, zodat aannemelijk is dat in belanghebbendes bedrijf ook buiten het zwembad afvalwater wordt geproduceerd.

2.9.2.

Bij de heffing van de zuiveringsheffing wordt uitgegaan van verschillende bedrijfscategorieën zoals genoemd in de tabel 2 bij het Besluit waaraan verschillende mate van vervuiling wordt toegerekend. Indien de feitelijke bedrijfsactiviteit niet in een van die beschrijvingen kan worden ondergebracht, bijvoorbeeld omdat sprake is van meerdere bedrijfscategorieën binnen een bedrijfsruimte, is in beginsel de restcategorie uit de tabel van toepassing. Als het mogelijk is aan een te onderscheiden bedrijfsactiviteit een bepaalde bedrijfscategorie toe te rekenen en aan die activiteit een bepaalde hoeveelheid ingenomen water van de bedrijfsruimte kan worden toegerekend, kan voor die bedrijfsactiviteit afzonderlijk de bedrijfscategorie worden gehanteerd ten aanzien van die specifieke hoeveelheden ingenomen water. In dat geval kan dan per activiteit een ve per m3 ingenomen water worden vastgesteld. Dit brengt een bijzondere toepassing van de regeling met zich mee. Bovendien zullen de daarvoor benodigde gegevens bij belastingplichtige bekend moeten zijn, die zal immers dat watergebruik moeten meten. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit redelijkerwijs met zich mee dat belastingplichtige zal moeten stellen, en bij betwisting aannemelijk maken, dat de ve per m3 op de volgens hem vastgestelde wijze moet worden bepaald.

2.9.3.

De rechtbank is van oordeel dat in belanghebbendes bedrijfsruimte meerdere activiteiten plaatsvonden zodat die bedrijfsruimte niet in het geheel kan worden aangemerkt als een bedrijfsruimte voor de bedrijfscategorie zwem- en badinrichting of onderdelen voor suppletie en filterspoeling. In beginsel is dan de restcategorie van toepassing. Hetgeen belanghebbende hiertegen naar voren brengt, met name het gestelde met betrekking de regelgeving rond zwembaden en waterbehandeling, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De door belanghebbende bedoelde regelgeving heeft immers geen betrekking op de zuiveringsheffing maar op de vereisten voor een reglementaire exploitatie van een zwem- en badinrichting.

2.9.4.

Voorzover belanghebbende onderscheid wil maken naar de mate van gebruik van het ingenomen water dient hij dit te meten zodat bepaald kan worden hoeveel van het ingenomen water met welk doel is gebruikt. Afzonderlijke watermeters voor het zwembad, sanitaire groepen en lounge ontbreken of zijn niet aangesloten. De wel gemeten hoeveelheden worden niet vermeld. Het is dan ook niet mogelijk om de ingenomen hoeveelheid water toe te rekenen aan de verschillende bedrijfsactiviteiten zoals zwem- en badinrichting, fitness en lounge met bar. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het voor die toerekening uitgaan van gemiddelde ervaringscijfers en schattenderwijze berekeningen in het licht van de betwisting daarvan onvoldoende is. Indien de heffingsambtenaar de door belanghebbende gestelde hoeveelheden betwist rust immers op belanghebbende de last aannemelijk te maken dat en hoeveel van het ingenomen water voor een bepaald doel is gebruikt. Een schatting zoals belanghebbende in dit geval voorstaat is dan onvoldoende. De rechtbank ziet derhalve in het onderhavige geval geen reden van het in 2.9.2 genoemde uitgangspunt af te wijken.

2.9.5.

De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar uiteindelijk nog wel rekening gehouden met de verschillende vervuilingswaarden van het bedrijf door het hanteren van drie verschillende ve per m3 ingenomen water. De rechtbank is, mede gezien het hiervoor geoordeelde, van oordeel dat daarom geoordeeld moet worden dat de aanslag dan in ieder geval niet te hoog is vastgesteld. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd kan niet leiden tot een andere beslissing.”.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof maakt de overwegingen van de Rechtbank tot de zijne. De Heffingsambtenaar heeft het aantal ve geschat met toepassing van artikel 10 van de Verordening. De stelling van belanghebbende dat deze schatting niet de werkelijkheid benadert kan haar niet helpen, omdat voor de vaststelling van de werkelijkheid belanghebbende gedurende 24 uren per dag 365 dagen van het jaar had moeten meten, bemonsteren en analyseren, hetgeen zij niet heeft gedaan. Belanghebbende verwijst verder ter onderbouwing van zijn stellingen naar andere wetgeving zoals de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden. Belanghebbende heeft in zijn bedrijfsvoering te maken met die wetgeving, maar, zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen, is die wetgeving niet relevant voor het opleggen van een aanslag zuiveringsheffing (bedrijfsruimten). De aanslag is opgelegd conform de van toepassing zijnde wet- en regelgeving die is opgenomen in de onderdelen 4.2 tot en met 4.4 van deze uitspraak. Voor zover belanghebbende betoogt dat de wet onredelijk is, geldt dat het de rechter niet vrij staat om formele wetgeving te toetsen op haar innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te beoordelen (artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28). Tot slot is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden.

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 19 september 2019 door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, P. Fortuin en F. Sonneveldt, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.