Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3471

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
20-11-2019
Zaaknummer
18/00232 en 18/00233
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:1716, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:680
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toeristenbelasting. Belanghebbende is niet als exploitant van de minicamping en de vakantiewoningen aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-11-2019
V-N Vandaag 2019/2635
FutD 2019-3079
Belastingblad 2020/57 met annotatie van G. GROENEWEGEN
Viditax (FutD), 17-04-2020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 18/00232 en 18/00233

Uitspraak op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Veere,

hierna: de Heffingsambtenaar,

en het incidenteel hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 22 maart 2018, nummers BRE 16/10121 en 16/10123 in het geding tussen

belanghebbende

en

de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna vermelde aanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag toeristenbelasting opgelegd naar een bedrag van € 3.850 en voor het jaar 2015 een aanslag toeristenbelasting opgelegd naar een bedrag van € 4.200. Deze aanslagen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Heffingsambtenaar van 21 november 2016 gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De griffier van de Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 92.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslagen vernietigd, de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.500 en gelast dat de Heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 92 aan haar vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Heffingsambtenaar heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting van 17 april 2019 een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 17 april 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] .

1.7.

De Heffingsambtenaar heeft op deze zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8.

Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde partijen de gelegenheid te geven om te bezien of zij in onderling overleg de geschilpunten konden oplossen.

1.9.

Partijen zijn er niet in geslaagd om tot een oplossing te komen en hebben het Hof gevraagd de zaak verder te behandelen.

1.10.

Op grond van artikel 8:58 van de Awb hebben partijen vóór de zitting van 29 augustus 2019 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn steeds in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.11.

Bij brief van 20 augustus 2019 heeft gemachtigde het Hof bericht dat hij zich terugtrekt als gemachtigde van belanghebbende. Er is niet verzocht om uitstel van de zitting.

1.12.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 29 augustus 2019 te ‘s‑Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens de Heffingsambtenaar [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 3] . Belanghebbende is niet verschenen.

1.13.

Bij aanvang van de nadere zitting is, zoals ook al uit de uitnodiging voor de zitting blijkt, erop gewezen, dat de meervoudige Belastingkamer tijdens het onderzoek ter zitting op 17 april 2019 was samengesteld uit mrs. Gladpootjes, Pieterse en Geerling, en dat de zaak verder wordt behandeld in een gewijzigde samenstelling van de Kamer door mrs. Gladpootjes, Harthoorn en Pieterse, en dat de zaak wordt voortgezet, gelet op artikel 8:64, derde lid, van de Awb, in de stand waarin zij zich bevond op 17 april 2019.

1.14.

Het Hof heeft aan het einde van de nadere zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de onderzoeken ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is eigenaresse van een perceel aan de [adres] te [woonplaats] , waarop met vakantiewoningen en een kampeerterrein (hierna: de minicamping) gelegenheid tot verblijf wordt gegeven aan toeristen.

2.2.

Belanghebbende heeft op 27 december 2013 een overeenkomst met [A BV] (hierna: [A BV] ) gesloten, waarin wordt overeengekomen dat belanghebbende de vakantiewoningen en de minicamping verhuurt aan [A BV] . Onder punt 5 van de overeenkomst is bepaald dat [A BV] gedurende de jaren 2014, 2015 en 2016 het gehuurde op eigen naam en voor eigen rekening en risico aan derden mag verhuren.

2.3.

Bij overeenkomst van 6 april 2015 tussen belanghebbende, [A BV] , [B CV] (hierna: [B CV] ) en [gemachtigde] , is overeengekomen dat [B CV] met ingang van 1 april 2015 in de plaats treedt van [A BV] voor wat betreft hetgeen is overeengekomen in de onder 2.2 vermelde overeenkomst.

2.4.

[B CV] is opgericht op [datum 1] 2015. Beherend vennoot is [C BV] . Onbekend is wie de commanditaire vennoten zijn.

2.5.

Blijkens de Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2014 van de gemeente Veere van 12 december 2013 respectievelijk de Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2015 van de gemeente Veere van 18 december 2014 (hierna: de Verordeningen) loopt het kampeerseizoen van 15 maart tot en met 31 oktober.

2.6.

Voor het jaar 2015 heeft de Heffingsambtenaar niet alleen aan belanghebbende een aanslag toeristenbelasting opgelegd voor de vakantiewoningen en de minicamping maar ook aan [B CV] , eveneens naar een bedrag van € 4.200. Die aanslag staat onherroepelijk vast.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is belanghebbende belastingplichtig voor de toeristenbelasting ter zake van de vakantiewoningen en de mini-camping?

II. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: zijn de aanslagen naar de juiste bedragen vastgesteld?

III. Heeft de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding van werkelijke proceskosten uitgesproken?

Belanghebbende is van mening dat de eerste en tweede vraag ontkennend en de derde vraag bevestigend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Voor hetgeen hieraan op de eerste zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het door belanghebbende ingestelde beroep. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor wat betreft de toegekende proceskostenvergoeding en tot vergoeding van de werkelijke proceskosten.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

I. Is belanghebbende belastingplichtig voor de toeristenbelasting ter zake van de vakantiewoningen en de mini-camping?

4.1.

In artikel 224, lid 1, van de Gemeentewet is bepaald dat ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, een toeristenbelasting kan worden geheven. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat voor zover de belasting wordt geheven van degene die gelegenheid tot verblijf biedt, deze bevoegd is de belasting als zodanig te verhalen op degene ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.

4.2.

In artikel 2 van de Verordeningen is bepaald dat ter zake van het houden van verblijf met overnachten binnen de gemeente in hotels, pensions, vakantie-onderkomens, mobiele kampeeronderkomens, niet-beroepsmatig verhuurde ruimten en op vaste standplaatsen tegen vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente zijn opgenomen, onder de naam “toeristenbelasting” een directe belasting wordt geheven. In artikel 3 van de Verordeningen is bepaald dat belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 in hem ter beschikking staande ruimten dan wel op hem ter beschikking staande terreinen.

4.3.

De bewijslast dat belanghebbende in 2014 respectievelijk 2015 gelegenheid heeft geboden tot verblijf als bedoeld in artikel 3, in verbinding met artikel 2, van de Verordeningen, rust op de Heffingsambtenaar.

4.4.

Blijkens de tekst van de onder 2.2 vermelde huurovereenkomst is belanghebbende met [A BV] overeengekomen dat [A BV] het gehuurde (de minicamping en de vakantiewoningen) met ingang van 1 januari 2014 gedurende de jaren 2014, 2015 en 2016 huurt tegen een vaste prijs van € 75.000 per jaar. [A BV] is gerechtigd het gehuurde gedurende deze jaren op eigen naam en voor eigen rekening en risico te verhuren aan derden.

Op grond van de onder 2.3 vermelde overeenkomst treedt met ingang van 1 april 2015 [B CV] in de rechten en verplichtingen van [A BV] , met dien verstande dat de huurprijs is aangepast zolang het nieuwe sanitair en recreatiegebouw niet is gerealiseerd.

4.5.

Het Hof is van oordeel dat op basis van deze overeenkomsten de minicamping en de vakantiewoningen door [A BV] respectievelijk [B CV] worden geëxploiteerd en dat [A BV] / [B CV] degene is die gelegenheid heeft geboden tot verblijf als bedoeld in artikel 3, in verbinding met artikel 2, van de Verordeningen. Dit zou slechts anders zijn, indien aannemelijk is gemaakt dat de feitelijke situatie anders is dan wordt voorgespiegeld in deze overeenkomsten. De bewijslast daarvan rust evenzeer op de Heffingsambtenaar.

4.6.

De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat feitelijk de exploitatie door belanghebbende plaatsvindt. Hij voert daarvoor de volgende gronden aan:

- belanghebbende is eigenaar van het terrein en de vakantiewoningen;

- er is geen aangifte toeristenbelasting gedaan, ook niet door [A BV] of [B CV] ;

- de gelden worden in eerste instantie ontvangen door belanghebbende;

- de vergunning staat op naam van belanghebbende;

- feitelijke handelingen met betrekking tot de exploitatie geschieden door belanghebbende;

- in de huurovereenkomst staat niet wie er gelegenheid tot verblijf biedt;

- in het handelsregister staat niet vermeld dat [A BV] zich bezig houdt met de exploitatie van een minicamping en/of verhuur van recreatiewoningen;

- naar gangbaar spraakgebruik dient belanghebbende als belastingplichtige te worden aangemerkt;

- er worden steeds weer nieuwe huurovereenkomsten met andere rechtspersonen gesloten;

- [B CV] is opgericht per [datum 2] 2015 en belanghebbende is één van de vennoten;

- [A BV] is per [datum 3] 2015 ontbonden.

4.7.

Het Hof is van oordeel dat geen van de door de Heffingsambtenaar aangedragen gronden bewijs oplevert dat hetgeen in de overeenkomsten is vastgelegd, niet overeenstemt met de werkelijkheid. Daarbij komt dat belanghebbende op de eerste zitting gemotiveerd heeft weersproken dat [A BV] / [B CV] niet over een bankrekening zou beschikken en dat de gelden in eerste instantie door belanghebbende worden ontvangen en voorts is ontkend dat belanghebbende vennoot in [B CV] is. De Heffingsambtenaar heeft het door hem gestelde op dit punt niet nader onderbouwd. Het uittreksel uit het handelsregister vermeldt als vennoot [C BV] en niet belanghebbende. Voorts is door belanghebbende gesteld dat zij geen aandeelhouder is van [C BV] . De Heffingsambtenaar heeft het door hem gestelde ook op dit punt niet nader onderbouwd.

4.8.

Gelet op het voorgaande is belanghebbende niet de exploitant van de minicamping en/of de vakantiewoningen. Anders dan de Heffingsambtenaar verdedigt is de situatie van belanghebbende niet gelijk aan die in het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2016, nr. 15/02492, ECLI:NL:HR:2016:1201. In het onderhavige geval is geen sprake van een samenhangend pakket van diensten die door belanghebbende ten behoeve van haar onderneming zijn verricht, waarbij alle inkomsten van die dienstverlening in haar vermogen vloeien.

Gelet hierop is belanghebbende niet degene die ter zake van de minicamping gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 3, in verbinding met artikel 2, van de Verordeningen, zodat de aanslagen ten onrechte aan haar zijn opgelegd. Zoals dit Hof reeds heeft overwogen in zijn uitspraak over de aan belanghebbende opgelegde aanslag toeristenbelasting voor het jaar 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2017:4851) stond het de Heffingsambtenaar vrij om naar aanleiding van de verhuur van de minicamping aan de [A BV] dan wel [B CV] de aanslag aan de [A BV] dan wel [B CV] op te leggen. Voor het jaar 2015 heeft de Heffingsambtenaar ook een aanslag opgelegd aan [B CV] , die inmiddels onherroepelijk vaststaat (zie 2.6).

4.9.

Gelet op de beantwoording van vraag I, behoeft vraag II geen beantwoording.

III. Heeft de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding van werkelijke proceskosten uitgesproken?

4.10.

Ingevolge artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan een vergoeding van de werkelijke proceskosten worden toegekend indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van het Hof is van bijzondere omstandigheden geen sprake. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering (Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 10/01397, ECLI:NL:HR:2011:BP2995 en Hoge Raad 5 januari 2018, nr. 17/00123, ECLI:NL:HR:2018:4).

Slotsom

4.11.

De slotsom is dat het zowel het hoger beroep als het incidenteel hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.12.

Omdat de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 508.

Ten aanzien van de proceskosten

4.13.

Omdat het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.14.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 (punten) x € 512 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.024.

4.15.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart zowel het hoger beroep als het incidentele hoger beroep ongegrond,

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    bepaalt dat van de Heffingsambtenaar ter zake van het door hem ingestelde hoger beroep door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 508,

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.024.

Aldus gedaan op 19 september 2019 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, M. Harthoorn en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.