Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3470

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-09-2019
Datum publicatie
20-11-2019
Zaaknummer
16/03789
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5143, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschikking aansprakelijkstelling omzetbelasting. Belanghebbende maakt aannemelijk dat de curator bij aangetekend post tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Dit bezwaarschrift moet als verzoek om uitstel van betaling worden aangemerkt. Aan de curator is geen uitspraak op bezwaar bekendgemaakt. De door de Inspecteur bij ‘Kennisgeving Omzetbelasting Vermindering’ verleende vermindering van de naheffingsaanslag is geen uitspraak op bezwaar. De B.V. was niet in gebreke met het betalen van de naheffingsaanslag op het moment van de aansprakelijkstelling. De beschikking aansprakelijkstelling omzetbelasting wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-11-2019
FutD 2019-3053
V-N Vandaag 2019/2684
NTFR 2019/3126 met annotatie van mr. R.B.H. Beune
V-N 2020/2.19 met annotatie van Redactie
V-N 2020/12.22 met annotatie van Redactie
JOR 2020/77 met annotatie van Tekstra, A.J.
JONDR 2020/279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03789

Uitspraak op het hoger beroep van

de ontvanger van de Belastingdienst,

hierna: de Ontvanger,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 18 augustus 2016, nummer BRE 14/7322, in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en

de Ontvanger,

betreffende na te noemen beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende is op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) bij beschikking van 29 april 2014, onder kenmerk [kenmerk] / [belanghebbende] , door de Ontvanger aansprakelijk gesteld (hierna: de beschikking (aansprakelijkstelling)) voor het door [bedrijf] B.V. te [plaats 1] (hierna: de B.V.) onbetaald laten van de naheffingsaanslagen loonheffing over de tijdvakken augustus 2011 en september 2011 en de daarbij voor elke naheffingsaanslag bij beschikking opgelegde boete, de naheffingsaanslagen omzetbelasting over de tijdvakken juli 2011, september 2011 tot en met december 2011 en januari 2012 en de daarbij voor elke naheffingsaanslag bij beschikking opgelegde boete en de naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 (hierna: de naheffingsaanslag) tot een bedrag van € 64.976, de daarbij bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente (hierna: de beschikking heffingsrente) van € 6.256 en de daarbij bij beschikking opgelegde boete (hierna: de boete) van € 3.248. Na daartegen gemaakt bezwaar, bij de Ontvanger binnengekomen op 23 mei 2014, heeft de Ontvanger bij uitspraak van 12 november 2014 de beschikking aansprakelijkstelling gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een bedrag van € 45 aan griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de beschikking aansprakelijkstelling vernietigd en vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van belanghebbende gelast.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Ontvanger hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 januari 2018 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Ontvanger, [ontvanger 1] , [ontvanger 2] en [ontvanger 3] .

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en, door tussenkomst van de griffier, aan de wederpartij, welke pleitnota zonder bezwaar van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Ontvanger heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.7.

Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. In dat verband heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan. De ingebrachte stukken van elke partij zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en de wederpartij heeft daarop zijn zienswijze gegeven.

1.8.

Het onderzoek ter nadere zitting heeft plaatsgehad op 20 juni 2019 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Ontvanger, [ontvanger 1] , [ontvanger 2] , bijgestaan door [inspecteur] , namens de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur).

1.9.

Bij aanvang van de nadere zitting zijn partijen erop gewezen, dat de meervoudige Belastingkamer tijdens het onderzoek ter zitting op 19 januari 2018 was samengesteld uit mr. drs. P. Fortuin, mr. A.J. Kromhout en mr. H.A. Wiggers, en dat de zaak verder wordt behandeld in een gewijzigde samenstelling van de Kamer door mr. drs. P. Fortuin, mr. A.J. Kromhout en mr. J.M. van der Vegt, en dat de zaak wordt voortgezet, gelet op artikel 8:64, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht, in de stand waarin deze zich bevond op 19 januari 2018. Partijen hebben daartegen geen bezwaar geuit.

1.10.

Belanghebbende heeft te dezer nadere zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.11.

Het Hof heeft aan het einde van de nadere zitting het onderzoek gesloten.

1.12.

Van de nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van [A] B.V. te [woonplaats] (hierna: de Holding). De Holding was in de periode van 12 februari 2003 tot 1 december 2010 bestuurder van de B.V.. In de periode van 27 maart 2006 tot 14 mei 2014 was [B] B.V. te [plaats 2] (hierna: [B] ) (eveneens) bestuurder van de B.V.. Tot zijn overlijden op 13 augustus 2011 was [C] (hierna: [C] ) bestuurder van [B] . De Holding en [B] bezaten ieder 50% van de aandelen in de B.V.. De Holding en [B] zijn schriftelijk overeengekomen dat de Holding per 1 december 2010 haar functie als bestuurder van de B.V. neerlegt en de Holding is per 1 december 2010 bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) als bestuurder van de B.V. uitgeschreven. Na 1 december 2010 bleef belanghebbende de B.V. ondersteunen op administratief gebied.

2.2.

De feitelijke werkzaamheden van de B.V. omvatten het detacheren van ICT-personeel, onderhoud van computers en het geven van verkooptrainingen.

2.3.

In het rapport van de jaarrekening 2009 van de B.V. van 21 september 2010 is een omzetbelastingschuld per ultimo 2009 van € 126.893 vermeld. Deze omzetbelastingschuld is opgenomen in de ingediende aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2009 van de B.V.. Uit een bij het jaarrapport 2009 opgemaakte ‘BTW-berekening 2009’, volgt dat over 2009 een bedrag van € 107.505 te weinig omzetbelasting op aangifte is aangegeven en voldaan.

2.4.

Bij schrijven met dagtekening 1 juli 2011 heeft [C] namens [B] voor de B.V. een melding betalingsonmacht gedaan voor de loonheffingen over het tijdvak mei 2011.

2.5.

Bij brief van 23 september 2011 heeft belanghebbende de Belastingdienst geïnformeerd dat door het overlijden van [C] geen betalingen voor de B.V. meer werden verricht en dat op 30 september 2011 een aandeelhoudersvergadering zou plaatsvinden waarbij een zaakwaarnemer zou kunnen worden aangesteld. Bij die vergadering heeft belanghebbende zich bereid verklaard samen met zijn echtgenote tijdelijk de zaken waar te nemen.

2.6.

Bij vonnis van [datum] 2012 is de B.V. in staat van faillissement verklaard en [D] benoemd tot curator (hierna: de curator).

2.7.

Voor de openstaande loon- en omzetbelastingschulden van de B.V. is de Ontvanger op 7 mei 2012 een onderzoek gestart in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 36 IW (hierna: het onderzoek). Bij het onderzoek is vastgesteld dat de over het jaar 2009 ingediende aangiften omzetbelasting afwijken van de financiële administratie.

2.8.

Bij brief van 12 juni 2013 informeert de Inspecteur de B.V., dat tijdens het onderzoek is geconstateerd dat de B.V. over het jaar 2009 de omzetbelasting (gedeeltelijk) niet heeft voldaan, dat dit mede is gebleken uit een niet door de B.V. ingediende suppletie omzetbelasting 2009, alsmede dat het een bedrag van € 107.505 betreft. De Inspecteur deelt verder mee voor dit bedrag een naheffingsaanslag op te leggen.

2.9.

Nadat de curator de Ontvanger op diens verzoek enige stukken heeft verstrekt, heeft de Ontvanger het in 2.8 bedoelde aanslagbiljet van de naheffingsaanslag overgelegd. Hieruit blijkt dat de naheffingsaanslag met dagtekening 26 augustus 2013 ten name van de B.V. is opgelegd en bekendgemaakt aan de curator. De naheffingsaanslag is vastgesteld naar een bedrag van € 107.505 aan omzetbelasting, daarbij is heffingsrente in rekening gebracht van € 10.351 en een boete wegens niet betalen van, 5% van € 107.505, maximum, € 4.537.

Voor de naheffingsaanslag is een betalingstermijn tot 9 september 2013 verleend.

2.10.

Bij aangetekend aan het postadres van de Inspecteur verzonden brief van 20 september 2013 (hierna: de brief van 20 september 2013) heeft de curator, op verzoek van belanghebbende, tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt en daarbij aangevoerd dat de naheffingsaanslag niet juist is en de grondslag voor deze aanslag onbekend is.

Tot de gedingstukken behoren het bezwaarschrift, waarop is vermeld ‘aantekenen’, alsmede een barcodenummer betreffende de aangetekende verzending, en een overzicht, afgedrukt op 1 oktober 2013, uit het zogenoemde barcodeboek van PostNL, waarin is vastgelegd dat een op 20 september 2013 met datzelfde barcodenummer geactiveerd poststuk, gericht aan bedoeld postadres van de Inspecteur, de status ‘afgeleverd’ heeft.

2.11.

Betreffende de naheffingsaanslag is bij kennisgeving van 19 september 2013 een aanmaning met berekening van kosten van € 15 aan de curator gezonden. Op 18 oktober 2013 is ten name van de B.V., op het adres van de curator, een dwangbevel met berekening van kosten van € 8.192 betreffende de naheffingsaanslag betekend.

2.12.

Het van het onderzoek opgestelde concept-rapport van 15 oktober 2013 is aan zowel belanghebbende als de curator gezonden. Daarbij is belanghebbende de gelegenheid geboden op dit concept-rapport te reageren, waarvan hij onder meer bij brieven van 27 november 2013 en 12 februari 2014 en een bespreking op 27 januari 2014 gebruik heeft gemaakt. Naar aanleiding van zijn reactie op het concept-rapport en de daarbij verstrekte informatie is de naheffingsaanslag verminderd bij de hierna onder 2.13 vermelde vermindering en het concept-rapport aangepast. Die aanpassingen zijn verwerkt in het rapport van het onderzoek van 29 april 2014 (hierna: het rapport). Het rapport is belanghebbende bij de beschikking aansprakelijkstelling toegezonden.

2.13.

In hoger beroep heeft de Ontvanger overgelegd het, op zijn verzoek aan de curator door de curator verstrekte, voorblad van de Kennisgeving Omzetbelasting Vermindering van 28 maart 2014, waarbij aan de B.V. een vermindering van de naheffingsaanslag is verleend tot € 64.976 aan omzetbelasting, € 6.256 aan heffingsrente en € 3.248 aan boete. Daarbij is meegedeeld, dat het bedrag van de naheffingsaanslag te hoog blijkt te zijn en opnieuw wordt vastgesteld.

2.14.

Bij de KvK is op 8 juli 2015 geregistreerd dat de B.V. is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 7 juli 2015.

2.15.

Bij brief van 6 oktober 2016 heeft de curator belanghebbende bericht dat hij op het ingediende bezwaarschrift ‘geen enkele reactie van de Belastingdienst’ heeft gekregen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In hoger beroep is niet langer in geschil dat de naheffingsaanslag rechtsgeldig aan de B.V. is bekendgemaakt en evenmin dat belanghebbende tot 1 december 2010 bestuurder van de B.V. is geweest. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I Was de B.V. in gebreke met de betaling van de naheffingsaanslag en de beide daarbij gegeven beschikkingen van een bedrag van € 74.480 voordat belanghebbende bij de beschikking aansprakelijkstelling van 29 april 2014 hiervoor aansprakelijk is gesteld?

II Zo ja, is belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag aansprakelijk gesteld voor het door de B.V. onbetaald laten van de naheffingsaanslag en de voornoemde beschikkingen?

Belanghebbende is van mening dat beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Ontvanger is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. De Ontvanger betoogt dat de B.V. ten tijde van de aansprakelijkstelling failliet was en daarmee in een toestand verkeerde dat zij heeft opgehouden te betalen en derhalve in gebreke met betalen was.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter beider zittingen is toegevoegd, wordt verwezen naar het van elke zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en vergoeding van immateriële schade en van de werkelijke proceskosten. De Ontvanger concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van het bedrag van de aansprakelijkstelling tot € 74.480.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1.

Belanghebbende stelt dat het door de curator tegen de naheffingsaanslag ingediende bezwaarschrift tevens als een verzoek om uitstel van betaling van het openstaande bedrag van de naheffingsaanslag moet worden aangemerkt en dat gedurende de behandeling van een dergelijk verzoek wordt gehandeld alsof uitstel van betaling is verleend. Belanghebbende merkt op dat uit de brief van 6 oktober 2016 van de curator (zie 2.15) volgt, dat de Inspecteur het bezwaar op dat moment nog niet had afgehandeld en daaruit leidt hij af dat de B.V. op 29 april 2014 nog niet in gebreke was met de betaling van de naheffingsaanslag en dat hij ten onrechte aansprakelijk is gesteld.

4.2.

De Ontvanger voert aan dat voor zover hij is kunnen nagaan de Belastingdienst het bezwaarschrift niet heeft ontvangen en wijst erop dat bij ontvangst van het bezwaarschrift geen dwangbevel in oktober 2013 zou zijn verstuurd. De Ontvanger voegt hieraan toe dat belanghebbende onvoldoende gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van de verzending van het bezwaarschrift. Voorts stelt de Ontvanger zich op het standpunt dat de op 28 maart 2014 verleende vermindering van de naheffingsaanslag kan worden aangemerkt als uitspraak op bezwaar en dat daarmee een uitstel van betaling is komen te vervallen en de B.V. op het moment van de aansprakelijkstelling in gebreke met betalen was.

4.3.

In artikel 49, lid 1, IW is, onder meer, bepaald dat aansprakelijkstelling niet plaatsvindt vóór het tijdstip waarop de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld. Ingevolge artikel 25.2.2 van de Leidraad Invordering 2008 (tekst 2013, hierna: de Leidraad) wordt een gemotiveerd bezwaarschrift aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling. In artikel 25.1.1 van de Leidraad is geregeld dat gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling de ontvanger handelt overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek is toegewezen. Volgens artikel 25.2.3 van de Leidraad wijst de ontvanger in het algemeen een verzoek om uitstel van betaling in verband met een bezwaarschrift toe als, kort gezegd, aan het bepaalde in artikel 25.2.2 is voldaan.

4.4.

Nu belanghebbende stelt dat de B.V. niet in gebreke was op het moment van de aansprakelijkstelling, omdat de Ontvanger (had moeten handelen alsof hij) uitstel van betaling voor de naheffingsaanslag had verleend in verband met het daartegen ingediende bezwaarschrift en de Ontvanger de ontvangst van een bezwaarschrift betwist, dient belanghebbende aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift naar het (juiste) adres van de Belastingdienst is verzonden. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen, dat sprake is van aangetekende verzending van het bezwaarschrift.

4.5.

Het Hof acht in dit verband van belang, dat bij aangetekend verzonden post, waarvan de ontvangst door de Belastingdienst wordt ontkend, onderzocht dient te worden of het poststuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de Belastingdienst is aangeboden (vgl. HR 10 juli 2015, nr. 15/00289, ECLI:NL:HR:2015:1775). Ter onderbouwing van zijn stelling dat een gemotiveerd bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ingediend, wijst belanghebbende erop dat het bezwaarschrift per aangetekende post is verzonden en dat volgens gegevens van PostNL het betreffende poststuk bij de Belastingdienst is afgeleverd. Het Hof stelt vast dat op de juist geadresseerde brief van 20 september 2013, waarin bezwaar is gemaakt, is vermeld ‘aantekenen’, dat daarop een barcodenummer betrekking hebbend op de aangetekende verzending is aangebracht, dat op het overzicht uit het barcodeboek van PostNL de juiste adresgegevens van de Belastingdienst zijn vermeld met daarbij datzelfde barcodenummer, en de activeringsdatum 20 september 2013 is geregistreerd en dat (op het op 1 oktober 2013 afgedrukte overzicht) als status daarvan ‘afgeleverd’ is vermeld. Uit deze feiten en omstandigheden leidt het Hof af dat het bezwaarschrift op regelmatige wijze aan het adres van de Belastingdienst is aangeboden en aldaar voor ontvangst is afgeleverd.

4.6.

De Ontvanger betwist de ontvangst van het bezwaarschrift en voert daarbij aan dat voor zover hij is kunnen nagaan de Belastingdienst het bezwaarschrift niet heeft ontvangen. De Ontvanger heeft in dat verband (in zijn brief van 8 maart 2018) beschreven dat aangetekende post gericht aan het op de brief van 20 september 2013 vermelde (juiste) postbusadres door PostNL werd afgeleverd bij de receptie van het (inmiddels gesloten) belastingkantoor te [plaats 3] en dat door een collega van de facilitaire dienst voor ontvangst werd getekend. De Ontvanger merkt op dat de handtekening voor ontvangst van de brief van 20 september 2013 ontbreekt bij de door belanghebbende overgelegde gegevens en daaruit leidt hij af dat niet vaststaat dat de Belastingdienst het bezwaarschrift heeft ontvangen. Het Hof verwerpt het betoog van de Ontvanger. Het Hof is van oordeel dat tegenover de door belanghebbende gestelde en onderbouwde feiten en omstandigheden omtrent de verzending en aflevering van de brief van 20 september 2013, de Ontvanger een beschrijving heeft gegeven van de (destijds) kennelijk gebruikelijke werkwijze bij het in ontvangst nemen van aangetekende stukken, maar daarmee heeft de Ontvanger geen feiten aannemelijk gemaakt op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat de brief van 20 september 2013 door de Belastingdienst (op het belastingkantoor van [plaats 3] ) in ontvangst is genomen.

4.7.

De Ontvanger heeft er verder op gewezen dat de curator de aanmaning van 19 september 2013 en het dwangbevel van 18 oktober 2013 voor de naheffingsaanslag heeft ontvangen. Er is derhalve geen uitstel van betaling voor de naheffingsaanslag verleend, waaruit volgens de Ontvanger blijkt dat het bezwaarschrift niet door de Inspecteur is ontvangen. Het Hof wijst dit betoog af. Gelet op de dagtekening van de aanmaning (19 september 2013) en van het bezwaarschrift (20 september 2013) hebben deze stukken elkaar gekruist en daarmee is geen sprake van een aanwijzing dat het bezwaarschrift niet bij de Inspecteur is binnengekomen. Voorts blijkt uit het door de Ontvanger uitgevaardigde dwangbevel niet zondermeer dat de Inspecteur geen bezwaarschrift zou hebben ontvangen. Daaraan kan bijvoorbeeld ten grondslag liggen dat de Inspecteur de ontvangst van het bezwaarschrift (nog) niet heeft doorgegeven aan de Ontvanger of dat de ontvangst daarvan (nog) niet in het (juiste) computersysteem van de Belastingdienst is verwerkt. Voor zover de Ontvanger heeft bedoeld te stellen, dat het aan de curator toezenden van het dwangbevel (en daarmee aangeven dat geen uitstel van betaling voor de naheffingsaanslag is verleend) voor de curator aanleiding moest zijn om te begrijpen dat het bezwaarschrift niet door de Inspecteur was ontvangen en navraag te doen, wijst het Hof die stelling eveneens af. Gezien zijn wettelijke taak (artikel 68, lid 1, Faillissementswet) is de curator belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel en daarmee dient de curator zijn werkzaamheden te richten op de behartiging van de belangen van de failliete boedel en de schuldeisers. Dat de curator hierbij geen navraag doet bij een schuldeiser in verband met diens invorderingsmaatregel is niet onbegrijpelijk en betekent op zichzelf niet dat de curator heeft begrepen of moeten begrijpen dat het bezwaarschrift niet was ontvangen.

4.8.

De Ontvanger betoogt verder dat de Inspecteur de naheffingsaanslag op 28 maart 2014 heeft verminderd, en dat de curator die verminderingsbeschikking heeft ontvangen, en dat daarmee door de Inspecteur uitspraak op bezwaar is gedaan. Hieruit volgt dat het uitstel van betaling op 28 maart 2014 is vervallen. Nu vaststaat dat betaling is uitgebleven, was de B.V. in gebreke op het moment dat belanghebbende op 29 april 2014 aansprakelijk is gesteld.

4.9.

Belanghebbende stelt dat voornoemd betoog van de Ontvanger buiten beschouwing gelaten dient te worden omdat deze te laat in het geding is gebracht. Het Hof verwerpt belanghebbendes stelling omdat het betoog van de Ontvanger een nadere onderbouwing geeft van zijn reeds in het hoger beroepschrift ingenomen standpunt dat de B.V. reeds in gebreke was voordat de beschikking aansprakelijkstelling aan belanghebbende is afgegeven. Ook heeft belanghebbende de gelegenheid gekregen en genomen om op het betoog van de Ontvanger te reageren.

Belanghebbende bevestigt dat de curator de kennisgeving vermindering van 28 maart 2014 heeft ontvangen. Belanghebbende stelt dat de curator hem bij brief van 6 oktober 2016 heeft geïnformeerd dat geen uitspraak op bezwaar is gedaan. Hieraan verbindt belanghebbende de conclusie dat de B.V. nog (steeds) niet in gebreke is en hij voortijdig aansprakelijk is gesteld.

4.10.

Het Hof verwerpt het onder 4.8 vermelde betoog van de Ontvanger. Naar het oordeel van het Hof is de verminderingsbeschikking van 28 maart 2014 naar vorm, noch naar inhoud als uitspraak op bezwaar aan te merken. Hierbij acht het Hof van belang dat het (alleen) tot de stukken behorende voorblad van dit geschrift het opschrift ‘Kennisgeving Omzetbelasting Vermindering’ bevat, niet is aangeduid als ‘uitspraak op bezwaar’ en een rechtsmiddelverwijzing ontbreekt. Bovendien is in de tekst van de kennisgeving niet vermeld dat deze vermindering de beslissing van de Inspecteur op een door (de curator namens) de B.V. ingediend bezwaar behelst; evenmin wordt anderszins aan een bezwaarschrift gerefereerd. Daar komt bij dat de Ontvanger (in zijn brief van 7 juni 2018) heeft beschreven dat de naheffingsaanslag is verminderd naar aanleiding van de (schriftelijke en mondelinge) reacties van belanghebbende op het concept-rapport en de daarbij door belanghebbende overgelegde stukken. Verder is de kennisgeving slechts voorzien van een cijfermatige uitwerking van de beslissing tot vermindering van de naheffingsaanslag (en de beide daarbij gegeven beschikkingen), zonder motivering (zie 2.13). Voorts heeft de curator de kennisgeving evenmin als uitspraak op bezwaar aangemerkt en gezien het vorenstaande heeft de curator de kennisgeving redelijkerwijs niet hoeven of kunnen opvatten als de uitspraak op bezwaar.

4.11.

Het vorenoverwogene leidt het Hof tot het oordeel dat de B.V. niet in gebreke was met het betalen van de naheffingsaanslag op het moment van de aansprakelijkstelling. Daaruit volgt dat belanghebbende bij de beschikking van 29 april 2014 voortijdig aansprakelijk is gesteld.

4.12.

Voor het antwoord op vraag I is het gelijk aan de zijde van belanghebbende.

Vraag II

4.13.

Gezien de ontkennende beantwoording van vraag I komt het Hof aan behandeling van vraag II niet meer toe.

Slotsom

4.14.

De slotsom is dat het hoger beroep van de Ontvanger ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank, met verbetering van de gronden als hiervoor vermeld, dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.15.

Belanghebbende heeft voor het eerst in hoger beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade die hij heeft geleden wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van deze zaak. Op grond van vaste jurisprudentie geldt dan als redelijke termijn in beginsel een termijn van 4 jaren na de ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.3).

Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

4.16.

Het Hof stelt vast dat de totale termijn, die was gemoeid met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep vijf jaren en bijna vier maanden bedraagt. Die termijn is aangevangen bij de ontvangst van het bezwaarschrift op 23 mei 2014 en geëindigd met de uitspraak van het Hof op 19 september 2019. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase en hoger beroepsfase van tezamen vier jaren is derhalve met 1 jaar en bijna 4 maanden overschreden. Voorts stelt het Hof vast dat de termijn voor de behandeling van het bezwaar, aangevangen op 23 mei 2014 en geëindigd met de uitspraak van de Ontvanger op 12 november 2014, 5 maanden en 19 dagen geduurd. De redelijke termijn voor de bezwaarfase van zes maanden is dus niet overschreden, zodat de termijnoverschrijding van 1 jaar en bijna 4 maanden geheel aan de behandeling bij de Rechtbank en het Hof moeten worden toegerekend.

4.17.

Het Hof heeft in de onderhavige zaken zelf geen aanknopingspunten gevonden dat met betrekking tot de lange behandelduur van de onderhavige zaak sprake is van bijzondere omstandigheden, die tot een beperking van de aan belanghebbende toe te kennen vergoeding van immateriële schade aanleiding geven.

4.18.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.15 tot en met 4.17 is het Hof van oordeel dat de totale overschrijding van (afgerond) 1,5 jaar grond vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van 3 x € 500 per half jaar is € 1.500, waartoe de Minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister) wordt veroordeeld.

Ten aanzien van het griffierecht

4.19.

Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Ontvanger ingestelde hoger beroep van hem een griffierecht geheven van € 503.

Ten aanzien van de proceskosten

4.20.

Gelet op de omstandigheid dat het door de Ontvanger ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Ontvanger te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met het voeren van verweer betreffende het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.21.

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de werkelijke proceskosten. Ingevolge artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan een integrale proceskostenvergoeding worden toegekend indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van het Hof is van bijzondere omstandigheden geen sprake. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering (HR 4 februari 2011, nr. 10/01397, ECLI:NL:HR:2011:BP2995, HR 30 augustus 1996, nr. 30.881, ECLI:NL:HR:1996:AA2060 en HR 5 januari 2018, nr. 17/00123, ECLI:NL:HR:2018:4).

4.22.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in de proceskosten van belanghebbende, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, vast op 3,5 (punten wegens proceshandelingen) x € 512 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.792.

4.23.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    veroordeelt de Minister tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de behandeling van het beroep en het hoger beroep toerekenbare immateriële schade bepaald op € 1.500;

  • -

    veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.792; en

  • -

    bepaalt dat van de Ontvanger ter zake van het door hem ingestelde hoger beroep door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 503.

Aldus gedaan op 19 september 2019 door P. Fortuin, voorzitter, A.J. Kromhout en J.M. van der Vegt, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.