Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3462

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
200.260.633_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bekrachtiging beslissing rechtbank omgang tussen moeder en dochters te beperken gelet op kindeigen problematiek en heftige reacties van kinderen na omgang in het pleeggezin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 19 september 2019

Zaaknummer: 200.260.633/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/261344 / JE RK 19-527 en C/03/261345 / JE RK-528

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P. Winkens,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[pleegmoeder] ,

hierna te noemen: de pleegmoeder,

en

[pleegvader] ,

hierna te noemen: de pleegvader,

gezamenlijk ook te noemen: de pleegouders,

wonenden te [woonplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 april 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 6 juni 2019, met producties, ingekomen bij het hof op 7 juni 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot wijziging c.q. vaststelling van de regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift van 5 juli 2019, met producties, ingekomen bij het hof op 9 juli 2019, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- het V6-formulier van 17 juli 2019, met productie, van de advocaat van de moeder, ingekomen bij het hof op 17 juli 2019;

- de (fax-)brief van de GI van 9 augustus 2019, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    namens de GI: [vertegenwoordiger van de GI] ;

  • -

    de pleegmoeder.

2.4.1.

Aan mevrouw [pleegzorgwerkster] , pleegzorgwerkster van Pleegzorg [pleegzorg] , is als informante bijzondere toegang tot de mondelinge behandeling verleend.

2.4.2.

De raad heeft bij brief van 22 juli 2019 aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de moeder en de heer [de vader] (hierna ook te noemen: de vader) zijn geboren:

- [minderjarige 1] , op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );

- [minderjarige 2] , op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] (hierna te noemen:

[minderjarige 2] ).

3.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn met ingang van 9 september 2010 onafgebroken onder toezicht gesteld van de GI.

3.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van

3 april 2014 uit huis geplaatst. Zij verblijven sinds april 2016 in het huidige pleeggezin.

3.4.

Bij beschikking van 29 november 2016 is het gezag van de moeder en de vader over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en is de GI tot voogdes benoemd.

3.5.

Bij de bestreden beschikking van 12 april 2019 heeft de rechtbank de omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gewijzigd en als volgt vastgesteld:

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben 1 x per 6 weken begeleid contact met de moeder gedurende twee aaneengesloten uren;

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben 1 x per maand, te weten de tweede dinsdag van de maand, belcontact met de moeder.

Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.6.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.1.

De moeder voert hiertoe het volgende aan.

Er is geen reden om de omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beperken. Volgens de moeder is niet aangetoond dat er een verband is tussen de omgang en het beweerdelijke heftige gedrag van de kinderen na de omgang. De moeder wil dat onderzocht wordt waar het gedrag van de kinderen vandaan komt en of er mogelijk een verschil zit in de reactie van de kinderen na omgang met de moeder of de vader. Het beperken van de omgang is voor de moeder verder onbegrijpelijk omdat tijdens het RTO op 17 januari 2019 nog geadviseerd is de omgang niet te wijzigen omdat dit onrust voor de kinderen met zich mee zou brengen. Daarnaast zijn de rapportages van de begeleide omgang positief.

De moeder wil graag dat de kinderen gehoord worden.

3.7.

De GI voert het volgende aan.

Het gedrag van de kinderen na de omgang wordt veroorzaakt door een verstoorde hechtingsrelatie tussen de moeder en de kinderen. Vanwege die hechtingsproblematiek zijn de kinderen onvoldoende in staat hun gedrag na de omgang te reguleren. De conclusie op basis van de CHOP-methodiek is dat de omgang eens per zes weken gedurende 1,5 uur zou moeten plaatsvinden. De GI legt zich echter neer bij de door de rechtbank vastgestelde duur van de omgang van 2 uur. Verdere uitbreiding is niet in het belang van de kinderen, omdat dit de pleegzorgplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in gevaar brengt. De kinderen kunnen immers onvoldoende tot rust komen en de pleegouders worden overvraagd door de langer aanhoudende gedragsveranderingen van de kinderen.

De GI acht het, mede gelet op de leeftijd van de kinderen, niet in hun belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belast worden met een kindgesprek bij het hof.

3.8.

De pleegmoeder heeft ter zitting het volgende aangevoerd.

Voordat de omgang in duur werd terug gebracht liepen de spanningen in het gezin hoog op. Dit had ook gevolgen voor de andere kinderen die in het pleeggezin opgroeien. Het terugbrengen van de omgang heeft meer rust gebracht in het gezin. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] reageren rustiger op een omgangsmoment met de vader dan op een omgangsmoment met de moeder. De uren van de vader zijn uitgebreid naar 1 x in de 6 weken gedurende vier uren.

3.9.

Mevrouw [pleegzorgwerkster] , de pleegzorgbegeleidster, heeft, in haar hoedanigheid van informante, ter zitting het volgende aangevoerd.

Er is gezamenlijk gewerkt naar verbetering in het gedrag dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vertoonden na de omgang. Toen dat niet lukte is de GI geïnformeerd, hetgeen geresulteerd heeft in deze procedure. Dit was noodzakelijk om de kinderen te kunnen laten blijven in dit perspectief biedende pleeggezin.

3.10.

Het hof overweegt als volgt.

3.10.1.

Op grond van artikel 1:377a BW lid 2 kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen dan wel ontzeggen. Ook een GI die belast is met de voogdij over het kind kan de rechter

verzoeken een omgangsregeling vast te stellen, te wijzigen of het recht op omgang aan een ouder te ontzeggen.

3.10.2.

Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De kinderrechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

3.10.3.

In de onderhavige zaak dient, mede in het licht van de aan artikel 1:377e BW ten grondslag liggende systematiek, te worden vooropgesteld dat niet is gegriefd tegen de door de rechtbank vastgestelde wijziging van omstandigheden. Wel dient, gezien de door de moeder tegen de bestreden beschikking geformuleerde grieven, in hoger beroep opnieuw te worden beoordeeld, of de wijziging van de omgangsregeling in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dienaangaande overweegt het hof volgt.

3.10.4.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben veel meegemaakt in de periode voorafgaand aan de uithuisplaatsing en zij zijn kwetsbaar vanwege hun kindeigen problematiek. Zo kampen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met hechtingsproblematiek en een loyaliteitsconflict. Het hof heeft ter zitting geconstateerd dat de moeder niet onvoorwaardelijk en intrinsiek achter de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het pleeggezin staat, maar haar toestemming voor de plaatsing laat afhangen van wat de beide, onlangs pas 11 jaar geworden, kinderen daarvan zelf vinden. Veelzeggend is in dit verband de opmerking van de moeder dat zij zich neerlegt bij wat de beide kinderen zeggen. Dat duidt naar het oordeel van het hof niet op een daadwerkelijke goedkeuring van de moeder zelf met de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het pleeggezin daargelaten nog, dat zeker voor kinderen met onder meer hechtingsproblematiek, het belastend kan zijn om aan hen de keuze over te laten waar zij wensen te verblijven.

Het ontbreken van daadwerkelijke goedkeuring, in combinatie met de problematiek van de kinderen, heeft na omgang met de moeder tot heftige reacties van de kinderen in het pleeggezin geleid. De verhoudingen binnen het pleeggezin zijn hierdoor zwaar onder druk komen te staan en de pleegzorg-plaatsing kwam zelfs in gevaar. Daar komt bij dat de moeder de strijd blijft voeren over bijvoorbeeld de bestemming van de zomervakantie van de kinderen. Dit zet de onderlinge verhoudingen nog verder op scherp.

3.10.5.

Gezien de stukken en gehoord de mondelinge toelichting is het cruciale verschil in de positie van de moeder en de vader gelegen in het feit dat de vader de plaatsing van de kinderen in het pleeggezin wél zelf goedkeurt, ook omdat hij altijd heeft gezegd niet voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te kunnen zorgen. Dit laatste wordt door de moeder overigens zelf ook gesteld. Hierdoor biedt de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rust en duidelijkheid en kan hij ook tot een breder contact met de kinderen komen. De omgang tussen de vader en de kinderen is ten gevolge hiervan recentelijk uitgebreid naar 1x in de 6 weken gedurende vier uren en dit

verloopt volgens de pleegmoeder goed.

Ter zitting is het hof ook gebleken dat het terugbrengen van de frequentie van de omgang met de moeder ertoe heeft geleid dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sneller tot rust komen in het pleeggezin. Deze regeling heeft dus kennelijk een positief effect op het gedrag van de kinderen en zij kunnen, als gevolg van de beperking van de omgang met de moeder, ook minder worden belast.

Dit alles maakt dat het hof de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde gewijzigde omgangsregeling in het belang van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] acht.

3.11.

Het voorgaande, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, leidt er dan ook toe dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

Overigens is het hof, gelet op hun beider leeftijd en hetgeen met betrekking tot de minderjarigen naar voren is gebracht door de GI, pleegzorg en de pleegmoeder, niet ingegaan op het verzoek van de moeder, om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit te nodigen voor een zogeheten kindgesprek.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht,

van 12 april 2019.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, C.D.M. Lamers en

C.A.R.M. van Leuven en is op 19 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.