Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:346

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
20-000039-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

openlijke geweldpleging; AG vordert vrijspraak wegens het ontbreken van opzet op het plegen van geweld; verdediging vraagt vrijspraak en wijst op ontlastende verklaringen; hof komt tot bewezenverklaring; vordering benadeelde partij; hof matigt de vergoeding in verband met het eigen handelen van het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-000039-18

Uitspraak: 29 januari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 december 2017 in de strafzaak met het parketnummer 02-068448-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982 ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis heeft de politierechter de verdachte ter zake van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter beslist tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .

Van de zijde van de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd en de raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit

dat het vonnis van de politierechter zal worden vernietigd en dat het hof, opnieuw rechtdoende, de verdachte van het ten laste gelegde zal vrijspreken en de benadeelde partij [slachtoffer] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk zal verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Voormeld vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

dat hij in de nacht van 16 op 17 december 2016 te [plaats] openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [naam weg] , in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit

  • -

    het meermalen, althans eenmaal, slaan/stompen in/tegen het gezicht en/of lichaam van die [slachtoffer] en/of

  • -

    het meermalen, althans eenmaal, schoppen/trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of

  • -

    het vastpakken en/of het naar de grond trekken van die [slachtoffer] en/of

  • -

    het duwen van en/of trekken aan (het lichaam van) die [slachtoffer] .

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijs

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat deze geen opzet heeft gehad op het plegen van geweld, doch slechts [slachtoffer] tot bedaren wilde brengen. Een en ander wordt volgens de advocaat-generaal bevestigd door de getuigen die bij de raadsheer-commissaris zijn gehoord. Het vastpakken kan niet gezien worden als een significante bijdrage aan het geweld.

De verdediging heeft aangevoerd dat er veel ontlastende verklaringen zijn waaruit blijkt dat verdachte [slachtoffer] alleen heeft vastgepakt en zich toen heeft gedistantieerd. Derhalve dient verdachte te worden vrijgesproken.


Het hof overweegt als volgt.

Aangever [slachtoffer] heeft tegenover de politie verklaard (pag. 31-32) dat hij naar een galafeest op school was geweest en dat hij, toen hij met een vriend ( [vriend slachtoffer] ) en twee vriendinnen [vriendin 1 slachtoffer] en [vriendin 2 slachtoffer] ) thuiskwam, op straat een conflict kreeg met twee mannen die hoorden bij een feest van de overburen1. Er zijn toen over en weer klappen gevallen. [slachtoffer] en zijn vrienden zijn vervolgens naar binnen gegaan. Rond 00:15 uur wilde [slachtoffer] met zijn vrienden naar de stad gaan. [slachtoffer] zag toen bij de overburen een groep personen buiten op straat en hij hoorde dat er werd geroepen: ‘Je hebt mijn maat geslagen in je apenpakje’. Hij heeft toen teruggeroepen dat ze hun bek moesten houden. Toen [slachtoffer] wegfietste werd hij omsingeld en vastgepakt door 2 of 3 gasten. Daarna werd hij op zijn rechteroog geslagen door een grote man. Hij hoorde dat die man riep: ‘Je hebt mijn maat geslagen’. [slachtoffer] hoorde later van zijn moeder dat het de overbuurman was. Door de klap viel [slachtoffer] op de grond. Daarna kreeg hij schoppen en klappen tegen zijn hoofd. [slachtoffer] heeft één man gezien, met zwart kort haar en korte baard, die naar hem uithaalde, maar hij weet niet waar hij hem raakte, want hij kreeg meerdere klappen tegelijk. De man was gast op het feestje van de overburen.

De buurvrouw van [slachtoffer] (van huisnummer [huisnummer A] ) kwam naar buiten en riep van alles over dronken jongens in haar straat. Daarna ging zij terug naar binnen en sloeg de deur achter zich dicht. Daardoor brak de ruit en stopte iedereen. [slachtoffer] had een bloedneus en zijn rechteroogkas was gezwollen.

Getuige [vriend slachtoffer] heeft tegenover de politie verklaard (pag. 13-15) dat, na een eerder incident die avond in de straat, hij en [vriendin 2 slachtoffer] , [vriendin 1 slachtoffer] en [slachtoffer] naar de stad wilden gaan en naar buiten gingen. Buiten bij de overburen, waar een bruiloftsfeest aan de gang was, stond een groep op straat. Terwijl [slachtoffer] op zijn fiets stapte werd er vanuit de groep geroepen: ‘Je hebt mijn maten geslagen in je apenpak’ en vervolgens kwam er een man of 9 tot 10 uit de groep op hen af gerend. De groep wees naar [slachtoffer] en ging op hem af. [slachtoffer] werd van zijn fiets getrokken door een jongen met een baardje, die [vriend slachtoffer] later op facebook herkende als [bruiloftsgast 1 verdachte] . Daarop werd [slachtoffer] vastgepakt door twee mannen. [bruiloftsgast 1 verdachte] was er bij, evenals een grote man met een groene ruitjes blouse, die hij, [vriend slachtoffer] , later op facebook heeft herkend als [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). Op het moment dat [slachtoffer] werd vastgepakt zag hij dat [slachtoffer] meerdere malen werd geslagen met een vuist op zijn gezicht. Door de klappen belandde [slachtoffer] achterover in de tuin van de buurvrouw. De ruit van de buurvrouw barstte. [vriend slachtoffer] zag dat [slachtoffer] in een hoekje tegen de voorgevel van de buren van nummer [huisnummer A] lag en dat toen meerdere mensen naar het hoofd van [slachtoffer] schopten en sloegen. Toen de buurvrouw de voordeur opende en de deur weer dichtsmeet brak het glas en rende iedereen weg.

Getuige [vriend slachtoffer] weet van twee mensen 100% zeker dat ze op [slachtoffer] hoofd hebben geslagen en geschopt, dit zijn [verdachte] en [bruiloftsgast 1 verdachte] en nog twee mannen, echter die heeft hij niet herkend op facebook. Getuige [vriend slachtoffer] had niet gedronken die avond.

Getuige [vriendin 2 slachtoffer] heeft tegenover de politie verklaard (pag. 23-24) dat ze naar buiten ging met [vriend slachtoffer] , [slachtoffer] , [vriendin 1 slachtoffer] en de moeder van [slachtoffer] . Ze zag een grote groep voor het huis (het hof begrijpt: van de overburen) staan. Ze hoorde [slachtoffer] schelden tegen de groep en zag dat hij zijn fiets pakte. Ze zag dat hij wegfietste en dat vanuit de groep een paar mannen kwamen aanlopen, gevolgd door de rest. Ze zag dat [slachtoffer] van zijn fiets werd getrokken. Ze stond op 10 meter van [slachtoffer] vandaan. Het was bij de voordeur van de buurvrouw. Drie mannen stonden direct bij [slachtoffer] . Ze zag dat [slachtoffer] meerdere malen werd getrapt.

Getuige [vriendin 1 slachtoffer] heeft tegenover de politie verklaard (pag. 25-26) dat ze de woning verlieten om naar de stad te gaan. Buiten zag ze een flinke groep voor huisnummer [huisnummer B] staan en ze hoorde schelden vanuit de groep. Ze hoorde [slachtoffer] terugschelden. Ze zag op dat moment 5 à 6 personen achter [slachtoffer] aan komen die hem van zijn fiets trokken. Zij viel zelf ook van haar fiets. [slachtoffer] lag op de grond en verschillende mannen sloegen in op [slachtoffer] . Ze zag dat [slachtoffer] zijn hoofd beschermde. Ze heeft ook gezien dat [slachtoffer] hard tegen de deur van de buurvrouw werd gegooid en dat hierdoor een barst in de ruit kwam. Ze zag dat [slachtoffer] een bloedneus had.

Getuige [moeder slachtoffer] (hof: moeder van aangever [slachtoffer]) heeft tegenover de politie verklaard (pag. 55-57) dat de vechtpartij uit twee delen bestond. Haar zoon en vrienden kwamen van het kerstgala van het VWO. Buiten is toen een conflict ontstaan tussen haar zoon en twee mannen.

Toen iedereen binnen was, was alles weer rustig en wilden de kinderen vervolgens naar de stad gaan. Op straat stonden mensen van het feest bij de overburen. De kinderen fietsten weg en iemand riep: ‘Daar gaat die lafaard met z’n apenpakkie’, waarna de hele meute achter de fietsende kinderen aanging. Haar zoon kwam via de voortuin tegen de voordeur van de buurvrouw van nummer [huisnummer A] terecht.

De getuige [moeder slachtoffer] heeft geprobeerd een grote man tegen te houden. Hij maakte aanstalten haar zoon iets aan te doen. Ze is voor die man gaan staan en heeft geprobeerd hem terug te duwen tegen zijn borstkas. Ze voelde dat hij een heel zacht ruitjeshemd aan had. Het lukte niet de man tegen te houden en ze is gevallen.

De medeverdachte [bruiloftsgast 2 verdachte] heeft tegenover de politie verklaard (pag. 40-41) dat hij te gast was op het bruiloftsfeest van een maat van hem, [verdachte] (hof: verdachte), dat hij op een gegeven moment met zijn broer [bruiloftsgast 3 verdachte] buiten stond en dat er toen een incident heeft plaatsgevonden tussen hen en een groepje mensen op de fietsen, waarbij zijn broer [bruiloftsgast 3 verdachte] een bloedlip had opgelopen en dat hij, toen hij later die avond naar buiten ging, samen was met zijn broer, wat andere gasten, en [verdachte] .

Ook [bruiloftsgast 1 verdachte] is door de politie gehoord (pag. 46-48). Hij verklaarde onder meer dat hij op de bruiloft was bij [bruid] en haar man [verdachte] , dat er op een gegeven moment iemand binnen kwam met een bloedneus en dat [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) hier boos om was geworden. [bruiloftsgast 1 verdachte] heeft [verdachte] toen binnen rustig gehouden om te voorkomen dat [verdachte] naar buiten zou gaan. Op een gegeven moment is [bruiloftsgast 1 verdachte] met een aantal andere gasten naar buiten gegaan om mensen uit te zwaaien die naar huis gingen. Ze zagen toen dat schuin tegenover mensen naar buiten kwamen die aan het schelden waren. Ze kwamen in hun richting gelopen en zij zijn toen naar hun toe gelopen. [bruiloftsgast 1 verdachte] liep met [bruid] , [verdachte] en twee onbekenden van het feest naar die personen, het waren jonge gasten. Hij heeft wel zijn mond open getrokken. Ze stonden als het ware als rugbyers tegenover elkaar.

De verdachte heeft tegenover de politie verklaard (pag. 43-44) dat hij zag dat de overbuurjongen (het hof begrijpt: [slachtoffer]) naar buiten kwam, dat die jongen naar hem toe kwam lopen en dat hij ook in zijn richting liep. Met de verdachte liepen nog wat vrienden mee. Ze troffen elkaar midden op straat. Hij heeft toen de overbuurjongen beet gepakt met beide handen aan zijn jas, in ieder geval bij zijn schouders. Op een of andere manier viel hij samen met hem naar de grond.

Bij de raadsheer-commissaris zijn op 3 september 2018 op verzoek van de verdediging getuigen gehoord die aanwezig waren op het bruiloftsfeest.

[bruiloftsgast 4 verdachte] heeft verklaard dat zij zag dat [verdachte] de jongen bij zijn schouders vast had, om hem te kalmeren.

[bruiloftsgast 5 verdachte] heeft verklaard dat zij zag dat [verdachte] een beetje aan het duwen en trekken was. Hij had iemand een beetje in de houdgreep, zo van: nu is het klaar.

[bruiloftsgast 6 verdachte] heeft verklaard dat [verdachte] en de jongen naar elkaar toe liepen en tegen over elkaar stonden. Ze pakten elkaar beet en vielen om.

[bruiloftsgast 7 verdachte] heeft verklaard dat er woordenwisselingen waren. Ze ging naar buiten omdat iedereen buiten aan het vechten was. Ze zag [verdachte] een jongen beetpakken. Er waren tien mensen met elkaar aan het vechten.

[bruiloftsgast 8 verdachte] heeft verklaard dat personen uit een huis naar buiten kwamen. Er werd heen en weer geschreeuwd. Gescholden. Beide groepen gingen naar elkaar toe. [verdachte] heeft geroepen. [verdachte] , die vooraan liep, liet een woordenwisseling tot stand komen. [verdachte] en een van de jongens pakten elkaar beet. Van achter [verdachte] uit, kwam er een jongen en die begon de aanval. Dat was een van de bruiloftsgasten. Hij sprong er schuin in van achter [verdachte] af. Hij deelde de eerste slag uit. [verdachte] en die andere jongen hielden elkaar beet en gingen naar de grond toe. Zo begon het gevecht. De getuige zag verschillende personen, gasten van het huwelijk, maar ook van de tegenpartij, vechten, dat wil zeggen duwen, schoppen en dergelijke. Hij heeft een ruit horen vallen. Daar was alles mee gedaan. Hij heeft [verdachte] iemand zien beetpakken bij de bovenarm. Dat was een jongen van de tegenpartij. Hij heeft [verdachte] zien vallen met die jongen. Daarna heeft [verdachte] zijn vrouw meegenomen naar de woning. [verdachte] riep dat ze van zijn vrouw moesten afblijven.

[bruiloftsgast 9 verdachte] heeft verklaard dat ze naar buiten gingen en dat aan de overkant personen stonden waar eerder een incident mee was geweest. Toen was er een woordenwisseling met schelden. Een van die jongens van de overkant is de straat opgelopen. [verdachte] is toen naar deze jongen toegelopen en heeft hem bij zijn armen/schouders gepakt, om hem als het ware af te weren, om hem te stoppen. Vervolgens zijn zij beiden op de grond gevallen. [bruiloftsgast 1 verdachte] (het hof begrijpt: [bruiloftsgast 1 verdachte]) is er op afgekomen en heeft de jongen die aan kwam lopen vastgepakt en geslagen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard:

- dat hij naar buiten ging om mensen uit te zwaaien;

- dat er vervelende dingen werden geroepen door [slachtoffer] ;

- dat hij [slachtoffer] bij beide bovenarmen heeft gepakt om hem tot rust te manen;

- dat het toen is geëscaleerd;

- dat hij met [slachtoffer] op de grond is gevallen;

- dat hij zijn vrouw zag vallen en toen uit het gevecht is weggegaan;

- dat hij degene was met een ruitjesoverhemd aan.

Het hof overweegt voorts als volgt.

Van openlijk in vereniging geweld plegen is sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat die bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die in vereniging geweld pleegt.

Het hof stelt op grond van het procesdossier vast:

- dat de verdachte boos was vanwege een eerder incident die avond waar zijn bruiloftsgasten bij betrokken waren;

- dat buiten op straat een woordenwisseling ontstond met [slachtoffer] , waarbij over en weer gescholden werd;

- dat de verdachte met [bruiloftsgast 1 verdachte] en anderen op [slachtoffer] is afgegaan;

- dat de verdachte [slachtoffer] heeft vastgepakt;

- dat de verdachte en [slachtoffer] ten val kwamen;

- dat de verdachte en [bruiloftsgast 1 verdachte] [slachtoffer] hebben geslagen en geschopt;

- dat (ook) anderen [slachtoffer] hebben geslagen en geschopt.

Het hof stelt op grond hiervan vast dat de verdachte, door te handelen als hiervoor vermeld, opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Niet alleen heeft hij gescholden naar [slachtoffer] , maar is hij ook samen met anderen op hem af gegaan en heeft hem vastgepakt. Maar bovendien heeft de verdachte [slachtoffer] geslagen en geschopt.

Dat alleen sprake zou zijn geweest van tot rust manen en dat de verdachte geen opzet had op het plegen van geweld acht het hof, gelet op de verklaringen van [slachtoffer] , [vriend slachtoffer] , [vriendin 1 slachtoffer] , [vriendin 2 slachtoffer] , [moeder slachtoffer] , [bruiloftsgast 1 verdachte] en [bruiloftsgast 8 verdachte] , niet aannemelijk geworden. Er was immers sprake van over en weer schelden en het opzoeken van de confrontatie door op elkaar af te gaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat hij in de nacht van 16 op 17 december 2016 te [plaats] openlijk, te weten op de openbare weg, de [naam weg] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer] , welk geweld bestond uit

  • -

    het meermalen slaan/stompen in/tegen het gezicht en/of lichaam van die [slachtoffer] en

  • -

    het meermalen schoppen/trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en

  • -

    het vastpakken van die [slachtoffer] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen diens buurjongen. Aan het einde van het bruiloftsfeest van de verdachte is hij na een woordenwisseling met die buurjongen de confrontatie met hem aangegaan. Dit nadat de buurjongen ook eerder op de avond al in gevecht was geraakt met twee gasten van verdachtes feest.

Het slachtoffer is (ook door verdachte) meermalen geslagen en geschopt en is door verdachte vastgepakt. Ten gevolge van het geweld heeft het slachtoffer een blauw oog en een bloedneus opgelopen. Verder is hij nogal geschrokken van het voorval, gaat hij sindsdien discussies uit de weg en is hij extra voorzichtig en bedacht op nieuwe bedreigende situaties.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 23 oktober 2018, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder (in 2006 en 2013) voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld tot geldboetes.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, welke tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken, waarbij in het bijzonder aandacht is gevraagd voor het werk van verdachte in de kernenergiebranche en de daarvoor benodigde verklaring omtrent het gedrag.

Alles overziend, is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

heeft zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd en een vordering ingediend, strekkende tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, en te vermeerderen voorts met proceskosten tot een bedrag van € 8,40 (reiskosten).

Bij voormeld vonnis is de vordering geheel toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde proceskosten zijn toegewezen ten titel van materiële schade.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven dat hij vordering in hoger beroep handhaaft, zodat die vordering in volle omvang aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden als hierna te melden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre toewijsbaar is.

Anders dan de politierechter is het hof van oordeel dat de vordering ter zake van immateriële schade niet in volle omvang toewijsbaar is. Bij het onderzoek ter terechtzitting is het hof namelijk gebleken dat de benadeelde partij zich niet onbetuigd heeft gelaten in de woordenwisseling met (de groep van) de verdachte. Gelet hierop stelt het hof de immateriële schade volgens de maatstaf van redelijkheid en billijkheid vast op een bedrag van € 200,00.

Evenals de politierechter is het hof van oordeel dat de gevorderde vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte reiskosten ad € 8,40 ten behoeve van het bezoek aan het kantoor van Slachtofferhulp te Middelburg als rechtstreekse schade van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte ten titel van materiële schade toewijsbaar is.

Het hof zal de vordering van de benadeelde partij derhalve toewijzen tot een totaalbedrag van € 208,40 en de vordering voor het overige afwijzen.

Het toe te wijzen bedrag zal op de hierna te vermelden wijze worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof zal de kosten van het geding tussen de verdachte en de benadeelde partij compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 208,40. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Hoofdelijkheid

Het hof stelt vast dat de verdachte het bewezen verklaarde samen met een ander of anderen heeft gepleegd. Nu de verdachte en zijn mededader(s) samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde

heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis;

bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde toe tot een bedrag van € 208,40 (tweehonderdacht euro en veertig cent), bestaande uit € 8,40 (acht euro en veertig cent) ter zake van materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen;

legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde aan de Staat te betalen een bedrag van € 208,40 (tweehonderdacht euro en veertig cent), bestaande uit € 8,40 (acht euro en veertig cent) ter zake van materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 8 juni 2017

en van de immateriële schade op 17 december 2016.

Aldus gewezen door:

mr. R.J.H. de Brouwer, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 29 januari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Bij het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof vastgesteld dat het ten laste gelegde niet ziet op het hier bedoelde conflict, dat door de procesdeelnemers is aangeduid als ‘het eerste incident’. Uit het dossier blijkt dat, naast aangever [slachtoffer] , [bruiloftsgast 3 verdachte] en [bruiloftsgast 1 verdachte] bij dit incident betrokken waren en dat [bruiloftsgast 3 verdachte] hierbij in het gezicht gewond is geraakt.