Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3444

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
200.246.135_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding in huurzaak. Spoedeisend belang. Vonnis in bodemzaak gewezen, afstemmingsregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.246.135/01

arrest van 17 september 2019 (bij vervroeging)

in de zaak van

[electronics] Electronics B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als: [appellante],

advocaat: mr. P.C.M. Dirven te Roosendaal,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.A. Vermeeren te Etten-Leur,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 augustus 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 2 augustus 2018, door de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellante] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6881046 VV EXPL 18-28)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis in kort geding.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 30 augustus 2018;

- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;

- de memorie van grieven;

- de zuivering van het verstek, waarbij mr. Vermeeren zich voor [geïntimeerde] heeft gesteld;

- de memorie van antwoord, met productie;

- de akte uitlating van de zijde van [geïntimeerde] , waarin deze heeft aangegeven arrest te wensen.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de door partijen voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegde stukken.

3 De beoordeling

De vaststaande feiten

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[geïntimeerde] heeft met [appellante] een schriftelijke huurovereenkomst gesloten, waarbij [geïntimeerde] met ingang van 1 februari 2017 aan [appellante] heeft verhuurd het bedrijfspand aan de [adres] te [vestigingsplaats] (hierna: het gehuurde). Op de huurovereenkomst zijn van toepassing verklaard de ‘Algemene Bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW’, gedeponeerd bij de griffie van de rechtbank te Den Haag op 17 februari 2015 en aldaar ingeschreven onder nummer 15/21 (hierna: de Algemene Bepalingen).

3.1.2.

In 2017 was [appellante] per maand een huurprijs verschuldigd van € 2.722,50, bestaande uit huur, servicekosten en btw. Per februari 2018 is de huur verhoogd naar € 2.783,00 per maand.

3.1.3.

[appellante] heeft het gehuurde per 22 augustus 2018 ontruimd en verlaten.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg en in de bodemzaak

3.2.

[geïntimeerde] heeft bij inleidende dagvaarding van 16 mei 2018 dit kort geding aanhangig gemaakt en daarin, samengevat, gevorderd [appellante] te veroordelen om het gehuurde te verlaten en te ontruimen en verlaten en ontruimd te houden, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

3.3.

[appellante] heeft verweer gevoerd.

3.4.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in kort geding van 2 augustus 2018 heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en [appellante] veroordeeld om, kort gezegd, het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten en verlaten en ontruimd te houden, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

3.5.

Ook heeft [geïntimeerde] een bodemprocedure tegen [appellante] aanhangig gemaakt en daarin, voor zover thans van belang, gevorderd de huurovereenkomst te ontbinden, [appellante] te veroordelen om het gehuurde te ontruimen en te verlaten en ontruimd en verlaten te houden en [appellante] te veroordelen tot betaling van onder meer huurpenningen, contractuele boete, buitengerechtelijke incassokosten en schadevergoeding voor leegstandderving. Een en ander met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

3.6.

[appellante] heeft in die bodemprocedure verweer gevoerd en een vordering in reconventie ingesteld tot, kort gezegd, betaling van € 30.900,00.

3.7.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis in de bodemprocedure van 19 december 2018, met zaak-/rolnummer 7083545 CV EXPL 18-2974 (door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord als productie in het geding gebracht), heeft de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, voor zover thans van belang, in conventie de huurovereenkomst tussen partijen met ingang van 20 december 2018 ontbonden. Ook heeft de kantonrechter [appellante] - aangezien het gehuurde reeds was ontruimd - veroordeeld het gehuurde ontruimd en verlaten te houden en haar veroordeeld tot betaling van huurpenningen, contractuele boete, buitengerechtelijke incassokosten en schadevergoeding voor leegstandderving. Verder heeft de kantonrechter de vordering in reconventie afgewezen en [appellante] zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten veroordeeld.

Hoger beroep van het vonnis in kort geding van 2 augustus 2018

3.8.

[appellante] heeft in hoger beroep, onder aanvoering van drie grieven, gevorderd het bestreden vonnis in kort geding te vernietigen, en, opnieuw recht doende, [geïntimeerde] in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel hem zijn vordering te ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

Met grief I klaagt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte de volgens [appellante] onjuiste mededeling van de gemachtigde van [geïntimeerde] , inhoudende dat vanwege het niet nakomen van een na de zitting getroffen regeling door [appellante] alsnog vonnis werd gevraagd door [geïntimeerde] , heeft laten meewegen in haar beoordeling. Grief II is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] voldoende spoedeisend belang had bij de gevraagde voorziening. Met grief III klaagt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat, gelet op de huurachterstand na datum dagvaarding en de betalingsgeschiedenis, voorshands voldoende aannemelijk was dat de vordering van [geïntimeerde] in de bodemprocedure zou worden toegewezen, en daarmee - aldus [appellante] - ten onrechte een voorschot heeft genomen op de beoordeling in de bodemprocedure.

3.9.

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord, onder overlegging van het eindvonnis in de bodemprocedure, verweer gevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, het bestreden vonnis in kort geding te bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties.

3.10.

Naar aanleiding van het tussen partijen in de bodemprocedure gewezen eindvonnis heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om zich erover uit te laten of zij arrest dan wel royement wensen. [geïntimeerde] heeft het hof daarop bij akte uitlating bericht arrest te wensen. [appellante] heeft, hoewel daartoe nog een tweede keer in de gelegenheid gesteld, geen akte uitlating genomen.

3.11.

Indien, zoals in het onderhavige geval, in hoger beroep de vraag moet worden beantwoord of een in kort geding verlangde en na toewijzing daarvan door de voorzieningenrechter getroffen voorziening voor de toekomst in stand moet blijven, dient, zo nodig ambtshalve, ook in hoger beroep te worden beoordeeld of de oorspronkelijk eisende partij ten tijde van het arrest van het hof (ex nunc) bij die voorziening een voldoende spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437 en HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4553). Deze beoordeling dient te geschieden aan de hand van de stand van zaken op het moment van het oordeel in hoger beroep.

3.12.

[geïntimeerde] heeft niets gesteld over een belang bij zijn vordering in hoger beroep, laat staan over een spoedeisend belang. Vaststaat dat [appellante] het gehuurde per 22 augustus 2018 heeft ontruimd en verlaten. Ook heeft de kantonrechter bij eindvonnis in de bodemprocedure van 19 december 2018 de vordering van [geïntimeerde] tot ontbinding van de huurovereenkomst toegewezen, met ingang van 20 december 2018, en [appellante] , aangezien het gehuurde reeds was ontruimd, veroordeeld het gehuurde ontruimd en verlaten te houden.

Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat [geïntimeerde] feitelijk geen belang meer heeft bij de door hem gevraagde voorlopige voorziening. Dit betekent dat het bestreden vonnis in kort geding in zoverre niet in stand kan blijven.

3.13.

De eis van spoedeisendheid betreft evenwel alleen de gevraagde voorzieningen en niet de proceskostenveroordeling. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad levert voor een partij die in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, deze veroordeling een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak (HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9705). Dat geldt tevens indien de rechter in hoger beroep in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering. De rechter in hoger beroep dient ook in een dergelijk geval te beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in hoger beroep gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep (afgezien van de omstandigheid dat het spoedeisend belang inmiddels is komen te vervallen (HR 3 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1050 en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666).

3.14.

Te gelden heeft dat in de bodemprocedure inmiddels uitspraak is gedaan en dat, anders dan bij een beslissing in kort geding, geldt dat met een beslissing in die bodemprocedure de rechtsverhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde] - afgezien van de mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel daartegen - bindend is vastgesteld.

Dit brengt met zich dat de rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening, nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de bodemzaak heeft gewezen, ook in hoger beroep zijn uitspraak moet afstemmen op de beslissingen in het bodemvonnis, ongeacht of dit een tussenvonnis of een eindvonnis is, en ongeacht of de beslissingen in de overwegingen of in het dictum van het bodemvonnis staan. Niet relevant is of het bodemvonnis kracht van gewijsde heeft; als een rechtsmiddel tegen het vonnis is ingesteld mag de voorzieningenrechter de kans van slagen van het rechtsmiddel niet bij zijn voorlopige oordeel betrekken.

Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op deze zogeheten afstemmingsregel. Dit zal het geval kunnen zijn indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, of in het geval sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen (HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015).

3.15.

Gesteld noch gebleken is dat zich een van de door Hoge Raad in het arrest van 7 januari 2011 genoemde uitzonderingen voordoet dan wel een andere omstandigheid die ertoe zou moeten leiden dat het hof, recht sprekend in dit kort geding, niet het oordeel van de bodemrechter volgt. Het hof zal zijn arrest dan ook afstemmen op het eindvonnis in de bodemprocedure. Dit brengt met zich dat, ondanks dat [geïntimeerde] feitelijk geen belang meer heeft bij de gevraagde voorziening, de proceskostenveroordeling in het bestreden vonnis in kort geding in stand dient te blijven.

3.16.

Het bestreden vonnis in kort geding zal worden vernietigd voor zover [appellante] daarbij, kort gezegd, is veroordeeld om het gehuurde te ontruimen en te verlaten en verlaten en ontruimd te houden. Het bestreden vonnis in kort geding zal voor het overige (de proceskostenveroordeling) worden bekrachtigd.

3.17.

Bij deze uitkomst past dat [appellante] als de feitelijk in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep wordt veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 318,00 aan griffierecht en € 1.611,00 voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (1,5 punten, tarief II in hoger beroep à € 1.074,00 per punt).

4 De uitspraak

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

vernietigt het bestreden vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, van 2 augustus 2018, voor zover [appellante] daarbij is veroordeeld om, binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis, het gehuurde aan de [adres] te [vestigingsplaats] te ontruimen en te verlaten met al degenen die en al hetgeen dat

zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, en verlaten en ontruimd te houden

met afgifte van alle passende sleutels aan [geïntimeerde] ;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de

zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 318,00 aan griffierecht en € 1.611,00 voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, O.G.H. Milar en R.F. Groos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 september 2019.

griffier rolraadsheer