Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3443

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
200.238.132_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:1010
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzegging huur met betrekking tot 290-bedrijfsruimte. Belangenafweging ex artikel 7:296 lid 3 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 296
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2019/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.238.132/01

arrest van 17 september 2019

in de zaak van

[de bierbrouwerij] Bierbrouwerij B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [de bierbrouwerij] ,

advocaat: mr. H.J. Heynen te Venlo,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. L.R.G.M. Spronken te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 april 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 januari 2018, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [de bierbrouwerij] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6217355 \ CV EXPL 17-6471)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met een productie;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [geïntimeerde] heeft met ingang van 1 juli 2002 voor de tijd van tien jaar aan [de bierbrouwerij] verhuurd de gebouwde onroerende zaak, zijnde een horecaruimtebedrijfsruimte (café) met bovenwoning, staande en gelegen te [vestigingsplaats] aan de [adres] (hierna: het pand). Voorafgaand aan deze huurovereenkomst had [de bierbrouwerij] al een huurovereenkomst gesloten voor de duur van tien jaar.

  2. De bestemming van voornoemd pand is die van bedrijfsruimte als bedoeld in art. 7:290 lid 2 BW.

  3. Na het verstrijken van de eerste termijn van tien jaar is de huurovereenkomst met vijf jaar verlengd tot 30 juni 2017. Thans loopt de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd door.

  4. [de bierbrouwerij] exploiteert de horecabedrijfsruimte niet zelf, maar besteedt dat bevoegdelijk uit aan een onderverhuurder. Sinds 1 februari 2016 verhuurt [de bierbrouwerij] het pand aan [de onderverhuurder]

  5. [de bierbrouwerij] heeft een exclusief afnamebeding met de onderhuurder voor het bier dat [de bierbrouwerij] brouwt (pilsner op de tap). [de bierbrouwerij] maakt onderdeel uit van het [het concern] -concern en welk merk bier in het gehuurde wordt geschonken is met name een keuze van de exploitant. In een door [de bierbrouwerij] gehuurd pand kan [bier] worden geschonken en vice versa. De huidige exploitant – met de cafénaam [naam] – heeft ervoor gekozen het “Amsterdamse” [bier] te schenken.

  6. Bij brief van 10 maart 2016 aan [het concern] heeft [geïntimeerde] het huurcontract per 1 september 2017 opgezegd (hof: citaten steeds cursief en inclusief taal- en typefouten): “om de reden dat een van onze dochters het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] vanaf die datum zelf willen gaan exploiteren.” Deze opzegging is door [het concern] niet geaccepteerd en [geïntimeerde] heeft het daarbij gelaten.

  7. Bij exploot van 31 maart 2017 is een (afschrift van een) brief van mr. L. Spronken, advocaat van [geïntimeerde] , aan [de bierbrouwerij] betekend.

  8. In deze brief heeft [geïntimeerde] de huurovereenkomst aan [de bierbrouwerij] opgezegd tegen 1 juli 2018.

  9. In deze brief is het volgende vermeld:

“Deze huurovereenkomst wordt hierbij door mij namens cliënt aan u opgezegd tegen 01 juli 2018. Ik verwijs daarbij naar de eerdere opzegging van 10 maart 2016 van cliënt zelf.

De opzegging vindt plaats op de volgende grond (of: gronden):

1. [het concern] / [de bierbrouwerij] is uitsluitend tussenhuurder voor de exclusieve afnamebinding ter zake pilsner van de tap naar de onderhuurder/exploitant.

2. De pandeigenaar (hof: [geïntimeerde] ) kan een beter rendement maken zonder een brouwerij met een binding naar de exploitant, waarbij de onderhuurder zonder binding ook een beter rendement kan maken doordat hij hogere bonuskortingen in de markt (of bij [het concern] / [de bierbrouwerij] ) kan genereren.

3. De huidige onderhuurder mag rechtstreeks blijven huren van de pandeigenaar en kan zelf met [het concern] / [de bierbrouwerij] of een andere brouwerij contracteren en kortingen bedingen.

4. De huidige onderhuurder mag ook vertrekken als dat uiteindelijk zijn keuze is.

5. In het kader van een belangenafweging dienen de belangen van de verhuurder (na 25 jaar) te prevaleren, zeker nu verhuurder bereid is met de zittende onderhuurder rechtstreeks een huurovereenkomst te sluiten waarbij deze vrij is alle dranken (waaronder pilsner van de tap) af te nemen en te kopen bij wie hij wil zodat zijn bedrijfsvoering beter wordt.

6. Het enige belang van [het concern] / [de bierbrouwerij] bij het continueren van de huurovereenkomst is het exclusief kunnen binden voor pilsner op de tap en daarbij lagere bonuskortingen verschaffen dan wanneer de exploitant vrij van brouwerij zou zijn.

7. Wij hebben geprobeerd met u te komen tot een hogere huurprijs waartoe u niet bereid bleek, verhuurder ziet geen enkel (redelijk) voordeel of belang meer om aan [het concern] / [de bierbrouwerij] te willen verhuren na de opzegging per 01 juli 2018.”

Aan het eind van deze brief staat voorts nog het volgende:

“Ter toelichting hiervan wijs ik voorshands op het volgende: Ik verwijs naar de punten 1 t/m 6 en constateer dat op grond van een redelijke afweging van de belangen als bedoeld in artikel 7:296 lid 3 in het voordeel van verhuurder dient uit te vallen, zeker nu de huurovereenkomst na 01 juli 2018 voor onbepaalde tijd doorloopt en de huurrelatie 25 jaar heeft geduurd. Verhuurder wil vrij zijn om over zijn pand te beschikken, waarbij hij de belangen van de onderhuurder wil respecteren door met deze een nieuwe huurovereenkomst te kunnen sluiten op andere voorwaarden en zonder exclusief afnamebeding.”

Bij brief van 12 april 2017, gericht aan mr. L. Spronken, heeft [de bierbrouwerij] medegedeeld niet te kunnen instemmen met de beëindiging van de hoofdhuurovereenkomst.

3.2.1.

Daarop heeft [geïntimeerde] bij dagvaarding van 27 juli 2017 de onderhavige procedure jegens [de bierbrouwerij] aanhangig gemaakt en, kort gezegd, gevorderd, dat bij vonnis het tijdstip zal worden vastgesteld, waarop de huurovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [de bierbrouwerij] zal eindigen, met vaststelling van het tijdstip van ontruiming en met veroordeling van [de bierbrouwerij] de bedrijfsruimte volledig te verlaten en behoorlijk te ontruimen, met het verzoek dat tijdstip te bepalen op 1 juli 2018 dan wel een datum in goede justitie te bepalen, zulks met machtiging van [geïntimeerde] om bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze verlating en ontruiming zelf te bewerken met behulp van de sterke arm en op kosten van [de bierbrouwerij] , met veroordeling van [de bierbrouwerij] in de proceskosten en nakosten.

3.2.2.

Op hetgeen [geïntimeerde] ten grondslag heeft gelegd aan deze vorderingen en het door [de bierbrouwerij] daartegen gevoerde verweer zal het hof, voor zover van belang in hoger beroep, hierna ingaan.

3.3.

In het vonnis waarvan beroep is de kantonrechter tot het oordeel gekomen dat de opzegging als gedaan bij deurwaardersexploot van 31 maart 2017 rechtsgeldig is gedaan. Vervolgens heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] tot het vaststellen van het tijdstip waarop de huurovereenkomst tussen partijen zal eindigen en door [de bierbrouwerij] dient te worden ontruimd toegewezen. Dit tijdstip is vastgesteld op 1 juli 2018. De gevorderde machtiging werd afgewezen evenals de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring Ten slotte is [geïntimeerde] in de proceskosten van [de bierbrouwerij] en de nakosten veroordeeld.

3.4.

[de bierbrouwerij] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten en nakosten. Ook vordert zij dat het hof [geïntimeerde] zal veroordelen om al hetgeen [de bierbrouwerij] ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep reeds aan [geïntimeerde] heeft betaald terug te betalen, te vermeerderen met rente.

3.5.

De grieven, die naar de kern genomen gericht zijn tegen het oordeel van de kantonrechter dat de opzegging als gedaan bij deurwaardersexploot van 31 maart 2017 rechtsgeldig is gedaan, lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.6.

De grondslag voor de huuropzegging door [geïntimeerde] is gelegen in een belangenafweging ex artikel 7:296 lid 3 BW. Dit artikellid luidt als volgt:

Indien de opzegging is gedaan tegen het einde van de termijn waarmee de overeenkomst krachtens artikel 292 lid 2 (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&boek=7&titeldeel=4&afdeling=6&artikel=292&z=2019-03-16&g=2019-03-16) is verlengd, kan de rechter de vordering toewijzen, op grond van een redelijke afweging van de belangen van de verhuurder bij beëindiging van de overeenkomst tegen die van de huurder en van de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd, bij verlenging van de overeenkomst. De rechter wijst de vordering in elk geval af indien van de huurder, bij een redelijke afweging van de voormelde belangen van hem en van de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd, tegen de voormelde belangen van de verhuurder, niet kan worden gevergd dat hij het gehuurde ontruimt.

3.7.

In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter overwogen dat bij een belangenafweging waarbij het belang van [geïntimeerde] om na ongeveer 25 jaar weer vrijelijk over zijn pand te kunnen beschikken afgezet wordt tegen het (financiële) belang van [de bierbrouwerij] bij de afnamebinding van de exploitant, het belang van de verhuurder/eigenaar zwaarder dient te wegen. Het belang van de onderhuurder is daarbij voor zoveel nodig meegenomen, nu [geïntimeerde] aanbiedt om de onderhuurder onder dezelfde condities een huurovereenkomst aan te bieden, waarbij deze onderhuurder vrij is alle dranken (inclusief pilsener) af te nemen bij wie hij wil, dus eventueel ook bij [de bierbrouwerij] , aldus de kantonrechter.

3.8.

Gezien de (toelichting bij de) grieven zal het hof in dezen de belangenafweging ex artikel 7:296 lid 3 BW (opnieuw en ex nunc) dienen te verrichten. Daarbij zal het hof al hetgeen partijen over en weer hebben gesteld over de belangen van [geïntimeerde] , [de bierbrouwerij] en de onderhuurder [de onderverhuurder] in de afweging betrekken.

3.9.

Om te beginnen overweegt het hof met betrekking tot de lange duur van de huurrelatie tussen [geïntimeerde] en [de bierbrouwerij] het volgende. Zoals blijkt uit het vorenoverwogene, heeft de kantonrechter als belang van [geïntimeerde] meegewogen het belang om na ongeveer 25 jaar weer vrijelijk over zijn pand te kunnen beschikken. [geïntimeerde] heeft het bestaan van een huurrelatie van 25 jaar ook als argument in zijn voordeel opgevoerd (zie de hiervoor geciteerde passage uit de opzeggingsbrief in rov. 3.1 onder j). [de bierbrouwerij] heeft daar terecht tegen ingebracht dat het feit dat een huurovereenkomst reeds 25 jaar heeft gelopen als zodanig niet betekent dat deze daardoor makkelijker of sneller zou kunnen worden beëindigd dan een huurovereenkomst die pas 10 jaar heeft gelopen en dat telkens de belangen zullen moeten worden afgewogen. Naar het oordeel van het hof verdraagt een andersluidende opvatting zich niet met de huurbescherming die een huurder van bedrijfsruimte, zoals [de bierbrouwerij] in dit geval, toekomt.

3.10.

Voorts heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat hij vrij wil zijn om over zijn pand te beschikken (zie de hiervoor geciteerde passage uit de opzeggingsbrief in rov. 3.1 onder j). [geïntimeerde] heeft in dit verband verschillende belangen gesteld. Het hof zal eerst de door hem gestelde mogelijkheid voor rendementsverbetering bespreken. [geïntimeerde] noemt dit belang onder 2 van de vermelde opzeggingsgronden in de opzeggingsbrief. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] onvoldoende duidelijk gemaakt dat hij rendementsverbetering kan behalen door de huurovereenkomst met [de bierbrouwerij] te beëindigen. Controleerbare gegevens hierover heeft hij niet overgelegd. Ook is van belang dat [geïntimeerde] heeft aangegeven dat hij in eerste instantie een huurovereenkomst met de huidige exploitant zou sluiten onder gelijkluidende condities als thans het geval is, ook met betrekking tot de huurprijs. Een hoger rendement door een huurverhoging is dus niet aan de orde. Ook indien de onderhuurder een hoger rendement zou kunnen behalen als deze niet meer zou zijn gebonden aan de verplichting bier af te nemen van [de bierbrouwerij] , zoals [geïntimeerde] veronderstelt, baat dit [geïntimeerde] dus niet.

3.11.

Naar het hof – mede op basis van het tijdens het pleidooi verhandelde – begrijpt, wenst [geïntimeerde] het pand aan zichzelf te hebben om op termijn rendementsverbetering te behalen en gaat het hem ook niet uitsluitend om rendementsverbetering. Hij stelt dat hij dan in de gelegenheid is om aanpassingen c.q. verbeteringen aan het pand aan te brengen en op deze wijze energiebesparingen te realiseren. Verder heeft hij het idee om het pand te verbinden met het naastgelegen pand (waarvan hij ook eigenaar is en waarin zijn dochters Grand-Café [Grand-Café] exploiteren) en een ‘reshuffle’ (zoals hij het noemt) uit te voeren waardoor de indeling efficiënter wordt dan wel de mogelijkheden voor exploitatie of bewoning (van de bovenverdieping van beide panden) vergroot worden. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] deze plannen onvoldoende concreet onderbouwd. Op geen enkele manier heeft hij inzichtelijk gemaakt dat zijn plannen reëel zijn. Kennelijk gaat hij er bij deze plannen vanuit dat [de onderverhuurder] op enig moment uit zichzelf zal vertrekken uit het pand. Er zijn echter geen althans onvoldoende aanwijzingen dat dit zal gebeuren. Ook acht het hof hierbij van belang dat [geïntimeerde] bereid is de huurrelatie met [de onderverhuurder] “voort te zetten” (tijdens het pleidooi is gebleken dat het [geïntimeerde] niet scherp voor ogen staat op welke wijze dit juridisch vorm en inhoud zou krijgen). Daarnaast heeft [geïntimeerde] bij pleidooi opgemerkt dat hij niet steeds met nieuwe onderhuurders wenst te worden geconfronteerd. Dit gestelde belang is echter op geen enkele wijze onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

3.12.

[geïntimeerde] heeft aangeboden te bewijzen dat hij in de toekomst een beter rendement kan maken (ook als het pand weer leeg komt). Gelet op het voorgaande komt het hof aan bewijslevering op dit punt niet toe. Het bewijsaanbod is overigens ook onvoldoende gespecificeerd.

3.13.

Hiertegenover is het belang van [de bierbrouwerij] bij het voortbestaan van de huurovereenkomst met [geïntimeerde] helder. Dit belang is gelegen in de exclusieve afnamebinding met de onderhuurder. [de bierbrouwerij] heeft toegelicht dat zij hieraan voor een belangrijk deel haar bestaansrecht ontleent. Daartoe heeft zij het volgende naar voren gebracht. [de bierbrouwerij] is een drankenproducent en -leverancier (en geen vastgoedbeheerder). Een van de meest zekere afzetkanalen is wanneer [de bierbrouwerij] de beschikking heeft over een pand (hetzij in eigendom, hetzij in huur). In die situaties kan [de bierbrouwerij] een pand verhuren en met de exploitant een exclusief bierafnamebeding overeenkomen. De huurder is dan gehouden bier af te nemen bij [de bierbrouwerij] . De horecamarkt is sterk concurrerend, en ook een grote partij als [de bierbrouwerij] dient te vechten voor haar marktaandeel, zeker in belangrijke uitgaansgebieden in steden zoals [straat] in [plaats] . Dit is een mooie afzetlocatie met een gegarandeerde drankafname. [geïntimeerde] heeft het voorgaande niet althans onvoldoende weersproken, zodat het hof ervan uitgaat dat [de bierbrouwerij] inderdaad een groot commercieel belang heeft bij het handhaven van dit afzetpunt. Dat het enkel gaat om pilsner op de tap doet daar niet althans onvoldoende aan af. Hetzelfde geldt voor het feit dat [bier] wordt geschonken (zie hiervoor rov. 3.1 onder e). Het hof acht het door [de bierbrouwerij] gestelde belang dan ook gerechtvaardigd. Daarbij is voorts in aanmerking genomen dat, zoals tussen partijen niet in geschil is, bij aanvang van de huurovereenkomst het ook de bedoeling van partijen was dat [de bierbrouwerij] het pand zou onderverhuren aan een horeca-exploitant.

3.14.

[geïntimeerde] heeft nog gesteld dat hij de controle over het pand zelf wil uitoefenen omdat [de bierbrouwerij] zich niet als goed huurder gedraagt. Volgens hem is er sprake van achterstallig onderhoud, slordig gebruik van het pand van de zijde van [de bierbrouwerij] en geluidsoverlast door [de onderverhuurder] waardoor het pand in 2017 door de gemeente een maand gesloten is. Hij wil het pand weer in eigen bezit krijgen om zelf het benodigde onderhoud en ook zelf investeringen te kunnen doen. Ook wil hij de huurder (thans onderhuurder) rechtstreeks kunnen aanspreken. [de bierbrouwerij] heeft voldoende gemotiveerd betwist dat zij tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst. Voor wat betreft het achterstallig onderhoud heeft [de bierbrouwerij] zich op het standpunt gesteld dat dit niet voor haar rekening komt maar voor die van [geïntimeerde] . De geluidsproblematiek betreft volgens [de bierbrouwerij] incidenten. Tijdens het pleidooi heeft [de bierbrouwerij] uiteengezet dat zij naar aanleiding van de sluiting van het pand door de gemeente contact heeft gehad met de exploitant om verdere incidenten te voorkomen. Bij deze stand van zaken kan het hof niet aannemen dat [geïntimeerde] een (zwaarwegend) belang heeft bij de door hem verlangde kortere communicatielijnen.

3.15.

Ten aanzien van de belangen van de onderhuurder kan het volgende worden vastgesteld. In eerste aanleg is [de onderverhuurder] door [de bierbrouwerij] opgeroepen om [de onderverhuurder] als onderhuurder in de gelegenheid te stellen te reageren op de eis van [geïntimeerde] . [de onderverhuurder] is niet in de procedure verschenen en heeft daarom haar standpunt niet kenbaar gemaakt. Wel zijn in eerste aanleg door [de bierbrouwerij] twee verklaringen van [de onderverhuurder] (productie 2 bij de conclusie van antwoord en productie 3 bij de conclusie van dupliek) overgelegd. Blijkens deze verklaringen wenst [de onderverhuurder] de samenwerking met [de bierbrouwerij] / [het concern] voort te zetten. Die verklaringen bieden ook steun aan de stelling van [de bierbrouwerij] dat zij de exploitatie faciliteert en de uitbater ondersteuning biedt, en dat daarin ook een belang van [de bierbrouwerij] en de onderhuurder is gelegen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [de bierbrouwerij] voor [de onderverhuurder] , en overigens ook voor [geïntimeerde] , een betrouwbare en solvabele business partner is. In hoger beroep komt [de bierbrouwerij] voor de belangen van de onderhuurder op. Het hof heeft van partijen weinig actuele informatie verkregen over het belang van de onderhuurder. Gelet op wat hierover wel bekend is, gaat het hof ervan uit dat de onderhuurder nog steeds belang heeft bij voortzetting van de huurovereenkomst van [geïntimeerde] met [de bierbrouwerij] .

3.16.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot het oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] niet kan worden toegewezen op grond van een redelijke afweging van de belangen van [geïntimeerde] bij beëindiging van de overeenkomst tegen die van [de bierbrouwerij] en van de onderhuurder bij verlenging van de overeenkomst. [de bierbrouwerij] heeft een groot commercieel belang bij verlenging van de overeenkomst, terwijl ook de belangen van de onderhuurder daarmee gediend zijn. Hiertegen wegen de belangen van [geïntimeerde] voor zover deze zijn komen vast te staan niet op. Dat hij om hem moverende redenen vrij wil zijn om over zijn pand te beschikken, is daarvoor niet toereikend.

3.17.

Het vorenstaande brengt mee dat de grieven slagen. Aan het algemene bewijsaanbod van [geïntimeerde] gaat het hof voorbij.

3.18.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen. Nu het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd, is de terugbetalingsvordering van [de bierbrouwerij] toewijsbaar. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep en de nakosten conform het liquidatietarief.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw recht doende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] om al hetgeen [de bierbrouwerij] ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep reeds aan [geïntimeerde] heeft betaald terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na dagtekening van deze uitspraak;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [de bierbrouwerij] op € 400,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 98,01 aan dagvaardingskosten, op € 726,- aan griffierecht en op € 3.222,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, J.P. de Haan en J.K. Six-Hummel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 september 2019.

griffier rolraadsheer