Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3441

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
200.224.928_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:5693
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:7747
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 7:231 lid 2 BW. Verklaring voor recht dat huurovereenkomst rechtsgeldig (buitengerechtelijk) is ontbonden en veroordeling tot ontruiming. Beroep op beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van een overeenkomst tussen verhuurder en huurder over waardevergoeding bij beëindiging van de huurovereenkomst.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 231
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.224.928/01

arrest van 17 september 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. B. van Treijen te Lent,

tegen

Stichting Woonwenz,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Woonwenz,

advocaat: mr. J.M.H. van den Mosselaar te Best,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 september 2017 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 21 juni 2017 en 9 augustus 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en Woonwenz als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5233220 \ CV EXPL 16-7229)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met een productie;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties 19 tot en met 25;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met een productie;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de door Woonwenz voorafgaand aan het pleidooi toegezonden producties 26, 27 en 28, die zij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In rov. 2.1 tot en met 2.12 van voormeld vonnis van 21 juni 2017 heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de kantonrechter vastgestelde feiten, die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten. Volgens Woonwenz is de feitenvaststelling van de kantonrechter niet volledig, maar het hof ziet geen aanleiding om die aan te vullen met de door de Woonwenz gestelde feiten.

3.1.1.

Woonwenz is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet, werkzaam op het gebied van volkshuisvesting.

3.1.2.

Woonwenz heeft met ingang van 6 juli 2006 aan [appellante] verhuurd, gelijk [appellante] van Woonwenz heeft gehuurd, de woning gelegen aan het adres [adres] te [woonplaats] , hierna te noemen: de woning. Op de overeenkomst zijn algemene huurvoorwaarden van toepassing.

3.1.3.

De politie heeft op 15 maart 2016 een onderzoek in de woning ingesteld en bij die gelegenheid 20,7 liter GHB, 2 xtc-pillen, 0,5 gram amfetamine en 0,2 gram cocaïne, alsmede attributen voor de handel in drugs zoals een grote hoeveelheid weegschaaltjes en maatbekers aangetroffen en in beslag genomen.

De harddrugs werden gevonden op de volgende locaties:

- in een slaapkamer op de tweede verdieping: een flesje met 80 ml GHB en een wikkel met 0,2 gram cocaïne;

- in een keukenkastje boven de spoelbak op de begane grond: een wikkel met 0,5 gram amfetamine en 2 XTC-tabletten;

- in een (uitpandige) slaapkamer in een tuinhuisje in de tuin: een flesje met 620 ml GHB;

- in een schuur: een jerrycan met 11.000 ml GHB en een jerrycan met 9.000 ml GHB.

3.1.4.

De gemachtigde van [appellante] heeft bij brief van 24 maart 2016 aan Woonwenz kenbaar gemaakt dat de politie chemicaliën in de woning heeft aangetroffen en Woonwenz verzocht geen ontbindingsprocedure op te starten gelet op de woonbelangen van [appellante] , haar kinderen en kleinkinderen. Bij brief van 29 maart 2016 heeft Woonwenz laten weten dat bij een dergelijke overtreding van de Opiumwet altijd een ontbindingsprocedure wordt opgestart.

3.1.5.

De burgemeester van Venlo heeft bij brief van 31 maart 2016 aan Woonwenz kenbaar gemaakt dat hij voornemens is om van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet gebruik te maken om bestuursdwang toe te passen in de vorm van sluiting van de woning.

3.1.6.

Bij besluit van 14 april 2016 heeft de burgemeester van Venlo een last onder bestuursdwang opgelegd die ertoe strekt dat de woning met ingang van 2 mei 2016 voor de duur van zes maanden wordt gesloten.

3.1.7.

[appellante] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en tevens de bestuursrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij uitspraak van 23 mei 2016 afgewezen.

3.1.8.

Bij brief van 18 april 2016 heeft Woonwenz [appellante] de mogelijkheid geboden de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen. [appellante] heeft de huurovereenkomst niet vrijwillig opgezegd.

3.1.9.

De burgemeester van Venlo heeft op 16 juni 2016 de woning feitelijk gesloten voor de duur van zes maanden, derhalve tot 16 december 2016.

3.1.10.

Bij brief van 16 juni 2016 heeft Woonwenz op de voet van artikel 7:231 lid 2 BW de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Daarbij heeft Woonwenz [appellante] verzocht om een schadeloosstelling te betalen gelijk aan de duur van zes maanden.

3.1.11.

Bij vonnis van 30 juni 2016 is [de schoonzoon van appellante] , schoonzoon van [appellante] , veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met artikel 10, vierde en vijfde lid, Opiumwet en voor het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder C Opiumwet. [de schoonzoon van appellante] is een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

3.1.12.

In een kortgedingprocedure heeft Woonwenz ontruiming van de woning gevorderd. Bij vonnis van 23 februari 2017 heeft de voorzieningenrechter de vordering afgewezen.

3.1.13.

[appellante] heeft (samen met anderen) tegen voornoemd besluit van 14 april 2016 (het primaire besluit) bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester van Venlo het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

3.1.14.

Bij uitspraak van 17 november 2017 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, het beroep van [appellante] (en anderen) tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.15.

Bij uitspraak van 14 november 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep van [appellante] (en anderen) tegen voormelde uitspraak van de rechtbank ongegrond geoordeeld en deze uitspraak bevestigd.

3.1.16.

[appellante] heeft de woning inmiddels, op 9 augustus 2017, ontruimd.

3.2.

De procedure in eerste aanleg.

3.2.1.

In eerste aanleg vorderde Woonwenz, in conventie, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – verkort weergegeven:

- voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst voor de woning aan de [adres] te [woonplaats] rechtsgeldig (buitengerechtelijk) is ontbonden;

- [appellante] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis de woning aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen en deze woning ter vrije en algehele beschikking van Woonwenz te stellen, onder afgifte van de sleutels op het kantoor van Woonwenz;

- [appellante] te veroordelen om aan Woonwenz te betalen een bedrag van € 617,55 per maand aan gebruiksvergoeding voor elke ingegane maand, dat [appellante] na 16 december 2016 weer in de woning verblijft, vermeerderd met rente;

- [appellante] te veroordelen om aan Woonwenz te betalen een bedrag van € 3.703,45 aan schadevergoeding, zijnde een bedrag gelijk aan zes maanden huurpenningen, vermeerderd met rente;

- [appellante] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.2.

[appellante] vorderde voorwaardelijk, voor het geval de in conventie gevorderde ontruiming werd toegewezen, in reconventie – verkort weergegeven – veroordeling van Woonwenz tot betaling van € 4.865,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.3.

Op hetgeen partijen aan hun vorderingen over en weer ten grondslag hebben gelegd alsmede de door hen gevoerde verweren zal het hof hierna, voor zover relevant in hoger beroep, ingaan.

3.2.4.

Bij voormeld vonnis van 21 juni 2017 heeft de kantonrechter de vorderingen van Woonwenz in conventie toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter heeft bepaald dat op de door [appellante] te betalen gebruiksvergoeding en schadevergoeding de door haar reeds betaalde bedragen in mindering strekken. De reconventionele vordering is toegewezen tot een bedrag van € 3.502,80. De kantonrechter heeft de proceskosten in conventie en reconventie gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

3.2.5.

Bij voormeld vonnis van 9 augustus 2017 heeft de kantonrechter voormeld vonnis van 21 juni 2017 verbeterd in die zin dat waar in het vonnis van 21 juni 2017 staat S.J.W. [appellante] dient te worden gelezen S.J.M. [appellante] .

3.3.

De procedure in hoger beroep.

3.3.1.

[appellante] heeft in (principaal) hoger beroep vier grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van Woonwenz, met veroordeling van Woonwenz in de kosten van deze procedure.

3.3.2.

In incidenteel hoger beroep heeft Woonwenz twee grieven aangevoerd. Het hoger beroep van Woonwenz strekt ertoe dat het vonnis van 21 juni 2017 voor zover in reconventie gewezen wordt vernietigd en dat de vordering van [appellante] alsnog wordt afgewezen en [appellante] wordt veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van € 3.678,25 (zijnde het bedrag van € 3.502,80 vermeerderd met rente en kosten), met veroordeling van [appellante] in de kosten in incidenteel hoger beroep.

Principaal hoger beroep

3.4.

De grieven 1 tot en met 3 van [appellante] , die gericht zijn tegen de toewijzing door de kantonrechter van de gevorderde verklaring voor recht en de vordering tot ontruiming van de woning, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.5.

Artikel 7:231 lid 2 BW geeft de verhuurder de bevoegdheid een huurovereenkomst door een schriftelijke verklaring buitengerechtelijk te ontbinden indien het gehuurde door de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten. In dit geval heeft de burgemeester van Venlo op 14 april 2016 besloten een last onder bestuursdwang op te leggen die ertoe strekt dat de woning met ingang van 2 mei 2016 voor de duur van zes maanden wordt gesloten. Vervolgens heeft de burgemeester de woning op 16 juni 2016 feitelijk gesloten voor de duur van zes maanden, derhalve tot 16 december 2016. Gelet op het voorgaande was Woonwenz naar het oordeel van het hof bevoegd de huurovereenkomst op 16 juni 2016 op de voet van artikel 7:231 lid 2 BW buitengerechtelijk te ontbinden zoals zij heeft gedaan bij brief van 16 juni 2016.

3.6.

[appellante] heeft bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aangewend tegen het sluitingsbesluit. Uit de wetsgeschiedenis en rechtspraak over artikel 7:231 lid 2 BW volgt dat de verhuurder niet hoeft af te wachten wat de uitkomst is van eventuele door de huurder tegen het sluitingsbesluit aangewende bestuursrechtelijke rechtsmiddelen. Het hof gaat voorbij aan de klacht van [appellante] dat het sluitingsbesluit nog niet onherroepelijk was en de kantonrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat het sluitingsbesluit in de bestuursrechtelijke procedure zou worden vernietigd. Inmiddels heeft de bestuursrechter in hoogste instantie namelijk geoordeeld dat het beroep van [appellante] ongegrond is (zie hiervoor 3.1.14). Het sluitingsbesluit is dus thans wel onherroepelijk.

3.7.

[appellante] heeft aangevoerd dat de kantonrechter bij de toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht een te beperkt toetsingskader heeft toegepast met alleen artikel 3:13 lid 2 BW. Zij beroept zich ook op de artikelen 6:265 BW, 6:248 lid 2 BW en 8 EVRM.

3.8.

[appellante] heeft in dit verband betoogd dat haar belangen en die van haar gezin zwaarder dienen te wegen dan een mogelijk belang van Woonwenz. Het hof verwijst naar de opsomming van haar belangen die zij heeft gegeven in randnummer 24 van haar memorie van grieven. Daarbij heeft [appellante] onder meer gesteld dat zij de woning bewoonde met twee van haar dochters, waarvan een destijds minderjarig, en een kleinzoon van zeven maanden waarover zij het gezag had. Voorts heeft de woning bijzondere emotionele waarde voor [appellante] omdat de woning het laatste erfstuk van haar vader is doordat hij deze heeft verbouwd. Dit heeft hij volgens [appellante] gedaan met een verhuisvergoeding van € 20.000,- die zij had gekregen. Zoals hiervoor is overwogen in rov. 3.1.16, heeft [appellante] de woning inmiddels (na het toewijzend vonnis in eerste aanleg) ontruimd. Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft [appellante] ook de gevolgen toegelicht die de ontruiming van de woning voor haar heeft gehad. Zij heeft gesteld dat zij met haar jongste dochter en een kleinzoon nu woont in een appartement met een slaapkamer, waardoor zij al jaren op de bank slaapt en haar middelste dochter, die zorg nodig heeft, niet bij haar kan wonen. Ook is zij voor vijf jaar op de zwarte lijst geplaatst waardoor het voor haar niet mogelijk is vervangende woonruimte te vinden voor haar en haar gezin.

3.9.

Het hof onderkent dat ontbinding van de huurovereenkomst en de gedwongen ontruiming ingrijpende gevolgen voor [appellante] hebben gehad. Dat maakt naar het oordeel van het hof evenwel niet dat Woonwenz misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 lid 2 BW dan wel dat de buitengerechtelijke ontbinding en/of de ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (artikel 6:248 lid 2 BW).

3.10.

Daarbij weegt zwaar dat in de woning een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs is aangetroffen, in het bijzonder 20,7 liter GHB. Dit is meer dan 4.000 keer de in de Aanwijzing Opiumwet bedoelde geringe hoeveelheid bestemd voor eigen gebruik (artikel 2). Voldoende aannemelijk is dat het een substantiële handelshoeveelheid betreft. Dit terwijl in de woning attributen voor de handel in drugs zoals een grote hoeveelheid weegschaaltjes en maatbekers zijn aangetroffen. Voldoende aannemelijk is dan ook dat de woning werd gebruikt in het kader van de handel in harddrugs.

3.11.

Woonwenz had er een gerechtvaardigd belang om hiertegen onmiddellijk op te treden zoals zij heeft gedaan (zie hiervoor rov. 3.1.8 en 3.1.10). Zij heeft onbestreden door [appellante] naar voren gebracht dat Venlo een stad is met een omvangrijk drugstoerisme waartegen de gemeente Venlo een hard en stringent beleid voert als gevolg waarvan (hard)drugsgerelateerde activiteiten zich steeds meer verplaatsen naar wijken waar Woonwenz woningen bezit. Om huurders (zulks met inbegrip van personen die bij hen woonachtig zijn) zoveel mogelijk te ontmoedigen in huurwoningen drugsgerelateerde activiteiten te ontplooien, voert Woonwenz een zero-tolerance beleid. Dat wil zeggen dat als gemeentelijke sluiting van een huurwoning plaatsvindt, Woonwenz overgaat tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst. Dit beleid heeft Woonwenz ook in haar algemene voorwaarden tot uitdrukking gebracht. In artikel 6.7 van de algemene voorwaarden staat: “Het is huurder ten strengste verboden om in het gehuurde, danwel in de directe woonomgeving van het gehuurde, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 der Opiumwet te kweken, te bereiden, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren, aanwezig te hebben danwel te vervaardigen, zulks op straffe van onmiddellijke ontbinding van de huurovereenkomst.”.

3.12.

In aanmerking genomen de ernst van de overtreding van de Opiumwet die ten grondslag ligt aan de sluiting van de woning, ziet het hof ziet in hetgeen [appellante] heeft gesteld over haar belangen geen grond om te oordelen dat Woonwenz niet tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming had mogen overgaan. Dit geldt ook als [appellante] (althans haar vader) de woning inderdaad voor € 20.000,- heeft verbouwd (hetgeen Woonwenz betwist). Overigens heeft [appellante] tijdens het pleidooi verklaard dat haar middelste dochter inmiddels in het appartement onder haar woont.

3.13.

[appellante] heeft zich ook op het standpunt gesteld dat zij geen enkele betrokkenheid bij de drugs had. Deze zaten in dozen in de schuur die haar schoonzoon, die destijds twee weken bij haar verbleef, voor een kennis bewaarde, aldus [appellante] . Het hof overweegt allereerst dat de ontbinding in kwestie niet is gebaseerd op artikel 7:265 BW, maar op artikel 7:231 lid 2 BW, waarvoor een tekortkoming van [appellante] in de nakoming van de huurovereenkomst niet is vereist. Dit brengt ook mee dat het hof de gerechtvaardigdheid van deze (buitengerechtelijke) ontbinding niet kan toetsen aan de ‘tenzij-clausule’ van artikel 6:265 BW.

3.14.

Voorts faalt het beroep van [appellante] op artikel 8 EVRM. Daarbij neemt het hof het navolgende in aanmerking. Uit het proces-verbaal van verhoor van 16 maart 2016 blijkt dat [appellante] tegenover de politie heeft verklaard dat zij probeerde [de schoonzoon van appellante] [hof: haar schoonzoon] op het rechte pad te houden, dat haar dochter niet wilde samenwonen met [de schoonzoon van appellante] wanneer hij niet op het rechte pad was en dat [appellante] weet dat hij zich in het verleden moest laten testen op drugs in verband met zijn kinderen. Al zou [appellante] geen wetenschap of betrokkenheid hebben gehad bij de drugs, dan nog is het hof van oordeel dat het ontbreken van persoonlijke verwijtbaarheid van [appellante] niet zou maken dat er sprake is van onevenredigheid tussen het belang van Woonwenz bij ontbinding en ontruiming en het woonbelang van [appellante] , en ook niet dat de buitengerechtelijke ontbinding en de gevorderde ontruiming disproportioneel is. Het hof wijst er nogmaals op dat aannemelijk is dat de woning gebruikt werd in het kader van de handel in harddrugs en dat in de bestuursrechtelijke procedure onherroepelijk is beslist dat de burgemeester de woning voor zes maanden mocht sluiten. Dat [appellante] vanaf 1997 huurde bij (de rechtsvoorgangsters van) Woonwenz, een bijzondere binding met de woning had, financiële nadelen ondervindt door de ontbinding en ontruiming en net als haar middelste dochter (psychische) gezondheidsklachten heeft, maakt dit niet anders. Het hof heeft bij dit oordeel mede betrokken dat voor [appellante] en haar gezin mogelijkheden bestonden tot het vinden van vervangende woonruimte in de omgeving. Niet gebleken is dat de (financiële en gezondheids)situatie van [appellante] zodanig ernstig is dat van ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming had moeten worden afgezien.

3.15.

[appellante] heeft daarnaast aangevoerd dat de woning niet voor de schijn werd bewoond en dat zij ook gedurende de sluiting elk maand het huurbedrag heeft doorbetaald. Ook dit leidt niet tot een ander oordeel. In de overwegingen hierboven is het woonbelang van [appellante] reeds betrokken. Voorts volgt uit de wetsgeschiedenis niet dat artikel 7:231 lid 2 BW alleen kan worden toegepast in gevallen waarin de huurder geen verhaal meer biedt voor de huurpenningen.

3.16.

Ten slotte merkt het hof op dat de omstandigheid dat, zoals gesteld door [appellante] , de aanwezigheid van de drugs niet tot overlast in de buurt heeft geleid, aan het voorgaande niets afdoet. Door de enkele aanwezigheid van een dergelijke (handels)hoeveelheid drugs in een woning was de leefbaarheid van de wijk reeds in het geding. Ook de stelling van [appellante] dat zij enorm populair in de buurt is en de buurt achter haar staat, acht het hof onvoldoende relevant.

3.17.

Gelet op al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien falen de grieven 1 tot en met 3. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Voor zover [appellante] heeft aangeboden bewijsstukken over te leggen, had op haar weg gelegen dit eerder te doen.

3.18.

Ten aanzien van grief 4 overweegt het hof het volgende. Woonwenz heeft [appellante] aangesproken tot vergoeding van de schade die zij lijdt als gevolg van de sluiting van de woning. De schade is gelijk aan een bedrag van zes maanden huurpenningen die Woonwenz derft, aldus Woonwenz. In totaal vorderde zij € 3.703,45 aan schadevergoeding vermeerderd met rente. Woonwenz stelde dat de gemachtigde van [appellante] desgevraagd heeft laten weten dat [appellante] weigert deze schadevergoeding vrijwillig te betalen (inleidende dagvaarding, randnummer 20). In eerste aanleg heeft [appellante] ook betwist dat zij schadevergoeding verschuldigd was.

3.19.

Grief 4 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat schadevergoeding ter hoogte van zes maanden huurpenningen kan worden toegewezen. Blijkens de toelichting bij deze grief betwist [appellante] niet (meer) dat zij genoemd bedrag van € 3.703,45 verschuldigd was. Zij stelt evenwel dat zij iedere maand weer de huurpenningen betaalde.

3.20.

Naar het oordeel van het hof leidt deze grief niet tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep. Woonwenz had er belang bij dat in rechte werd vastgesteld dat zij aanspraak kon maken op schadevergoeding, nu [appellante] dat (in eerste aanleg) betwistte. Bovendien heeft de kantonrechter in zoverre rekening gehouden met de stelling van [appellante] dat beslist is dat de door haar reeds betaalde bedragen in mindering strekken op het verschuldigde bedrag.

3.21.

Ook grief 4 faalt derhalve. Bewijslevering is niet aan de orde.

Incidenteel hoger beroep

3.22.

Grief 1 van Woonwenz heeft betrekking op de vordering in reconventie van [appellante] . Deze vordering berust op een overeenkomst tussen [appellante] en (de rechtsvoorganger van) Woonwenz over waardevergoeding in verband met het aanbrengen van een berging door [appellante] . Deze overeenkomst houdt blijkens het daarvan door [appellante] overgelegde stuk van 17 maart 2010 (productie 7 bij de inleidende dagvaarding/productie bij de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep) in dat bij huurbeëindiging een vergoedingsregeling van toepassing is en dat de waarde van de verandering op het moment van aanbrengen is bepaald op € 4.865,-. Voorts is in dat stuk opgenomen dat op dit bedrag een afschrijving van 25 jaar van toepassing is, beginnend op de datum van huurbeëindiging.

3.23.

De kantonrechter heeft deze vordering niet geheel toegewezen, maar tot een bedrag van € 3.502,80. De kantonrechter heeft de afschrijving namelijk laten ingaan op 17 maart 2010, en niet op de datum van huurbeëindiging. De juistheid van die beslissing is in hoger beroep niet aan orde, nu [appellante] daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld. Het incidenteel hoger beroep strekt ertoe dat de vordering voor zover toegewezen alsnog (geheel of gedeeltelijk) wordt afgewezen. Zoals het hof tijdens het pleidooi heeft vastgesteld, beroept Woonwenz zich daarbij uitsluitend op het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW. Zij stelt dat het aan eigen toedoen van [appellante] te wijten is dat zij niet meer het volledige profijt kan hebben van haar investering. Dit dient daarom volgens Woonwenz voor [appellante] eigen rekening en risico te komen.

3.24.

Het hof volgt Woonwenz hierin niet. Aangenomen moet worden dat de berging nog steeds waarde heeft. De sluiting van de woning en de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst doen daar niet aan af. In voormeld stuk wordt ook geen uitzondering gemaakt voor het geval de huurbeëindiging aan [appellante] te wijten zou zijn. In de gegeven omstandigheden acht het hof het beroep op de vergoedingsregeling van [appellante] niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. In het midden kan blijven of er sprake is van ‘eigen schuld’ van [appellante] zoals Woonwenz stelt. Het hof passeert het algemene bewijsaanbod van Woonwenz.

3.25.

Grief 1 faalt dus. Bijgevolg moet ook de vordering van Woonwenz tot terugbetaling van het op grond van de toewijzing van de vordering in reconventie door haar aan [appellante] betaalde worden afgewezen.

3.26.

Volgens grief 2 heeft de kantonrechter ten onrechte de proceskosten in conventie en in reconventie gecompenseerd. Daartoe heeft Woonwenz (uitsluitend) aangevoerd dat de kantonrechter de vordering in reconventie niet had behoren toe te wijzen. Nu grief 2 aldus voortbouwt op grief 1 en grief 1 faalt, faalt grief 2 eveneens.

Slotsom

3.27.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep, en Woonwenz in de kosten van het incidenteel hoger beroep, zoals zij hebben gevorderd.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het principaal hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Woonwenz op € 716,- aan griffierecht en op € 3.222,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan deze proceskostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

veroordeelt Woonwenz in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 1.138,50 aan salaris advocaat;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, M.E. Smorenburg en J.W. Ponds en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 september 2019.

griffier rolraadsheer