Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3432

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
200.207.544_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:6812
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1419
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk.

Partijen strijden over vraag of het werk is opgeleverd en over het meer- en minderwerk.

Bewijsopdracht ten aanzien van het meer- en minderwerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer gerechtshof 200.207.544/01

(zaaknummer rechtbank Limburg zittingsplaats Roermond C/04/112076)

arrest van 17 september 2019

in de zaak van

[installatietechniek 1] -Installatietechniek B.V., als gevolg van een juridische fusie rechtsopvolger onder algemene titel van [de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna (in navolging van het bestreden vonnis): [appellante] ,

advocaat: mr. H.H.T. Beukers te Eindhoven,

tegen:

Coöperatieve Rabobank U.A., als gevolg van een juridische fusie rechtsopvolger onder algemene titel van Coöperatieve Rabobank Centraal Zuid-Limburg U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Rabobank

advocaat: mr. A.L. Stegeman te Heerlen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 maart 2017 hier over.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van 21 maart 2017;

- de memorie van grieven van de zijde van [appellante] van 8 augustus 2017 (met producties);

- de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel van Rabobank van 31 oktober 2017;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellante] van 16 januari 2018;

- akte uitlaten en overlegging producties in principaal en incidenteel appel van Rabobank van 27 februari 2018;

- antwoordakte van [appellante] van27 maart 2018.

1.3.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het (bestreden) vonnis van 13 juli 2016 aangezien deze in hoger beroep niet worden bestreden.

2.2.

Installatiebedrijf [installatiebedrijf] B.V., verder [installatiebedrijf] , en [appellante] hebben op 2 oktober 2007 een overeenkomst van onderaanneming gesloten. Daarbij heeft [installatiebedrijf] zich verbonden de in de overeenkomst nader omschreven werkzaamheden uit te voeren voor het door [appellante] als hoofdaannemer aangenomen project Providentia te [vestigingsplaats] , verder te noemen het project. Voor deze werkzaamheden is — met inbegrip van meer- en minderwerk naar aanleiding van bestek en tekeningen van 2 april 2007 — een aanneemsom van € 945.143,00 overeengekomen. De werkzaamheden betroffen het leveren en monteren van de cv-installatie en de mechanische ventilatie en de loodgieterswerkzaamheden ten behoeve van het project. [installatiebedrijf] heeft het werk verdeeld in twee fases. De eerste fase bestond uit 27 termijnen en omvatte aanvankelijk een bedrag van € 495.908,00. Blijkens de ondertekende verdeelstaten (bijlagen 3, 4, en 5 bij dagvaarding) is de aanneemsom voor fase 1 verhoogd tot € 502.140,00 (de post engineering is verhoogd tot € 30.000,00). De tweede fase omvatte aanvankelijk een bedrag van € 449.235,00 en dit is verlaagd tot afgerond € 443.000,- (de post engineering is verlaagd tot € 17.393,00, zie bijlage 13 pagina 2 en 3 bij de dagvaarding).

2.3.

[installatiebedrijf] is, ten tijde van de afronding van fase 1, op 10 oktober 2008 in staat van faillissement verklaard.

2.4.

De advocaat van [appellante] heeft bij brief van 28 oktober 2008 aan de curator van [installatiebedrijf] bevestigd dat de overeenkomst van onderaanneming niet door de curator zal worden nagekomen en dat de werkzaamheden door [appellante] of een derde zullen worden uitgevoerd. De kosten en schade daarvan zullen ter verificatie worden ingediend dan wel worden verrekend met de vordering van [installatiebedrijf] op [appellante] .

2.5.

Bij overeenkomst van 31 december 2002 heeft [installatiebedrijf] (onder meer) al haar vorderingen op derden aan Rabobank verpand en heeft zij zich (onder meer) verbonden vorderingen op derden die na ondertekening van de pandakte zullen ontstaan, en vorderingen die rechtstreeks zullen worden verkregen uit rechtsverhoudingen die na ondertekening van de pandakte zullen ontstaan, aan Rabobank te verpanden.

Dit pandrecht is geregistreerd op 14 januari 2003.

2.6.

In haar vonnis van 5 juni 2013 heeft de rechtbank Limburg het verweer van [appellante] verworpen dat Rabobank geen pandrecht toekomt. Bij arrest van 29 juli 2014 heeft dit gerechtshof die beslissing, met verbetering van gronden, bekrachtigd.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

Rabobank vordert uit hoofde van haar pandrecht de onbetaalde gefactureerde termijnen [factuur 1] , [factuur 2] , [factuur 3] , [factuur 4] en [factuur 5] van fase 1 tot een bedrag van € 152.580,00. Voorts vordert zij ter zake meerwerk in fase 1 voor niet gefactureerde werkzaamheden een bedrag van € 13.855,00. Voor niet gefactureerde werkzaamheden in fase 2 vordert zij het bedrag van € 23.625,00.

In totaal vordert Rabobank dus € 190.060,00 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente tot 15 augustus 2011 berekend op € 51.755,90 en vermeerderd met € 3.500,00 incassokosten, in totaal € 245.315,89. Zij vordert voorts de wettelijke handelsrente over € 190.060,00 vanaf 15 augustus 2011 tot de dag der gehele voldoening en veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

3.2.

[appellante] heeft verweer gevoerd. Zij erkent de facturen [factuur 1] , [factuur 2] en [factuur 3] van in totaal € 93.810,00 verschuldigd te zijn, maar betwist verschuldigdheid van de facturen [factuur 4] en [factuur 5] van in totaal € 58.770,00. Zij betwist meerwerk betreffende fase 1 verschuldigd te zijn en zij betwist dat enig werk is verricht in fase 2.

Zij stelt betreffende fase 1 uitgaven ter hoogte van € 130.660,10 te hebben gehad, waarvan zij betaling van [installatiebedrijf] verlangt. Met betrekking tot fase 2 stelt [appellante] schade te hebben geleden van € 135.532,00 omdat zij de werkzaamheden in deze fase voor meer geld aan een derde heeft moeten uitbesteden en zelf veel extra werk heeft moeten verrichten. Volgens [appellante] heeft zij aldus nog een vordering op [installatiebedrijf] van in totaal € 172.832,10 (€ 130.660,10 aan uitgaven voor fase 1 plus € 135.532,00 aan schade in fase 2 minus € 93.810,00 aan erkende facturen in fase 1).

3.3.

De rechtbank heeft bij vonnis van 13 juli 2016 de vorderingen van Rabobank gedeeltelijk toegewezen en een aantal door [appellante] opgevoerde verrekenposten (ter grootte van € 35.458,25) gehonoreerd. De rechtbank heeft [appellante] veroordeeld om aan Rabobank te betalen € 117.121,75 (€ 152.580,00,- minus € 35.458,25), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Aangezien partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, heeft de rechtbank de proceskosten gecompenseerd.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

in principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

[appellante] is van het vonnis van 13 juli 2016 in principaal hoger beroep gekomen en vordert afwijzing van de vorderingen van Rabobank en veroordeling van Rabobank tot terugbetaling van € 218.115,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2016 met veroordeling van Rabobank in de kosten van beide instanties en de nakosten eveneens vermeerderd met de wettelijke rente.

Rabobank heeft verweer gevoerd en tegen het vonnis van 13 juli 2016 incidenteel appel ingesteld. Rabobank vordert alsnog toewijzing van de vorderingen van Rabobank zoals gevorderd in eerste aanleg.

4.2.

In hoger beroep gaat het om de vraag of [appellante] de factuurbedragen (€ 58.770,00) van de facturen [factuur 4] en [factuur 5] aan Rabobank alsmede de bedragen van € 13.855,00 van € 23.625,00 (zie 3.1.) verschuldigd is en over de omvang van de tegenvordering van [appellante] op [installatiebedrijf] die kan worden verrekend met hetgeen Rabobank van [appellante] te vorderen heeft.

oplevering

4.3.

Grief 1 in principaal appel klaagt dat de rechtbank onder 2.15 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] fase 1 van het project, ter zake waarvan [installatiebedrijf] de facturen [factuur 4] en [factuur 5] heeft gestuurd, stilzwijgend heeft aanvaard, dat het werk als gevolg daarvan is opgeleverd en dat als gevolg daarvan de factuurbedragen opeisbaar zijn geworden. [appellante] meent dat € 58.770,- niet opeisbaar was, omdat het werk niet was opgeleverd.

4.4.

Het hof stelt het volgende voorop. [appellante] en [installatiebedrijf] hebben een overeenkomst gesloten die gekwalificeerd dient te worden als aanneming van werk. Uitgangspunt is dat ingevolge artikel 7:758 BW het werk als opgeleverd wordt beschouwd na de aanvaarding daarvan door de opdrachtgever. Indien de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert, wordt de opdrachtgever geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Over de vraag wat in dit verband onder een redelijke termijn moet worden verstaan, is in de memorie van toelichting (MvT, Kamerstukken II 1992/1993, 23095, p. 28) het volgende opgemerkt: “Welke termijn redelijk is, zal afhangen van de omstandigheden van het geval en van hetgeen ter zake gebruikelijk is. Voor werken die makkelijk gecontroleerd kunnen worden op het ogenblik van levering, kan die termijn kort zijn of zelfs ontbreken. Het werk is stilzwijgend aanvaard wanneer de opdrachtgever nalaat binnen een redelijke termijn het werk te aanvaarden of op een andere wijze te reageren”.

4.5.

[appellante] heeft het volgende betoogd. [installatiebedrijf] heeft het werk nooit opgeleverd. [installatiebedrijf] heeft nooit aangegeven dat het werk klaar was om opgeleverd te worden en [appellante] heeft geen termijn gekregen om het werk te aanvaarden. [appellante] betwist dat het werk behorende bij fase 1 op datum faillissement van [installatiebedrijf] (10 oktober 2008) aan haar opdrachtgever BAM was opgeleverd en dat BAM het werk behorende bij fase 1 opgeleverd heeft aan [het zorgcentrum] . [het zorgcentrum] had het werk tegenover haar opdrachtgever BAM niet goedgekeurd. Het werk is niet stilzwijgend aanvaard, doordat [het zorgcentrum] een deel van het werk in gebruik heeft genomen. De ingebruikname was noodzakelijk, in verband met benodigde woonruimte voor de bewoners, zodat dit onvoldoende is om aan te nemen dat oplevering heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft de ingebruikname plaatsgevonden door de hoofdopdrachtgever, [het zorgcentrum] die geen partij is bij de rechtsverhouding tussen [appellante] en [installatiebedrijf] . Het handelen van [het zorgcentrum] kan ook niet ingrijpen in de rechtspositie van [appellante] , aldus nog steeds [appellante] . Daar komt bij dat op grond van art. 21.4 van de tussen [appellante] en [installatiebedrijf] overeengekomen Algemene Inkoopvoorwaarden (productie 1 bij conclusie van antwoord) oplevering slechts na schriftelijke goedkeuring kan plaatsvinden. De deelopleveringen waarvoor de facturen [factuur 4] en [factuur 5] door [installatiebedrijf] zijn gestuurd zijn niet door [appellante] goedgekeurd. [appellante] heeft de procentuele verdeelstaten niet ondertekend, omdat het bijbehorende werk niet naar behoren was afgerond. Uit art. 23.1 sub a van de toepasselijke Algemene Inkoopvoorwaarden blijkt dat de deelbetalingen pas hoeven plaats te vinden nadat de deeloplevering door de opdrachtgever schriftelijk zijn goedgekeurd. De deelleveringen zijn niet goedgekeurd en oplevering heeft dus niet plaatsgevonden, aldus nog steeds [appellante] .

4.6.

Voorop staat dat Rabobank dient te stellen en bij gemotiveerde betwisting door [appellante] te bewijzen dat het werk waarop de facturen [factuur 4] en [factuur 5] betrekking hebben, is opgeleverd. Rabobank heeft betoogd dat kort na de vooroplevering de oplevering van fase 1 heeft plaatsgevonden. Rabobank heeft hiervoor verwezen naar een concept proces-verbaal van oplevering in de driehoeksverhouding [het zorgcentrum] , BAM en [appellante] van 30 september 2008 (productie 1 memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel). [het zorgcentrum] heeft het werk voor het faillissement van [installatiebedrijf] op 10 oktober 2008 in gebruik genomen. Die oplevering aan en ingebruikneming door [het zorgcentrum] , betekent dat er ook in de verhouding tussen [installatiebedrijf] en [appellante] van oplevering sprake is, in die zin dat [installatiebedrijf] haar werk (aan fase 1) heeft voltooid en aan [appellante] ter beschikking heeft gesteld, aldus Rabobank.

4.7.

Het hof overweegt als volgt. In de tussen partijen gesloten overeenkomst van onderaanneming van 2 oktober 2007 is met betrekking tot de oplevering van het werk niets overeengekomen. In de overeenkomst wordt verwezen naar de Algemene Inkoopvoorwaarden van [appellante] Installatietechniek. Artikel 21.4 bepaalt over de oplevering:

“Oplevering wordt geacht te hebben plaatsgevonden na schriftelijke bevestiging van goedkeuring door opdrachtgever en diens principaal. Tot dat moment verblijft het risico bij OPDRACHTNEMER.”

De laatste door partijen voor akkoord getekende procentuele verdeelstaat is van 29 augustus 2008 (productie 5 bij de inleidende dagvaarding). Daaruit blijkt dat het werk voor 85,95% gereed was. Verder staat vast dat op 4 september 2008 de vooroplevering van blok 3 heeft plaatsgevonden en op 29 september 2008 de vooroplevering van blok 1. Bij deze vooroplevering zijn gebreken geconstateerd waarvan een deel voor rekening van [installatiebedrijf] kwam (zie productie 6 en 7 bij conclusie van antwoord).

4.8.

Het hof constateert dat het door Rabobank overgelegde proces-verbaal van oplevering van 30 september 2008 (productie 1 memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel) door partijen niet is ondertekend. Rabobank geeft ook aan dat dit een concept betreft. Dat het werk ook daadwerkelijk aan [het zorgcentrum] is opgeleverd wordt door [appellante] betwist. Partijen twisten ook over de vraag welke (herstel)werkzaamheden [installatiebedrijf] nog heeft uitgevoerd in de periode tussen de vooroplevering en ingebruikname. Bewijsstukken waaruit blijkt welke punten er nog openstonden ten tijde van de ingebruikname worden door [appellante] echter niet overgelegd. Hoe dit verder ook zij, tussen partijen staat wel vast dat [het zorgcentrum] de blokken 1 en 3 vóór 10 oktober 2008 en dus voor het faillissement van [installatiebedrijf] in gebruik heeft genomen. Kennelijk waren de op dat moment nog openstaande opleverpunten niet van dien aard dat ze aan de ingebruikneming in de weg stonden. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat het project een bejaardencentrum betrof en dat de blokken 1 en 3 door de bewoners van een zorgcentrum werden bewoond. Mocht er geen oplevering hebben plaatsgevonden, zoals [appellante] betoogt maar door Rabobank wordt betwist, dan heeft [het zorgcentrum] door de ingebruikname het werk van BAM in elk geval stilzwijgend aanvaard. Dat [het zorgcentrum] het werk immers enkel in gebruik heeft genomen omdat dit noodzakelijk is, is – gezien de gemotiveerde betwisting van Rabobank – niet gebleken. Deze oplevering tussen [het zorgcentrum] en BAM als hoofdaannemer van het project werkt in het onderhavige geval ook door in de verhouding tussen onderaannemer [appellante] en onder-onderaannemer [installatiebedrijf] . Het werk van [installatiebedrijf] betrof, zoals onder 2.2 weergegeven, onder andere het leveren en monteren van de cv-installatie en loodgieterswerkzaamheden bestaande uit onder andere (zo volgt uit de overgelegde procentuele verdeelstaten productie 3-5 bij dagvaarding en de e-mails van de vooroplevering producties 6 en 7 bij conclusie van antwoord) het aanleggen van waterleidingen van de keuken en het installeren van het toilet en badkamer. Met het bewonen van de appartementen werd ook het werk van [installatiebedrijf] in gebruik genomen. In aanmerking nemende, ten slotte, dat dit werk van [installatiebedrijf] behoort tot het door [het zorgcentrum] /BAM als opgeleverd aangemerkte werk van [appellante] , komt het hof tot het oordeel dat ook [appellante] het werk van [installatiebedrijf] in elk geval stilzwijgend heeft aanvaard ten aanzien van de facturen [factuur 4] en [factuur 5] , zodat deze opeisbaar zijn. Dat partijen zijn overeengekomen dat [appellante] schriftelijk goedkeuring dient te verlenen voor de oplevering, doet daar niet aan af. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit de lijsten van nog te verrichten werkzaamheden na de vooroplevering blijkt dat het vooral ging om kleinere opleverpunten, waarna nog werkzaamheden zijn verricht en welke opleverpunten ten tijde van de feitelijke ingebruikname niet langer in de weg stonden aan de ingebruikname van blok 1 en 3. De grief faalt.

4.9.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat Rabobank terecht aanspraak heeft gemaakt op betaling van de facturen [factuur 4] en [factuur 5] zijnde € 58.770,-. Of dit bedrag/deze facturen reeds door verrekening zijn betaald wordt hierna beoordeeld.

Verrekenposten

4.10.

Met grief 2 in principaal appel en de grieven 2 tot en met 6 in incidenteel appel komen partijen op tegen de (gedeeltelijke) toe- en afgewezen verrekenposten van [appellante] door de rechtbank.

het bestek

4.11.

[appellante] baseert haar te verrekenen posten op het bestek van 2 april 2007. Rabobank voert onder meer als verweer aan dat dit bestek enkel geldt in de driehoeksverhouding opdrachtgever [het zorgcentrum] , aannemer BAM en hoofd installateur [appellante] . Het hof deelt die opvatting van Rabobank niet. In de overeenkomst van onderaanneming staat immers op pagina 2:

“Voor de omvang van de opgedragen werkzaamheden is de aanvraag van de hoofdaannemer bepalend bestaande uit de navolgende bescheiden:

  • -

    bestek en tekeningen [raadgevende ingenieurs] Raadgevende Ingenieurs B.V. met code [code] d.d. 2 juni 2006

  • -

    detailtekeningen [appellante] [detailtekening 1] en [detailtekening 2] d.d. 14.02.2007, [detailtekening 3] en [detailtekening 4] d.d. 28-02-2007(…)

  • -

    Bestek en tekeningen [raadgevende ingenieurs] Raadgevende Ingenieurs B.V. met code [code] d.d. 2 april 2007

  • -

    officiële aanvraag digitaal d.d. 23 april 2007 met A.I.O.V. koninklijke BAM [nummer 1] , mechanische ventilatie [nummer 2] en elektrische installatie [nummer 3] allen d.d. 10-03-2006group N.V. versie 4 mei 2006 en productspecificatie loodgieterswerk [nummer 4] , centrale verwarmingsinstallatie [nummer 5] , mechanische ventilatie [nummer 2] en elektrische installatie [nummer 3] allen d.d. 10-03-2006.

  • -

    besteksaanwijzing werktuigbouwkundige installaties nr. [bestekaanwijzing] d.d. 4-5-2007

  • -

    besprekingen d.d. 24-8; 31-08, 6-9 en 12-09-2007 ten kantore van [appellante] . “

In de overeenkomst van onderaanneming is integraal verwezen naar het bestek van 2 april 2007 en niet enkel naar bepaalde passages in het bestek. Uit het bovenstaande volgt dan ook dat het gehele bestek, dus inclusief de technische en administratieve besteksbepalingen, onderdeel uitmaakt van de overeenkomst tussen [appellante] en [installatiebedrijf] naast de in overeenkomst van onderaanneming opgesomde bescheiden. Het hof zal met in achtneming hiervan de verrekenposten beoordelen.

Post 1: minderwerk Uvides van € 6.347,25

4.12.

Grief 2 in incidenteel appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank onder 2.23 van het bestreden vonnis. Rabobank betoogt ten aanzien van post 1 dat de rechtbank ten onrechte de door [appellante] opgevoerde verrekenpost terzake de ontbrekende UV-units heeft toegewezen.

4.13.

Het hof stelt het volgende voorop. In het door [appellante] overgelegde bestek van 2007 staat op pagina 76 ten aanzien van de UV-installatie (Ultra Violet installatie voor de reiniging van leidingwater) vermeld:

Ultra Violet installatie.

Ter voorkoming van besmetting van het tapwatersysteem door de legionellabacterie dient direct achter de watermeter van blok 1 een UV-installatie te worden geleverd en gemonteerd:

Omschrijving UV-C installatie:

Een installatie met een maximaal debiet van 24 m³/h voor een 12 log reductie van legionella, waarvan de back-up capaciteit 4 m³/h bedraagt.

De UV-C installatie dient te bestaan uit 6 parallel geschakelde modules van 80 Watt, totaal capaciteit 24 m³/h. De modules dienen te zijn voorgemonteerd op een

stalen frame. Elke module dient te zijn voorzien van een 20 inch sediment filterunit van 1 Mu, een UV sensor, een magneetklep, diverse afsluiters en een, temperatuursensor. Elke module dient voorzien te zijn van een eigen elektronische controle unit die de integriteit van het systeem bewaakt. De totale installatie dient aangesloten te kunnen worden op een GBS systeem.

De installatie dient verder voorzien zijn van een noodstroomvoorziening met een autonomietijd van 4 uur. De noodstroomvoorziening dient compleet met frame en accu's te worden geleverd.”

4.14.

Uit het bestek 2007 volgt dus dat er één UV-installatie wordt gemonteerd en dat deze UV-installatie dient te bestaan uit 6 units.

Rabobank heeft gesteld dat [appellante] en [installatiebedrijf] in afwijking van het bestek van 2006 zijn overeengekomen dat de blokken op één hoofdwaterleiding zouden worden aangesloten en dat er dan ook maar 3 UV-units nodig zijn. Volgens Rabobank is dit ten onrechte niet in het bestek van 2007 aangepast. Op Rabobank, die zich beroept op de rechtsgevolgen van de tussen partijen gemaakte afspraak, ligt de stelplicht en bij voldoende gemotiveerde betwisting de bewijslast om aan te tonen wat partijen zijn overeengekomen omtrent de UV-units.

4.15.

Ter onderbouwing van haar stelling dat in het bestek 2007 ten onrechte het aantal UV-units niet is aangepast, wijst Rabobank op post 15 betreffende het meer- en minderwerk in de overeenkomst van onderaanneming (productie 1 bij dagvaarding). Post 15 betreft “vervallen hoofdwaterleiding naar blok 2 en 3” voor € 2.685,-. Voor de onderbouwing van het bedrag wijst Rabobank op de e-mail van 23 oktober 2015 van [installatiebedrijf] aan de advocaat van Rabobank. Daarin wordt aangegeven dat het bedrag van € 2.685,- is opgebouwd uit de volgende componenten:

Minderwerk Uvidis € 5.200-

Minderwerk kleinere hydrofoor voor blok 1 € 3.000,-

Minderwerk waterleiding naar blok 2 en 3 € 3.635,-

Meerwerk 3 legionella handboeken ipv 1 € 1.700,-

Meerwerk legionella monsters € 3.000,-

Meerwerk 3 aanvragen bij WML ipv 1 € 1.600,-

Meerwerk tekenwerk € 1.450,-

Meerwerk engineering € 1.400,-

Totaal minderwerk € 2.685,-“

Zonder nadere toelichting die niet is gegeven, kan het hof hieruit niet opmaken dat de drie ontbrekende units in het minderwerk zijn verdisconteerd. Een dergelijke afspraak blijkt in elk geval niet uit de hiervoor weergegeven e-mail. [appellante] heeft in dat verband nog gesteld dat het “minderwerk waterleiding naar blok 2 en 3” enkel ziet op de leidingen en niet op de niet meer te leveren UV-units. Ook uit de brief van 9 september 2008 van [installatiebedrijf] aan [appellante] alsmede de procentuele verdeelstaat van 29 augustus 2008 blijkt niet dat zij zijn overeengekomen dat minder UV-units zouden worden geleverd. [appellante] heeft immers gesteld dat zij [installatiebedrijf] direct heeft aangesproken nadat zij ontdekte dat de UV-installatie slechts drie UV-units bevatte. Volgens [appellante] is vervolgens met [installatiebedrijf] overeengekomen dat er vier UV-units geleverd en gemonteerd zouden worden. Het hof kan Rabobank dan ook niet volgen in haar stelling dat het volstrekt logisch is dat met het vervallen van de twee hoofdwaterleidingen er slechts vier UV-units nodig zijn en dat dit reeds in de overeenkomst besloten lag. Indien het betoog van Rabobank dat twee hoofdwaterleidingen van de drie zijn vervallen juist is, zou het in de reden hebben gelegen dat volstaan kon worden met twee UV-units in plaats van zes UV-units. Nu Rabobank echter uitdrukkelijk bewijs aanbiedt van het feit dat in de post minderwerk de drie ontbrekende UV-units zijn verdisconteerd zal het hof Rabobank toelaten tot dat bewijs. De beslissing op grief 2 in incidenteel appel wordt aangehouden.

Post 8 : verkeerde UV-installatie van € 910,-

4.16.

Post 8 hangt samen met post 1. Volgens [appellante] heeft zij extra kosten moeten maken doordat [installatiebedrijf] een verkeerde UV-installatie heeft geleverd. [appellante] voert aan dat de rechtbank in punt 2.37 van het vonnis ten onrechte verrekenpost 8 ten aanzien van de kosten die zijn gemaakt naar aanleiding van het leveren van een verkeerde UV-installatie heeft afgewezen.

4.17.

Het hof stelt het volgende voorop. Zoals hiervoor bij post 1 reeds overwogen blijkt uit het bestek dat de UV-installatie zes UV-units diende te bevatten. [installatiebedrijf] heeft een UV-installatie geleverd met drie units. [appellante] stelt dat [installatiebedrijf] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en vordert de schade die zij daardoor leidt. Rabobank betwist dat [installatiebedrijf] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. Volgens Rabobank waren partijen al voor het sluiten van de overeenkomst overeengekomen dat niet zes maar drie UV-units voldoende waren en zijn de kosten die [appellante] bij [installatiebedrijf] in rekening brengt het gevolg van gebrekkige communicatie tussen [appellante] en haar opdrachtgever. [appellante] heeft betwist dat partijen overeengekomen zijn dat er maar drie UV-units geleverd zouden worden. Hiervoor is reeds overwogen dat op Rabobank de bewijslast rust dat [appellante] en [installatiebedrijf] zijn overeengekomen dat volstaan kon worden met minder UV-units en dat Rabobank wordt toegelaten tot het leveren van dat bewijs. Indien Rabobank slaagt in dit bewijs, is geen sprake van een tekortkoming in de nakoming en moet post 8 afgewezen worden. Indien Rabobank niet slaagt in dat bewijs, moet worden beoordeeld of de gestelde schade ad € 910,- een gevolg is van de wanprestatie van [installatiebedrijf] . Partijen kunnen zich daarover bij akte na bewijslevering uitlaten.

Post 2 : Kostenovername fase 2 € 6.347,25

4.18.

[appellante] betoogt dat de rechtbank onder 2.24 en 2.25 van het bestreden vonnis ten onrechte verrekenpost 2 in verband met de afronding van fase 2 heeft afgewezen. Post 2 heeft betrekking op werkzaamheden (technische reiniging, spoelen, etc.) die nodig waren om de UV-installatie in gebruik te kunnen nemen. Dit betreft een bedrag van € 4.788,- dat aan Uvidis is betaald, alsmede montage- en tekenkosten. Volgens [appellante] ligt het in de rede dat de kosten voor gereedmaking voor ingebruikname van de UV-installatie, voor zover betrekking hebbende op de blokken 1 en 3, onderdeel uitmaken van de aanneemsom voor fase 1. Dit betekent dat de kosten waarop verrekenpost 2 betrekking heeft voor twee derde deel zijn inbegrepen in de aanneemsom voor fase 1 (twee van de drie blokken), zodat [appellante] twee derde deel door de tekortkoming van [installatiebedrijf] tweemaal heeft betaald en als schade kan verhalen op [installatiebedrijf] en kan verrekenen met hetgeen zij aan Rabobank als pandhouder is verschuldigd, aldus [appellante] .

4.19.

Het hof overweegt als volgt. [appellante] stelt dat de kosten voor gereedmaking voor ingebruikname voor zover betrekking hebbende op de blokken 1 en 3 onderdeel uitmaakten van de aanneemsom van fase 1. Rabobank heeft – zij het voor het eerst in hoger beroep – gesteld dat in beide fasen gereinigd diende te worden. In fase 2 hoefde enkel het leidingwerk te worden gereinigd en niet de installatie omdat deze werkzaamheden bij fase 1 hoorden. Rabobank heeft gesteld dat de reiniging van de UV-installatie in fase 1 is uitgevoerd en verwijst daarvoor naar de facturen van Uvidis (productie 26 conclusie van repliek). [appellante] heeft op deze stellingen niet meer kunnen reageren, nu enkel nog een memorie van antwoord in het incidenteel appel door haar is genomen. Een en ander neemt niet weg dat [appellante] haar stelling dat zij betalingen heeft gedaan voor reinigingswerk aan de UV-installatie, terwijl die werkzaamheden verdisconteerd waren in de betaalde aanneemsom voor fase 1 onvoldoende heeft onderbouwd. Vaststaat immers dat de UV-installatie ten behoeve van blok 1 en 3 in gebruik is genomen en dat sprake moet zijn geweest van adequate gereedmaking en reiniging van de installatie van die blokken. Het hof wijst de verrekening van deze post dan ook af.

Post 3: Overname fase 1 € 7.966,-

4.20.

[appellante] betoogt dat de rechtbank in de punten 2.26 tot en met 2.28 van het bestreden vonnis de verrekenpost met betrekking tot de kosten van de overname dan wel afronding van fase 1 ten onrechte heeft afgewezen. [appellante] voert aan dat [installatiebedrijf] tekort is geschoten ten aanzien van de volgende verplichtingen:
- er was geen legionella-beheersplan voor de volledige inrichting geleverd door [installatiebedrijf] (€ 850, ex btw);
- er was geen accu voor de noodstroomvoorziening geleverd (€ 600,-- ex btw);
- kosten van één jaar onderhoud aan de UV-installatie (€ 5.160,-- ex btw).

4.21.

Het hof stelt het volgende voorop. In het bestek van 2 april 2007 staat op pagina 9 onder de administratieve bepalingen dat in aanvulling of wijziging van de artikelen omschreven in de U.A.V.:

Artikel 9 Instructie en opneming

  1. (…)

  2. Opneming.

Aan het eind van de werkzaamheden wordt door de directie een opneming van de installatie uitgevoerd.

Tijdens de opneming wordt een technische controle van het voltooide werk uitgevoerd en worden, door de directie goedgekeurde opleveringsbescheiden in conceptvorm getoond. De opleveringsbescheiden zijn:

a. a) Een handleiding met tekeningen voor de bediening en het onderhoud, waaruit de functie van de onderdelen van het werk duidelijk moet blijken.

b) Een stel afdrukken (totale bouw) van de definitieve revisietekeningen en schema's, samengebundeld in een ordner (ook met eventuele wijzigingen als gevolg van koperswensen) in tweevoud.

(…)

g) Complete risico analyse m.b.t. legionella beheersing inclusief een beheersplan met bijbehorend logboek;

h) Legionella vrij verklaring.

De sub a, c en h genoemde bescheiden samen te bundelen in een ordner.

Aan de opneming behoort te worden deelgenomen door:

Opdrachtgever, adviseur en de installateur. Tijdens deze opneming wordt de definitieve datum van oplevering door de directie bepaald.”

Op pagina 76 van het bestek bepaalt artikel 6.9 verder onder het kopje “Ultra Violet Installatie”:

(…)“

De installatie dient verder voorzien zijn van een noodstroomvoorziening met een autonomietijd van 4 uur. De noodstroomvoorziening dient compleet met frame en accu's te worden geleverd.

(…)

Door de aannemer van dit richtlijnenbestek dient een beheersplan te worden opgesteld inclusief bijbehorende logboek.

(…)

Tot de werkzaamheden van dit bestek behoort tevens een onderhoudscontract voor

de bovengenoemde installatie voor de duur van bet eerste jaar (e.e.a. conform opgave UVIDIS). Door middel van bet onderhoudscontract dient een garantie te worden gegeven op het legionellavrij houden van de installatie. Indien doch legionella wordt aangetroffen gedurende de looptijd van bet onderhoudscontract dient de installatie kosteloos te worden gereinigd.”

4.22.

Partijen strijden over de vraag of [installatiebedrijf] verplicht was: (i) ten aanzien van blok 3 waar zich geen UV-installatie bevond een legionella beheersplan op te stellen en te leveren, (ii) een extra accu voor noodstroom moest leveren en (iii) een jaar onderhoudswerkzaamheden moest bieden.

Ten aanzien van het legionella beheersplan (i) staat vast dat in het bestek staat dat een beheersplan opgesteld dient te worden. Rabobank heeft onbetwist gesteld dat [installatiebedrijf] voor de UV-installatie in fase 1 een legionella beheersplan heeft opgesteld. De vraag is of [installatiebedrijf] had moeten begrijpen dat ook voor blok 3 apart een legionella beheersplan diende te worden opgesteld ook al is daar geen UV-installatie aanwezig. Het hof is van oordeel dat in het licht van de gemotiveerde betwisting van Rabobank [appellante] haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Uit het bestek van 2 april 2007 blijkt niet dat door [installatiebedrijf] voor elk blok apart een legionella beheersplan moest worden opgesteld. Wel staat onder het kopje Ultra Violet Installatie dat een beheersplan dient te worden opgemaakt. Deze werkzaamheden zijn door [installatiebedrijf] ook verricht. Voor zover al uit artikel 38 van het Drinkwaterbesluit valt op te maken dat het door [installatiebedrijf] opgesteld legionella beheersplan niet voldoende is voor de inrichting, blijkt daaruit niet dat het opstellen van dit beheersplan voor blok 3 aan [installatiebedrijf] is opgedragen. Ook de verklaringen van [getuige 2] en [medewerker van raadgevende ingenieurs] (productie 51 en 52 memorie van grieven) brengen hierin geen verandering aangezien daaruit niet valt af te leiden dat deze werkzaamheden aan [installatiebedrijf] opgedragen zijn. De verrekenpost in verband met het gestelde ontbrekende legionella beheersplan wordt afgewezen.

Ten aanzien van de accu voor noodstroom (ii) heeft [appellante] gesteld dat [installatiebedrijf] een UV-installatie heeft achtergelaten zonder accu voor noodstroom. Het hof overweegt hierover het volgende. Partijen zijn overeengekomen dat de installatie voorzien dient te zijn van een noodstroomvoorziening met accu’s, zo blijkt uit pagina 76 van het bestek (zoals hiervoor onder 4.21 weergegeven). [getuige 2] heeft hierover verklaard (productie 51 bij memorie van grieven):

“De ontbrekende accu voor de UV-installatie was nodig omdat door [installatiebedrijf] in eerste instantie drie UV-modules waren geleverd in plaats van de 6 UV-modules uit het bestek. Na de nodige discussie is overeenstemming bereikt om 4 UV-modules te plaatsen. De extra UV-module is door [installatiebedrijf] geleverd zonder back-up accu. Wij hebben deze later in fase 2 dus alsnog moeten leveren. Van een extra accu was geen sprake. Zonder de accu was de UV-installatie met vier modules gewoon niet compleet.”

Ook Rabobank erkent dat de accu voor de noodstroomvoorziening nodig was voor de UV-installatie met vier units. Zoals hiervoor (onder 4.13) overwogen blijkt uit het bestek dat de UV-installatie aanvankelijk zes units moest bevatten. Uiteindelijk is een UV-installatie met vier units geplaatst. Het hof wijst de stelling van Rabobank dat sprake is van meerwerk af. Uit het bestek blijkt immers dat de accu voor noodstroom voor de volledige UV-installatie (dus met zes units) tot het aan [installatiebedrijf] opgedragen werk behoorde. Het hof wijst de verrekenpost van € 600,- toe zijnde het bedrag dat [appellante] heeft betaald voor een noodaccu.

De post ten aanzien van de onderhoudskosten (iii) wijst het hof af. Rabobank heeft betwist dat deze werkzaamheden aan [installatiebedrijf] waren opgedragen. Zowel uit het bestek als uit de overeenkomst van onderaanneming blijkt niet dat [installatiebedrijf] verplicht was deze werkzaamheden te verrichten. Deze post wordt derhalve afgewezen.

Post 4 : interne kosten

4.23.

Zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep (grief 3) wordt opgekomen tegen post 4 betreffende de interne kosten. In principaal appel betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte in punt 2.33 van het vonnis heeft overwogen dat een bedrag aan 'extra kosten' (zijnde interne kosten) ten bedrage van € 1.152,- niet voor vergoeding in aanmerking komt. In incidenteel appel wordt door Rabobank betoogd dat de rechtbank ten onrechte de door [appellante] opgevoerde verrekenpost van € 4.650,- wegens kosten die aan [installatietechniek 2] zijn betaald, heeft toegewezen.

4.24.

Het hof overweegt ten aanzien van de kosten van € 4.650,- als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [installatiebedrijf] [installatietechniek 2] inschakelde voor het maken van foto’s van brandkleppen, het inregelen van de ventilatie installatie en het maken van inregelrapporten en dat [installatietechniek 2] de gemaakte foto’s en het inregelrapport niet aan [installatiebedrijf] heeft afgegeven. [appellante] heeft gesteld dat zij kosten heeft moeten maken om de foto’s alsnog van [installatietechniek 2] in ontvangst te mogen nemen. Zij wijst daarvoor naar de factuur van [installatietechniek 2] (overgelegd als productie 12a bij conclusie van antwoord). In het licht van deze stellingen heeft [installatiebedrijf] onvoldoende betwist dat [appellante] heeft moeten betalen voor afgifte van de foto’s en rapporten aan haar. Daarnaast heeft Rabobank gesteld dat [appellante] haar schade niet heeft beperkt en dat € 4.650,- een te hoog bedrag is voor foto’s en rapporten. Het hof overweegt dat nu beide partijen hebben aangevoerd dat de foto’s niet opnieuw gemaakt konden worden omdat de foto’s alleen gemaakt kunnen worden als de leidingen nog open liggen, Rabobank onvoldoende heeft onderbouwd hoe [appellante] haar schade anders had moeten beperken dan door met [installatietechniek 2] te onderhandelen over een prijs voor de foto’s. Rabobank heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [appellante] een lager bedrag had kunnen bedingen van of afdwingen bij [installatietechniek 2] . Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank deze kosten terecht heeft toegewezen. Grief 3 in incidenteel appel faalt.

4.25.

De grief in principaal appel slaagt niet. [appellante] heeft gesteld dat de rechtbank de gevorderde interne kosten van € 1.152,- ten onrechte heeft afgewezen. Hoewel [appellante] terecht opmerkt dat de rechtbank onder 2.33 ten onrechte verwijst naar overweging 2.46, leidt dit niet tot vernietiging van het vonnis. Kennelijk heeft de rechtbank bedoeld te verwijzen naar het vonnis onder 2.49. In die overweging heeft de rechtbank aan [appellante] een bedrag toegewezen van € 10.000,- voor de door [appellante] als gevolg van het faillissement van [installatiebedrijf] gemaakte kosten wegens extra werk. Ook het hof zal met deze post rekening houden bij de vaststelling van het hierna onder 4.42 toe te wijzen bedrag.

Post 5 : onder druk zetten van de waterleiding € 667,-

4.26.

[appellante] klaagt dat de rechtbank onder punt 2.34 van het vonnis verrekenpost 5 ten onrechte heeft afgewezen met de overweging dat het onder druk zetten van de waterleiding niet (tegen betaling) door [installatiebedrijf] aan [appellante] was opgedragen.

4.27.

Het hof overweegt als volgt. Rabobank betwistte reeds in eerste aanleg (CvR onder 52) dat [installatiebedrijf] de waterleiding niet zelf onder druk heeft gezet. Rabobank heeft onbetwist gesteld [installatiebedrijf] met negen man op de locatie aanwezig was om het werk te doen. Rabobank erkent dat medewerkers van [appellante] bij deze werkzaamheden aanwezig waren om de locatie toegankelijk te maken en dat deze werkzaamheden in de avonduren zijn uitgevoerd. Voor zover [appellante] heeft bedoeld dat de werkzaamheden door [installatiebedrijf] niet zijn uitgevoerd, is deze stelling gezien de gemotiveerde betwisting van Rabobank onvoldoende onderbouwd. Voor zover [appellante] in haar conclusie van antwoord (onder 55 e.v.) nog heeft aangevoerd, wat overigens door Rabobank is betwist, dat haar medewerkers [installatiebedrijf] hebben geholpen met het onder druk zetten van de waterleiding dan wel de werkzaamheden hebben overgenomen, maakt dat niet dat [installatiebedrijf] daardoor verplicht werd [appellante] te betalen. Niet gesteld of gebleken is dat partijen daar afspraken over gemaakt hebben. Het hof ziet dan ook geen reden om de door [appellante] gevorderde kosten toe te wijzen.

Voor zover [appellante] de kosten voor haar medewerkers vordert omdat de werkzaamheden in de avonduren hebben plaatsgevonden heeft [appellante] onvoldoende aangetoond dat deze kosten voor rekening van [installatiebedrijf] komen. Niet gebleken is dat de werkzaamheden tijdens kantooruren dienden plaats te vinden en dat [installatiebedrijf] anders kosten verschuldigd was. Ook uit de brief van 17 september 2008 waarnaar [appellante] verwijst (productie 13b bij conclusie van antwoord) volgt dit niet.

Op grond van het bovenstaande wijst het hof deze verrekenpost af.

Post 6: keerkleppen van €2.857

4.28.

[appellante] voert aan dat de rechtbank verrekenpost 6 met de in punt 2.35 van het vonnis gegeven motivering ten onrechte heeft afgewezen. [appellante] heeft gesteld dat in de waterinstallatie de keerkleppen ontbraken. Volgens [appellante] blijkt uit pagina 76 en 81 van het bestek dat de keerkleppen wel tot het bestek behoorden, zodat deze post alsnog toegewezen dient te worden.

4.29.

Het hof overweegt als volgt. Rabobank heeft de stelling van [appellante] niet voldoende gemotiveerd betwist. Uit het feit dat de installatie op 10 oktober 2008 al in gebruik werd genomen en de bewoners water hadden, zoals door Rabobank gesteld, blijkt niet dat in de installatie ook de in het bestek vermelde keerkleppen aanwezig waren. [appellante] heeft betoogd dat ze pas na het faillissement van [installatiebedrijf] heeft opgemerkt dat de keerkleppen ontbraken. Dat de keerkleppen in de installatie aanwezig moesten zijn blijkt uit het bestek, dat zoals hiervoor onder 4.11 opgemerkt onderdeel uitmaakt van de onderaannemingsovereenkomst tussen [appellante] en [installatiebedrijf] . Op pagina 75 van het bestek, dat ziet op de koud- en warmtapwaterinstallatie, staat dat er een drukverhogingsinstallatie dient te worden geleverd en gemonteerd voorzien van onder andere “Manometers, Kiwa gekeurde afsluiters- en keerkleppen”. Ook bij de technische specificatie worden op pagina 76 van het bestek de afsluiters- en keerkleppen genoemd. Op pagina 81 van het bestek wordt bij de omschrijving van de overige toestellen bij de tapkraancombinatie “verchroomde keerkleppen” genoemd. De stelling van Rabobank dat het om meerwerk gaat, verwerpt het hof nu Rabobank dit onvoldoende heeft onderbouwd. In het bestek is immers opgenomen dat het aanbrengen van keerkleppen tot de werkzaamheden van [installatiebedrijf] behoorde en [getuige 2] (productie 51 bij memorie van grieven) heeft verklaard dat uit het legionellabeheersplan blijkt dat de keerkleppen ontbreken. Het hof wijst deze verrekenpost toe, zodat € 2.857,- voor verrekening in aanmerking komt.

Post 9 : minderwerk sanitair van € 30.000,-

4.30.

[appellante] voert aan dat de rechtbank in punt 2.38 van het vonnis verrekenpost 9 betrekking hebbende op minderwerk voor het bemonsterd sanitair ten onrechte heeft afgewezen. In de kern gaat het bij deze post om de vraag op welke moment duidelijk was welk sanitair de opdrachtgever wilde hebben en of dit minderwerk al in de aanneemsom tussen [appellante] en [installatiebedrijf] was meegenomen.

4.31.

Het hof stelt het volgende voorop. Op de pagina’s 78 tot en met 81 van het bestek is beschreven waaruit het door [installatiebedrijf] te leveren en installeren sanitair moest bestaan. Uit het bestek blijkt dat voor het sanitair door de installateur een bemonstering diende te worden overhandigd en dat op het bouwterrein een monsterhoek zou worden ingericht. [het zorgcentrum] heeft uiteindelijk minder en/of minder kostbare producten uitgekozen.

4.32.

Op basis van het faxbericht van [installatiebedrijf] van 11 juni 2008 heeft [appellante] zich op het standpunt gesteld dat ter zake van het sanitair sprake is van minderwerk van € 30.000,-. Rabobank heeft dit gemotiveerd betwist. Volgens Rabobank was bij het aangaan van de overeenkomst tussen [appellante] en [installatiebedrijf] al duidelijk welk sanitair de opdrachtgever exact wilde hebben. Rabobank verwijst naar de overeenkomst van onderaanneming waarin bepaalde minderposten voor het sanitair zijn opgenomen en in de aanneemsom verwerkt. Het faxbericht zag volgens Rabobank enkel op het minderwerk dat [appellante] bij haar opdrachtgever kon indienen.

Het hof stelt vast dat in de aannemingsovereenkomst tussen [appellante] en [installatiebedrijf] onder het kopje meer- en minderwerken een bedrag van € 135.143,- is opgenomen dat ziet op sanitair. [appellante] heeft onder verwijzing naar de werkbespreking van 6 december 2007 gesteld dat er nog een bemonstering heeft plaatsgevonden en dat partijen voor het sanitair een minderwerkpost van € 30.000,- zijn overeengekomen. Rabobank betwist een dergelijke afspraak. Op [appellante] rust de bewijslast van die afspraak. Het faxbericht van [medewerker van installatiebedrijf] namens [installatiebedrijf] aan [appellante] van 11 juni 2008 (prod. 16 bij conclusie van antwoord) acht het hof vooralsnog onvoldoende voor het bewijs van die afspraak, omdat [medewerker van installatiebedrijf] schrijft over een minderprijs in te dienen bij [het zorgcentrum] en niets schrijft over de consequenties voor de overeengekomen aanneemsom tussen [installatiebedrijf] en [appellante] . [appellante] biedt echter onder 111 in de memorie van grieven aan te bewijzen dat door [installatiebedrijf] is erkend dat wegens minderwerk sanitair € 30.000,-- in mindering kan worden gebracht op de overeengekomen aanneemsom. Het hof zal [appellante] toelaten tot dit bewijs.

Post 12 : bouwkundige kosten BAM fase 1 van € 7.081,80

4.33.

[appellante] voert aan dat de rechtbank in punt 2.41 van het vonnis verrekenpost 12 met betrekking tot de bouwkundige kosten van BAM ten onrechte slechts tot een bedrag van € 5.000,- heeft gehonoreerd.

[appellante] laat ook in hoger beroep na de extra kosten die BAM heeft gemaakt te onderbouwen. Uit de afrekenstaat van BAM (productie 18 conclusie van antwoord) blijkt weliswaar dat BAM zich op het standpunt stelt dat zij tot een bedrag van € 7.081,80 schade had geleden, maar daarmee is geenszins inzichtelijk welke kosten en tot welk bedrag door BAM worden gevorderd. Van [appellante] had mogen worden verwacht dat zij van BAM een nadere specificatie verlangde. Nu een dergelijke specificatie niet is overgelegd acht het hof een schadepost tot een hoger bedrag dan het door Rabobank erkende bedrag van € 5.000,- onvoldoende onderbouwd. Het hof wijst het meerdere af.

Post 13 : storing in de E-boiler van € 630,-

4.34.

Grief 4 in incidenteel appel betoogt dat de rechtbank onder 2.42 van het vonnis ten onrechte de verrekenpost van [appellante] in verband met een vermeende storing aan een E-boiler heeft toegewezen.

Rabobank stelt dat de storing aan de E-boiler het gevolg was van een fabrieksfout en dat de leverancier het probleem onder de garantie had kunnen oplossen waardoor [appellante] geen schade had gehad. [appellante] heeft betwist dat het een fabrieksfout was en dat de fabrikant het onder eigen kosten zou hebben opgelost. Hoe dit ook zij, tussen partijen is niet in geschil dat [installatiebedrijf] verantwoordelijk was voor het verhelpen van de storing al dan niet door het inschakelen van de fabrikant en dat [appellante] [installatiebedrijf] de mogelijkheid heeft gegeven het probleem op te lossen (e-mail van 9 oktober 2008, productie 7 bij dagvaarding). Of [installatiebedrijf] de fabrikant heeft ingeschakeld is niet gebleken. [appellante] heeft onbetwist gesteld dat ze nooit iets van de fabrikant heeft vernomen. Vast staat dat de fabrikant de storing in elk geval niet heeft verholpen. Ook is niet gesteld of gebleken dat [installatiebedrijf] de storing heeft getracht op te lossen. Nu [appellante] op 9 oktober 2008 nog informeerde wanneer de storing verholpen zou worden en [installatiebedrijf] op 10 oktober 2008 failliet is verklaard, overweegt het hof dat [appellante] hieruit mocht afleiden dat [installatiebedrijf] de storing niet meer zou verhelpen. [appellante] heeft vervolgens zelf de storing aan de E-boiler laten oplossen. Rabobank heeft de hoogte van de factuur niet betwist, zodat het hof deze verrekenpost van € 630,- toewijst. De grief faalt.

Post 15 : tekenwerk van € 10.000,-

4.35.

[appellante] voert aan dat de rechtbank in punt 2.44 van het vonnis verrekenpost 15 met betrekking tot de extra kosten voor tekenwerk niet gehonoreerd heeft voor een hoger bedrag dan € 656,-.

4.36.

[appellante] vordert betaling van € 10.000,- wegens tekenwerk dat aan [installatiebedrijf] was opgedragen. [appellante] stelt dat [appellante] en [installatiebedrijf] dit met elkaar overeengekomen waren. Op [appellante] ligt dan de stelplicht om voldoende feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit die overeenkomst blijkt. [appellante] heeft daartoe het volgende gesteld. Het tekenwerk door [installatiebedrijf] liep vertraging op, waardoor de montagewerkzaamheden - waarvoor tekeningen noodzakelijk waren - moesten worden uitgesteld. Dit was zeer ongewenst. Om deze ongewenste situatie op te lossen zijn partijen overeengekomen dat [appellante] het tekenwerk voor haar rekening zou nemen tegen betaling van € 10.000,-. [appellante] verwijst hiervoor naar het verslag van een bespreking die op 6 december 2007 (productie 19 conclusie van antwoord) is gevoerd. Daarin staat:

“Het tekenwerk van [installatiebedrijf] heeft nu een behoorlijke achterstand opgelopen.

Hierdoor zijn de tekeningen te laat ter controle ingediend bij de opdrachtgever waardoor er al met montagewerkzaamheden begonnen moest worden vooraleer er goedgekeurde tekeningen zijn. Om toch tijdig installatie- en sparing tekeningen in te kunnen dienen heeft [appellante] zelf tekeningen gemaakt en aangepast terwijl dit eigenlijk de verantwoordelijkheid was voor [installatiebedrijf] . Hierdoor zijn door [appellante] extra kosten gemaakt van ca. € 10.000,-“

[getuige 1] , destijds projectleider bij [appellante] , heeft vervolgens verklaard (productie 54 bij memorie van grieven) dat partijen tijdens de bespreking van 6 december 2007 zijn overeengekomen dat de € 10.000,- bij [installatiebedrijf] in rekening kon worden gebracht.

4.37.

Het hof overweegt als volgt. Rabobank heeft de stellingen van [appellante] onvoldoende gemotiveerd betwist. Vaststaat dat [installatiebedrijf] het tekenwerk diende te verrichten. Rabobank betwist niet dat [appellante] tekeningen heeft gemaakt, die [installatiebedrijf] op grond van de overeenkomst diende te maken. Uit het verslag van de bespreking van 6 december 2007, die door Rabobank niet wordt betwist, en de verklaring van de projectleider blijkt dat daarvoor in aanwezigheid van partijen het bedrag van € 10.000,- is genoemd. Mede gelet op de gedetailleerde verklaring van [getuige 1] over de gemaakte afspraak en de volgens hem daarbij aanwezige personen had van Rabobank een nadere inhoudelijke reactie mogen worden verwacht, maar die is uitgebleven. Aldus heeft Rabobank onvoldoende gemotiveerd betwist dat is afgesproken dat [appellante] een bedrag van € 10.000,-- mocht verrekenen. Het hof zal de post van € 10.000,- voor verricht tekenwerk dan ook toewijzen.

Post 18 : calculatiekosten kostprijsberekening vanwege faillissement van € 3.900,-

4.38.

[appellante] heeft aangevoerd dat de rechtbank onder 2.47 en 2.48 van het vonnis ten onrechte verrekenpost 18, betrekking hebbende op de calculatiekosten voor fase 2, heeft afgewezen.

4.39.

Het hof overweegt als volgt. [appellante] heeft gesteld dat zij calculatiekosten heeft moeten maken voor fase 2, omdat [installatiebedrijf] één gezamenlijke calculatie had gemaakt voor beide fases. Rabobank heeft betwist dat [appellante] een nieuwe calculatie moest maken voor fase 2. Het hof stelt vast dat [appellante] zich door het faillissement van [installatiebedrijf] gesteld zag voor de noodzaak om fase 2 zelf aan te nemen of opnieuw in onderaanneming uit te besteden. Dat daar een nadere calculatie voor nodig was, is alleszins voorstelbaar. Anderzijds was een calculatie voorhanden van [installatiebedrijf] die tot uitgangspunt kon dienen. In dat licht bezien heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat een (aanpassing van de) kostprijsberekening € 3.900,- bedroeg en volstaat de overgelegde urenstaat niet. Het hof zal de schade in verband met die werkzaamheden schattenderwijs vaststellen op € 1.300,-.

Post 19 en 20 : extra kosten projectleiding en directie vanwege faillissement van € 18.738,75

4.40.

Zowel [appellante] als Rabobank komen in hoger beroep op tegen het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 10.000,- wegens extra kosten projectleiding en directie. [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de rechtbank toegewezen bedrag ten onrechte beperkt is tot € 10.000,- aangezien [appellante] € 18.738,75 heeft gevorderd. Rabobank daarentegen is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte € 10.000,- heeft toegewezen. Rabobank betwist dat er extra kosten door projectleiding en directie zijn gemaakt in verband met het faillissement van [installatiebedrijf] .

4.41.

Het hof overweegt als volgt. Op [appellante] als de partij die het bedrag van € 18.738,75 vordert wegens extra kosten projectleiding ligt de stelplicht, en bij voldoende betwisting de bewijslast, om aan te tonen dat [appellante] deze kosten heeft gemaakt door toedoen van [installatiebedrijf] . [appellante] heeft daartoe gesteld dat de projectleiding van [appellante] als gevolg van het faillissement van [installatiebedrijf] onder andere onderhandelingen heeft moeten voeren met de nieuwe onderaannemers, nieuwe contracten heeft moeten opstellen en extra projectleidingswerkzaamheden heeft moeten uitvoeren. Daarnaast stelt [appellante] dat de directie van [appellante] extra werkzaamheden heeft moeten uitvoeren die zien op de correspondentie en de gesprekken met de curator, de opdrachtgevers van [appellante] en de diverse (potentiële) onderaannemers. De door Rabobank betwiste kosten wegens montagewerkzaamheden en calculatiekosten vallen volgens [appellante] niet onder de gevorderde kosten voor projectleiding en directie. Hoewel Rabobank betwist dat er extra kosten door projectleiding en directie zijn gemaakt, betwist Rabobank niet de door [appellante] opgesomde werkzaamheden door projectleiding en directie. Mede in het licht van de verklaring van [getuige 2] (productie 51) acht het hof dan ook voldoende gesteld en onderbouwd dat [appellante] als gevolg van het faillissement van [installatiebedrijf] aanzienlijk meer werkzaamheden heeft moeten verrichten dan zonder het faillissement van [installatiebedrijf] .

4.42.

Ter onderbouwing van haar schade verwijst [appellante] naar de producties 21 en 22 (conclusie van antwoord) waarin het totaal aantal uren is opgenomen dat de projectleiding en directie zouden hebben gehad aan werkzaamheden in verband met het faillissement van [installatiebedrijf] . Rabobank heeft de omvang van de schade betwist en gesteld dat de tarieven van [appellante] buitensporig hoog zijn. Rabobank heeft onbetwist gesteld dat [appellante] in de kosten van derden ook nog een opslagpercentage van 5 tot 10% hanteert vanwege eigen kosten. Aangezien [appellante] het aantal uren van projectleiding en directie niet verder heeft onderbouwd en ook geen verder inzicht heeft gegeven in de gehanteerde tarieven, kan het hof de omvang van de schade niet nauwkeurig vaststellen. Het hof zal de schade op grond van artikel 6:97 BW dan ook schatten. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking. [appellante] heeft de werkzaamheden van projectleiding en directie niet nader onderbouwd. Voor het voeren van onderhandelingen met de nieuwe onderaannemers, het opstellen van nieuwe contracten en extra projectleidingswerkzaamheden heeft [appellante] 40 uren gecalculeerd wegens kosten projectleiding inzake faillissement [installatiebedrijf] en tevens 58,75 uren inzake contractsvorming installateur en [installatietechniek 2] . Dit acht het hof buitensporig hoog gezien het feit dat [installatietechniek 2] al bekend was met het project Providentia omdat [installatietechniek 2] al voor het faillissement van [installatiebedrijf] werkzaamheden heeft uitgevoerd. Ook de uren van de directie zijn niet nader onderbouwd en komen het hof buitensporig voor. Het hof acht het redelijk om, evenals de rechtbank heeft gedaan, € 10.000,- als schadepost in aanmerking te nemen. Hierbij heeft het hof tevens rekening gehouden met hetgeen is overwogen onder 4.25.

Post 21 t/m 39 diversen van € 27.046,30

4.43.

[appellante] en Rabobank komen in principaal en incidenteel appel (grief 6) op tegen het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 5.000,- voor de posten 21 tot en met 39 die voornamelijk zien op montagewerkzaamheden door [appellante] . Partijen strijden in hoger beroep over de vraag in hoeverre deze kosten onder onderhoudswerk vallen waarop de laatste termijn op de procentuele verdeelstaat (2,35%) ziet. Uit de procentuele verdeelstaat (productie 5 bij dagvaarding) blijkt dat 2,35% van de totale aanneemsom staat voor onderhoud. Daarmee is een bedrag van € 11.800,- gemoeid. Vaststaat dat dit laatste deel van de overeengekomen aanneemsom niet is betaald. Ten aanzien van de posten die [appellante] wenst te verrekenen overweegt het hof het volgende.

4.44.

Uit de overgelegde werkbonnen blijkt dat ook door [appellante] veel werkzaamheden zijn verricht in de maand voorafgaande aan de ingebruikname van blok 1 en 3 en kort na de ingebruikname. Met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat die werkzaamheden noodzakelijkerwijs moesten worden verricht in verband met de op handen zijnde ingebruikname. Door Rabobank is onvoldoende gemotiveerd betwist dat de op de werkbonnen vermelde werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en dat het ging om werkzaamheden die [installatiebedrijf] in het kader van de overeenkomst had moeten verrichten.

Het hof acht het wel alleszins redelijk dat op de kosten van die werkzaamheden in mindering wordt gebracht het niet betaalde deel van de aanneemsom. Het vorenstaande leidt ertoe dat de verrekenpost toewijsbaar is voor een bedrag van € 14.022,42 (zijnde het saldo van € 27.046,30 minus € 13.023,88).

tekenwerk en engineering fase 2

4.45.

Grief 8 in incidenteel appel voert aan dat de rechtbank ten onrechte de vordering van Rabobank ter zake tekenwerk en engineering voor fase 2 ter grootte van € 23.625,00 af heeft gewezen.

4.46.

Het hof overweegt als volgt. [appellante] heeft gemotiveerd betwist dat zij geen tekenwerk voor fase 2 heeft ontvangen. Rabobank heeft weliswaar een planning overgelegd volgens welke het tekenwerk zou zijn gerealiseerd, maar dit is gemotiveerd betwist. Ook uit de door Rabobank in hoger beroep wel overgelegde tekeningen kan het hof niet opmaken dat het overeengekomen tekenwerk voor fase 2 is verricht. Nu sprake is van een gemotiveerde betwisting door [appellante] en geen sprake van een toegesneden bewijsaanbod van Rabobank zal het hof deze post afwijzen. Grief 8 in incidenteel appel faalt.

4.47.

Grief 3 in principaal appel klaagt dat de rechtbank onder 2.57 tot en met 2.59 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft overwogen dat de (verreken)vordering van [appellante] in verband met afronding van de tweede fase onvoldoende is komen vast te staan. [appellante] heeft gesteld dat door het faillissement dan wel de tekortkoming van [installatiebedrijf] de uitvoering van fase 2 uiteindelijk € 75.189,60 meer heeft gekost. [appellante] vordert dit bedrag van Rabobank.

4.48.

Het hof stelt het volgende voorop. De tussen [appellante] en [installatiebedrijf] overeengekomen aanneemsom voor fase 2 bedroeg € 443.003,-. De werkzaamheden ter afronding van fase 2 zijn niet door [installatiebedrijf] verricht. [appellante] heeft voor de uitvoering van fase 2 € 518.192,60 betaald. Dit bedrag bestaat voor € 468.000,- uit kosten voor werkzaamheden aan De Installateur en [installatietechniek 2] die volgens [appellante] het werk van [installatiebedrijf] hebben overgenomen. [appellante] heeft De Installateur en [installatietechniek 2] ingeschakeld. [installatietechniek 2] heeft het werk aangenomen voor € 68.000,- exclusief btw (zie productie 56 memorie van grieven) De Installateur heeft het werk aangenomen voor € 400.000,- (productie 55 bij memorie van grieven). Ten slotte vordert [appellante] € 50.192,60 voor tekenwerk, de engineering en begeleiding van onderaannemers; door [appellante] zelf uitgevoerd.

Rabobank betwist dat de werkzaamheden die door De Installateur en [installatietechniek 2] zijn aangenomen dezelfde werkzaamheden betreffen die ook aan [installatiebedrijf] waren opgedragen. Het hof acht de verwijzing naar het richtlijnenbestek uit 2007 die ook in de opdrachten aan De Installateur en [installatietechniek 2] wordt genoemd onvoldoende om te beoordelen of het opgedragen werk aan De Installateur en [installatietechniek 2] hetzelfde werk betreft dat ook aan [installatiebedrijf] was opgedragen. In de overeenkomst met de Installateur en [installatietechniek 2] wordt immers ook verwezen naar stukken die niet in de overeenkomst met [installatiebedrijf] worden genoemd. Dit betreft in de overeenkomst met De Installateur een offerteaanvraag, werktekeningen van 2009 en een bespreking uit 2009. Ook in de overeenkomst met [installatietechniek 2] wordt verwezen naar een offerte van 4 november 2008, maar is niet duidelijk welke aanvraag daaraan ten grondslag ligt. Deze stukken zijn door [appellante] niet overgelegd. [appellante] heeft haar stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting van Rabobank dat hetzelfde werk aan De Installateur en [installatietechniek 2] is opgedragen onvoldoende onderbouwd. Het hof verwerpt die stelling dan ook.

Ook het door [appellante] in rekening gebrachte tekenwerk en engineeringwerk wordt door Rabobank betwist. Volgens Rabobank had [installatiebedrijf] het tekenwerk en het daaraan ten grondslag liggende engineering al verricht en hadden de beide bedrijven niet meer begeleiding nodig dan [installatiebedrijf] . Hoewel het hof hiervoor heeft overwogen dat onvoldoende is komen vast te staan dat [installatiebedrijf] het teken- en engineeringwerk voor fase 2 heeft verricht, heeft [appellante] ook in hoger beroep deze post niet nader onderbouwd. Het hof wijst deze post dan ook af. De grief faalt.

4.49.

Grief 1 in incidenteel appel voert aan dat de rechtbank onder 2.18 van het bestreden vonnis ten onrechte het meerwerk in fase 1 heeft afgewezen. Rabobank voert aan dat [installatiebedrijf] in opdracht van [appellante] als meerwerk in blok 3 van fase 1 een interimkeuken heeft geplaatst.

4.50.

Het hof overweegt als volgt. Op Rabobank ligt de stelplicht om voldoende feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat [appellante] aan [installatiebedrijf] de opdracht had gegeven een interimkeuken te plaatsen en dat deze opdracht door [installatiebedrijf] ook is uitgevoerd, zodat [installatiebedrijf] daarvoor een meerwerkvergoeding kan claimen.

Rabobank verwijst naar een e-mail van 24 januari 2007 die [appellante] naar [installatiebedrijf] heeft gestuurd. Het betreft een e-mail van de heer [medewerker van raadgevende ingenieurs] van [raadgevende ingenieurs] met de volgende inhoud:

“Geachte heren,

Te voorbereiding op het overleg van a.s. woensdag m.b.t. de interimvoorzieningen van Providentia zend ik u hierbij onze notitie d.d. 22-1-2007 waarin de aanpassingen aan de elektrotechnische en werktuigbouwkundige installaties zijn omschreven. Als aanvulling op deze mail zenden wij u vandaag een fax met de aanpassingen op de begane grond.

Vertrouwende u voldoende te hebben geïnformeerd,

verblijven wij,

m. vr.gr.

ing. [medewerker van raadgevende ingenieurs] ”

Hoewel er in de e-mail wordt gesproken over interimvoorzieningen die tijdens een overleg ter sprake gaan komen, wordt niet gesproken over meerwerk, laat staan een door [appellante] aan [installatiebedrijf] gegeven opdracht tot meerwerk. Ook de offerte van 9 februari 2007 waarnaar Rabobank verwijst, ondersteunt de stellingen van Rabobank onvoldoende. De offerte is niet door [appellante] ondertekend; het bedrag komt overigens ook niet overeen met het bedrag dat Rabobank bij [appellante] claimt.

Daarmee heeft Rabobank haar stelling dat partijen meerwerk zijn overeengekomen onvoldoende onderbouwd. Daarbij betrekt het hof dat [installatiebedrijf] en [appellante] , beide professionele partijen, zijn overeengekomen dat meer- en/of minderwerk door de onderaannemer geschiedt voor diens eigen risico en niet door de hoofdaannemer hoeft te worden betaald, tenzij daartoe uitdrukkelijk schriftelijk opdracht is verstrekt. Rabobank voert nog aan dat de interimkeuken is geplaatst in blok 3 in plaats van 2 appartementen en biedt aan daarvan uitdrukkelijk bewijs te leveren door diverse betrokkenen, bijvoorbeeld keukenpersoneel van [het zorgcentrum] . Ook indien dat komt vast te staan, is daarmee niet het bewijs geleverd van het feit dat partijen meerwerk zijn overeengekomen dat in afwijking van de aanneemsom leidt tot een hogere betalingsverplichting voor [installatiebedrijf] . Dat bewijsaanbod wordt daarom als niet relevant gepasseerd.

Voor toewijzing van die post op grond van de redelijkheid en billijkheid zoals Rabobank betoogt, is onvoldoende gesteld. Ook de vordering op basis van ongerechtvaardigde verrijking wijst het hof af. Rabobank heeft onvoldoende toegelicht dat [appellante] is verrijkt door de werkzaamheden van [installatiebedrijf] . Zo heeft [appellante] betwist dat zij, zo de werkzaamheden al zouden zijn uitgevoerd, een vergoeding voor deze werkzaamheden van BAM heeft ontvangen. De grief faalt.

conclusie

4.51.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat Rabobank de facturen [factuur 4] en [factuur 5] ter hoogte van € 58.770,- terecht in rekening heeft gebracht bij [appellante] . Ten aanzien van de verrekenposten heeft het hof overwogen dat de verrekenposten 3, 6, 15, 18 en 21 tot en met 39 ter hoogte van € 28.779,42 door de rechtbank ten onrechte zijn afgewezen. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan, met name ten aanzien van de verrekenposten 1, 8 en 9 tot nadere bewijslevering. Post 1 (€ 6.347,25) ziet op het door Rabobank gestelde teveel betaalde wegens ontbreken van UV-units in de UV-installatie. Het hof laat Rabobank toe tot het bewijs zoals overwogen onder 4.15. Post 9 ziet op het minderwerk sanitair van € 30.000,- dat [appellante] van Rabobank vordert. Het hof laat [appellante] toe tot het bewijs zoals overwogen onder 4.32. Vervolgens kunnen partijen zich over post 8 (€ 910,-), dat ziet op het extra werk van [appellante] in verband met de UV-installatie, bij akte na bewijslevering uitlaten.

Het hof geeft partijen in overweging om, gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen en de vereiste verdere proceshandelingen, te bezien of een regeling tussen partijen mogelijk is.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- laat, zoals overwogen onder 4.15, Rabobank toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden voor haar stelling dat in de post minderwerk de drie ontbrekende UV-units zijn verdisconteerd;

- laat, zoals overwogen onder 4.32, [appellante] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden dat door [installatiebedrijf] is erkend dat wegens minderwerk sanitair het bedrag van € 30.000, - in mindering kan worden gebracht op de overeengekomen aanneemsom;

- bepaalt, voor het geval partijen of één van hen bewijs door getuigen wil leveren, dat het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. P.P.M. Rousseau, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

- bepaalt dat beide partijen het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 1 oktober 2019, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

- bepaalt dat de advocaat van zowel Rabobank als [appellante] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

- bepaalt dat partijen zich bij akte na bewijslevering kunnen uitlaten over verrekenpost 8 zoals overwogen onder 4.17;

- houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, E.J. van Sandick, en R.F. Groos is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 september 2019.

griffier rolraadsheer