Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3431

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
12-05-2020
Zaaknummer
20-003782-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Art. 302 Sr: Hof spreekt verdachte vrij van zware mishandeling. Verdachte ontkent met opzet een glas te hebben gegooid. Hof heeft waargenomen dat de beelden geen uitsluitsel geven over de vraag of verdachte het glas opzettelijk heeft gegooid of dat het glas per ongeluk uit zijn handen is geglipt. Ook de getuigenverklaringen geven daar geen uitsluitsel over.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003782-17

Uitspraak : 20 februari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 24 november 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-259955-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan hoger beroep is verdachte veroordeeld ter zake zware mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Voorts is de vordering van de benadeelde partij - kort gezegd - toegewezen tot een bedrag van € 1.825,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde en het subsidiair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte daarvoor zal veroordelen tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren met een proeftijd van 2 jaren. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat- generaal gevorderd deze af te wijzen.

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair heeft hij het hof verzocht om te beslissen conform de eis van de advocaat-generaal.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 december 2016 te Eindhoven aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meerdere snij- en/of steekwond(en) in het aangezicht (met blijvend ontsierende littekens tot gevolg) heeft toegebracht door (met kracht) een glas in (de richting van) het gezicht van die [slachtoffer] te gooien;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 december 2016 te Eindhoven [slachtoffer] heeft mishandeld door (met kracht) een glas in (de richting van) het gezicht van die [slachtoffer] te gooien, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meerdere snij- en/of steekwond(en) in het aangezicht (met blijvend ontsierende littekens) ten gevolge heeft gehad

Vrijspraak

Het standpunt van verdachte komt erop neer dat hij het glas niet opzettelijk heeft gegooid, maar dat hij zich met het glas, (dat nat was), in zijn hand abrupt en stevig heeft omgedraaid, waardoor het glas uit zijn handen is geglipt en tegen de muur kapot is geketst.

Het hof overweegt als volgt.

In het proces-verbaal van bevindingen op pagina 33 van het politiedossier wordt een weergave gegeven van de camerabeelden die zijn gemaakt in het gangetje in café [naam café] waar een en ander zich op 18 december 2016 heeft afgespeeld. Het hof heeft de camerabeelden bekeken en geconstateerd dat het proces-verbaal van bevindingen overeenkomt met wat op de beelden te zien is. In het proces-verbaal staat: "Jongen (hof: verdachte) die bij voorste jongen hoort geeft als hij het meisje (hof: [getuige 1] ) voorbij loopt, haar een zachte schouderduw. Meisje geeft deze jongen vervolgens een duw. Deze jongen draait vervolgens zijn gezicht en lijkt iets tegen het meisje te zeggen, terwijl hij doorloopt. Het meisje loopt deze jongen achterna en geeft hem een duw in zijn rug. Het meisje staat op dat moment in het midden van het gangpad. Jongen draait om en lijkt met iets te gooien. Hierna vliegen de glasscherven door de lucht".

Het hof heeft waargenomen dat deze beelden geen uitsluitsel geven over de vraag of het glas opzettelijk is gegooid door verdachte of dat het glas per ongeluk uit zijn handen is geglipt.

Evenmin kan aangeefster hier uitsluitsel over geven, omdat zij niet heeft gezien wat er is gebeurd. Om die vraag te beantwoorden is het hof derhalve afhankelijk van de diverse getuigenverklaringen.

Het hof stelt vast dat de getuige [getuige 2] zowel bij de politie als bij de raadsheer-commissaris een verklaring heeft afgelegd. Bij de politie heeft zij verklaard dat de jongen het glas opzettelijk naar [getuige 1] , die naast haar stond, gooide en dat zij beiden moesten bukken. Het hof heeft echter op de camerabeelden waargenomen dat, op het moment dat te zien is dat verdachte zich in de richting van [getuige 1] heeft gedraaid en de glasscherven door de lucht vlogen, [getuige 1] niet heeft gebukt. Deze verklaring komt dan ook niet overeen met hetgeen op de camerabeelden is waar te nemen. Bij deze verklaring van [getuige 2] zit voorts een situatieschets (p26) waarop is ingetekend dat zij samen met [getuige 1] tegen de muur aan stond, terwijl uit de camerabeelden blijkt dat [getuige 1] midden in het gangpad stond. Bij de raadsheer-commissaris heeft [getuige 2] verklaard dat verdachte het glas met een zwaai over zijn linkerschouder naar achter wierp, terwijl hij met zijn rug in hun richting stond en dat zij denkt dat hij speciaal [getuige 1] wilde raken, omdat hij daar immers woorden mee gehad had. Deze verklaring lijkt de stelligheid van de verklaring die zij bij de politie heeft afgelegd over het opzettelijk gooien van het glas richting [getuige 1] te nuanceren. Gelet op deze vaststellingen acht het hof de verklaring van [getuige 2] op het cruciale punt onvoldoende betrouwbaar om tot bewijs te bezigen.

[getuige 1] heeft bij de politie verklaard (p27) dat zij zag dat de jongen een glas met kracht richting haar hoofd gooide, dat zij door met haar hoofd uit te wijken niet door het glas werd geraakt en dat het glas vervolgens in het gezicht van [slachtoffer] kwam. Bij de raadsheer-commissaris heeft zij verklaard dat de jongen na de eerste duw die zij hem gaf naar het einde van de gang is gelopen, zich omdraaide en het glas dat hij in zijn hand had bovenhands in haar richting gooide, dat zij wegdook en dat het glas vervolgens kapot sloeg op de muur. Hij stond op een afstand van enkele meters van haar en voor zover zij zich kan herinneren, stonden er nog mensen tussen. Als haar vervolgens door de raadsheer-commissaris wordt voorgehouden dat uit de camerabeelden van het incident blijkt dat de gang van zaken iets anders is geweest, zegt zij dat ze het allemaal niet precies meer weet en dat zij in een soort shock was als gevolg van de verwondingen van [slachtoffer] Het is het hof gebleken dat de verklaring die [getuige 1] bij de politie heeft afgelegd, een half uur na het gebeuren is afgelegd en dat zij daarin een verkeerde jongen als dader heeft aangewezen, waaruit het hof afleidt dat zij ten tijde van het afleggen van de verklaring niet helemaal helder was. Dit maakt dat het hof uiterst voorzichtig wil zijn met de verklaring van [getuige 1] over de wijze waarop verdachte het glas zou hebben gegooid en de betrouwbaarheid daarvan goed te toetsen. Het hof wil uitsluiten dat haar, overigens uiterst summiere, verklaring bij de politie is ingekleurd door gebeurtenissen achteraf. Het hof wil voor haar verklaring daarom ten minste ondersteunend bewijs hebben.

Het hof merkt op dat het de verklaring van verdachte op pagina 42 eerste alinea van het politiedossier: "Ja dat klopt", niet aanmerkt als een bekennende verklaring dat hij het glas bewust heeft gegooid, maar als een beaming van de stelling van verbalisant dat hij echt niet de intentie had om iemand pijn te doen. Verdachte heeft immers vanaf het begin van deze verklaring gezegd dat het glas uit zijn hand schoot en uit hetgeen na het uitspreken van deze woorden nog wordt besproken met verbalisant kan het hof niet afleiden dat verdachte heeft bedoeld om te erkennen dat hij het glas bewust heeft gegooid.

Resteert de verklaring van [getuige 3] (p29). Hij heeft bij de politie verklaard: "Een meisje duwde mij en zei "jij bent kankerlelijk". Ik zei oké en ben doorgelopen. Hierop duwde ze mij nogmaals en herhaalde hetzelfde. Mijn vriend, [verdachte] , pikte dat niet en gooide een glas." Nu uit deze verklaring zelf niet blijkt of [getuige 3] het gooien daadwerkelijk heeft gezien en [getuige 3] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij, toen hij zich omdraaide, alleen heeft gezien dat het glas tegen de muur kapot spatte, maar dat hij niet heeft gezien of het glas bewust door verdachte werd gegooid of dat het uit de hand van verdachte is geschoten, is het hof van oordeel dat deze verklaring onvoldoende gewicht heeft om op zichzelf of in combinatie met de verklaring van [getuige 1] , wel de overtuiging te bekomen dat verdachte het glas bewust heeft gegooid.

Alles overziend is het hof van oordeel dat het uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.915,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.825,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. M.J. Grapperhaus, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.R.A.C. Dinnissen, griffier,

en op 20 februari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van de Loo is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.