Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3430

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-07-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
001120-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking van de meervoudige kamer op het verzoek ex art. 36 Sv van onder verwijzing naar het recent ingestelde beroep in cassatie in het belang der wet. Het hof acht zich gezien de huidige stand van wetgeving bevoegd kennis te nemen van het verzoekschrift en art. 36 Sv ook van toepassing bij een ontstane vertraging in de afhandeling van een strafzaak indien de zaak in eerste aanleg heeft gediend en er een onredelijk oponthoud ontstaat voordat de zaak in hoger beroep wordt behandeld. I.c. mede gelet op de ernst en de zwaarte van de zaak geen sprake is van een onredelijk lang tijdsverloop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raadkamer

Afdeling strafrecht

Bijzondere zaak nummer: 001120-18

Parketnummer: 20-000146-16

Beschikking van de meervoudige kamer op het verzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

te dezer zake woonplaats kiezende ten kantore van mr. M. Lochs, advocate te Amsterdam.

Het verzoekschrift, ingekomen op 21 november 2018, strekt tot verkrijging van een verklaring dat de tegen de verzoeker aanhangige strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Procesverloop

Het verzoek is op de niet openbare zittingen van de raadkamer van dit hof van 4 maart 2019 en 15 juli 2019 behandeld.

Ter zitting van 4 maart 2019 heeft de advocaat-generaal onder meer aangevoerd dat het verzoek dient te worden afgewezen, nu het de bedoeling van het openbaar ministerie is om de zaak bij het hof aan te brengen dan wel om de beslissing op het verzoek aan te houden voor enkele maanden, teneinde hem in de gelegenheid te stellen een dagvaarding voor een regiezitting te doen uitgaan.

De advocate van de verzoeker heeft op 4 maart 2019 gepleit dat zij primair meent dat het verzoek tot beëindiging van de zaak dient te worden ingewilligd, omdat de beginselen van een behoorlijke procesorde worden geschonden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het horen van getuigen eerst ruim tien jaren na de ten laste gelegde gebeurtenissen zou kunnen plaatsvinden, hetgeen de waarheidsvinding ernstig belemmert zo niet onmogelijk maakt, en daarmee het recht op een eerlijk proces voor verzoeker illusoir wordt. Subsidiair heeft de advocate het hof verzocht om de beslissing voor enige tijd aan te houden, teneinde te bezien welke stappen het openbaar ministerie in het kader van de verdere vervolging van de verzoeker neemt.

Bij tussenbeschikking van 1 april 2019 heeft het hof beslist dat het openbaar ministerie, gelet op de ernst van de zaak, de gelegenheid moet worden geboden om aan te tonen dat verdere vervolging plaats zal vinden en de zaak door middel van een dagvaarding aan te brengen bij het gerechtshof. Het hof heeft de beslissing op het verzoek daartoe aangehouden voor een periode van vier maanden tot 15 juli 2019.

De advocaat-generaal heeft ter zitting in raadkamer op 15 juli 2019 naar voren gebracht dat er op 6 januari 2020 een regiezitting bij het hof zal plaatsvinden en daartoe een afschrift van de dagvaarding van verzoeker tegen die zitting overgelegd.

De advocate van de verzoeker heeft het verzoek tot beëindiging van de zaak ter zitting van 15 juli 2019 herhaald.

De beoordeling

Krachtens het eerste lid van artikel 36 Sv kan het gerecht in feitelijke aanleg, waar de zaak het laatst werd vervolgd, verklaren dat de strafzaak geëindigd is wanneer de vervolging niet wordt voortgezet. Ondanks dat de raadkamerprocedure op grond van artikel 36 Sv inmiddels ter discussie is gesteld ter zake van de functie die artikel 36 Sv in de hedendaagse strafrechtspleging toekomt, waaronder de toepasselijkheid in de fase van hoger beroep (vgl. de vordering van de AG Knigge tot cassatie in het belang der wet d.d. 28 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:575), acht het hof zich gezien de huidige stand van wetgeving bevoegd kennis te nemen van het verzoekschrift. De wetgever heeft oorspronkelijk gedacht aan

situaties waarin de voortzetting van de vervolging afhankelijk is van een beslissing die

vanwege het vervolgingsmonopolie alleen door het openbaar ministerie genomen kan

worden. In de onderhavige zaak acht het hof artikel 36 Sv ook van toepassing bij een ontstane vertraging in de afhandeling van een strafzaak indien de zaak in eerste aanleg heeft gediend en er een onredelijk oponthoud ontstaat voordat de zaak in hoger beroep wordt behandeld.

Het hof heeft reeds bij tussenbeschikking van 1 april 2019 vastgesteld dat het onderhavige verzoek betrekking heeft op een ernstige zaak. De feiten dateren weliswaar van een aantal jaren geleden, maar verzoeker is eerst in 2013 aangehouden en in 2016 in eerste aanleg veroordeeld. Het dossier is vervolgens in 2017 door het hof ontvangen, waarna het onbegrijpelijk lang in de zaaksvoorraad heeft gelegen, zonder dat enige actie is ondernomen, zelfs niet met betrekking tot de in de appelschriftuur gedane verzoeken.

Het hof overweegt dat het openbaar ministerie met het uitbrengen van een dagvaarding voor een regiezitting op 6 januari 2020 aannemelijk heeft gemaakt dat alsnog verdere vervolging zal plaatsvinden. Mede gelet op de ernst en de zwaarte van de zaak, is het hof van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een onredelijk lang tijdsverloop.

Het verzoek zal derhalve worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Wijst het verzoek tot verklaring van beëindiging van de tegen de verzoeker aanhangige strafzaak af.

Aldus beslist door:

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. J.P.F. Rijken, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van dit gerechtshof van 26 juli 2019.

mr. Rijken is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.