Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3429

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
000125-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking van de meervoudige kamer op verzoek ex art. 591a Sv. Het toekennen van een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand die in rechtstreeks verband staan met een strafzaak tegen een gewezen verdachte. De wetgever heeft daarbij niet beoogd de mogelijkheid tot toekenning van een dergelijke vergoeding te binden aan strikte grenzen wat betreft de fase van het strafproces waarin de kosten van een raadsman in de geëindigde strafzaak zijn gemaakt of wat betreft de aard van de met die zaak rechtstreeks verband houdende juridische procedure, i.c. de kosten voor rechtsbijstand die zijn ontstaan na inschakeling van (politie en) justitie als gevolg van het noodlottige ongeval met de werknemers. Ingediende declaratie ter zake van rechtsbijstand is niet bepalend, maar vormt wel een belangrijk uitgangspunt naast de aard, omvang en de complexiteit van de onderliggende geëindigde strafzaak, hetgeen er toe heeft geleid op gronden van billijkheid de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van rechtsbijstand te beperken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raadkamer

Afdeling strafrecht

Bijzondere zaak nummer: 000125-19

Parketnummer: 20-001903-16

Beschikking van de meervoudige kamer op verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering

Beschikking op het op 25 januari 2019 ingediende verzoek van:

[verzoeker] ,

statutair gevestigd te [verstigingsadres] , doch te dezer zake woonplaats kiezende ten kantore van mr. R. van der Hoeven, advocaat te Rotterdam,

hierna te noemen: verzoeker.

Het verzoek strekt tot toekenning van een vergoeding uit ’s Rijks kas ter zake van:

 de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg en in hoger beroep als bedoeld in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering;

 de kosten voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.

Het onderzoek van de zaak

Op 15 juli 2019 is door de raadkamer van dit hof in het openbaar behandeld het verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft daarbij kennis genomen van de conclusie van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman van verzoeker mr. R. van der Hoeven, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

Verzoeker is niet verschenen.

De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot gedeeltelijke toewijzing van het verzoek.

De beoordeling

Het verzoek is tijdig ingediend.

Uit de gedingstukken, waaronder begrepen de stukken van de strafzaak, blijkt dat de strafzaak tegen verzoeker onder genoemd parketnummer het laatst voor dit hof werd vervolgd en is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Op 9 juli 2019 is per e-mail alsnog een door verzoeker (mede) ondertekend exemplaar van het verzoekschrift bij het hof binnengekomen. Nu ter zitting in hoger beroep is gebleken dat het verzuim is hersteld, is het hof van oordeel dat thans is voldaan aan alle voorwaarden waaronder op de voet van artikel 591a, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering aan verzoeker een schadevergoeding kan worden toegekend. Anders dan de advocaat-generaal (schriftelijk) heeft geconcludeerd), acht het hof verzoeker derhalve ontvankelijk in het verzoekschrift.

Toekenning van schadevergoeding heeft plaats indien en voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Kosten rechtsbijstand

Bij verzoekschrift van 25 januari 2019 is verzocht om vergoeding van een totaalbedrag van € 277.508,94 voor de kosten van rechtsbijstand. Ter zitting in raadkamer is dit verzoek nog aangevuld met een bedrag van € 43.391,98 ter zake van de nota’s van de jaren 2017 en 2018 (rechtsbijstand in hoger beroep). Derhalve wordt verzocht om vergoeding van een totaalbedrag van € 320.900,92.

Het hof hanteert bij het toekennen van een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand als uitgangspunt dat onder 'de kosten van een raadsman' waarvoor een vergoeding uit 's Rijks kas kan worden toegekend, als bedoeld in de eerste volzin van artikel 591a, tweede lid, Sv, zijn te verstaan de kosten van een raadsman die in rechtstreeks verband staan met een strafzaak tegen een gewezen verdachte, welke is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr. Daarbij kan volgens het hof uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 591a Sv niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid tot toekenning van een dergelijke vergoeding te binden aan strikte grenzen wat betreft de fase van het strafproces waarin de kosten van een raadsman in de geëindigde strafzaak zijn gemaakt of wat betreft de aard van de met die zaak rechtstreeks verband houdende juridische procedure (vgl. Hoge Raad 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566, r.o. 4.4.). In het onderhavige geval betekent dit dat de kosten voor rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen die zijn ontstaan na inschakeling van (politie en) justitie als gevolg van het noodlottige ongeval met de werknemers.

Voor toewijzing van het verzochte bedrag acht het hof de ingediende declaratie ter zake van rechtsbijstand niet bepalend, maar deze vormt wel een belangrijk uitgangspunt in het oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan de verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de betreffende kosten. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de aard, omvang en de complexiteit van de onderliggende geëindigde strafzaak. Die afweging heeft er toe geleid op gronden van billijkheid de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van rechtsbijstand te beperken.

Het hof acht toewijzing van een totaalbedrag van € 175.000,00 redelijk en billijk. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Kosten opstellen, indienen en behandelen verzoekschrift

Voor het opstellen, indienen en mondeling behandelen van het verzoekschrift ex artikel

591a van het Wetboek van Strafvordering kent het hof een forfaitaire vergoeding toe van

€ 550,00.

Totaal

In totaal komt derhalve voor vergoeding in aanmerking een bedrag van € 175.550,00.

BESLISSING

Het hof:

Kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe ten bedrage van in totaal

€ 175.550,00 (zegge: honderdvijfenzeventigduizend vijfhonderdvijftig euro).

Wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus beslist door:

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. J.P.F. Rijken, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van dit gerechtshof van 26 juli 2019.

mr. Rijken is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

De voorzitter beveelt de tenuitvoerlegging van deze beslissing en gelast de griffier van dit hof binnen zes weken na heden aan verzoeker te betalen een bedrag van € 175.550,00 (zegge: honderdvijfenzeventigduizend vijfhonderdvijftig euro), door overmaking daarvan op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Advocatuur NautaDutilh, onder vermelding van ‘ [kenmerk]