Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3403

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-09-2019
Datum publicatie
19-11-2019
Zaaknummer
19/00053
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:6742, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voldoening op eigen aangifte van overdrachtsbelasting. De Inspecteur heeft het, namens belanghebbende ingediende, bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De Inspecteur heeft het in dit bezwaarschrift besloten verzoek om ambtshalve teruggaaf te verlenen afgewezen. Belanghebbende betoogt in hoger beroep enerzijds dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Dit betoog faalt. Anderzijds betoogt belanghebbende dat het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat hij bezwaar kon maken tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve teruggaaf. Het Hof laat in het midden of vertrouwen is gewekt, aangezien beoordeling van de ontvankelijkheid van openbare orde is. Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-11-2019
V-N Vandaag 2019/2648
FutD 2019-3058
V-N 2019/60.21.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 19/00053

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 5 december 2018, nummer BRE 17/4730, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen voldoening op aangifte.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak [adres 1] en [adres 2] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) een bedrag aan overdrachtsbelasting ter hoogte van € 69.000 op eigen aangifte voldaan (hierna: de voldoening op eigen aangifte).

1.2.

Na tegen de voldoening op eigen aangifte gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar bij uitspraak met dagtekening 18 mei 2017 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 128. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 1 augustus 2019 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, [gemachtigde] , alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Het Hof heeft heden, 15 augustus 2019, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak op eigen aangifte op 8 juli 2016 een bedrag aan overdrachtsbelasting ter hoogte van € 69.000 voldaan. Dit betreft 6% van de door belanghebbende voor de onroerende zaak betaalde koopsom van € 1.150.000. [notaris] is als notaris opgetreden bij de levering van de onroerende zaak (hierna: de notaris).

2.2.

De notaris heeft bij brief met dagtekening 28 maart 2017, namens belanghebbende,

verzocht om “het bezwaar ambtshalve in behandeling te (…) nemen en te bepalen dat alsnog, met betrekking tot deze akte een overdrachtsbelasting van 2% verschuldigd was/is, met bepaling dat het teveel betaalde aan de verkrijger dient te worden geretourneerd, nu het pand (…) haar aard als woning niet heeft verloren.”.

2.3.

De Inspecteur heeft deze brief enerzijds opgevat als een bezwaarschrift gericht tegen de voldoening op eigen aangifte en anderzijds als een verzoek om ambtshalve teruggaaf te verlenen. De Inspecteur heeft het bezwaar, wegens overschrijding van de bezwaartermijn, niet‑ontvankelijk verklaard en het verzoek tot het verlenen van een ambtshalve teruggaaf afgewezen.

2.4.

Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding onder meer naar de hierna opgenomen tekst die in de onderhavige periode op de website van de Belastingdienst was gepubliceerd:

Te laat voor bezwaar? Doe een verzoek tot vermindering

Als u te laat bent met bezwaar maken, kunt u ons nog steeds doorgeven waar u het niet mee eens bent. Dat noemen we een verzoek tot vermindering. Wij kijken dan of u gelijk hebt, net als bij een bezwaar.

Als u gelijk hebt, sturen wij u een nieuwe aanslag of beschikking met de gewijzigde gegevens. (…)”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur het bezwaar tegen de voldoening op eigen aangifte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, tot ontvankelijkverklaring van het door hem ingediende bezwaar en terugwijzing naar de Inspecteur. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en artikel 22j, letter b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) dient een bezwaarschrift te worden ingediend binnen 6 weken na voldoening op aangifte. In dit geval is tussen partijen niet in geschil dat het bezwaar na die termijn, dus te laat is ingediend. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een te laat ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest ofwel, met andere woorden, indien de termijnoverschrijding verschoonbaar was.

4.2.

Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur heeft miskend dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar het beleid zoals opgenomen in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de op de website van de Belastingdienst gepubliceerde tekst (zie onder 2.4). Evenals de Rechtbank verstaat het Hof belanghebbendes betoog aldus dat hij zich (impliciet) op het standpunt stelt dat de advisering door de notaris bij hem de in rechte te honoreren indruk heeft gewekt dat een na afloop van de bezwaartermijn ingediend bezwaar ontvankelijk verklaard zou worden respectievelijk niet zou leiden tot een verlies aan mogelijkheden om zich te verzetten tegen de weigering om (ambtshalve) teruggaaf te verlenen.

4.3.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat de door belanghebbende aangevoerde gronden onvoldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb:

“2.7. Op grond van artikel 6:11 van de Awb kan niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is sprake wanneer het voor belanghebbende onmogelijk was om tijdig een rechtsmiddel aan te wenden (hierna: de eerste uitzondering) dan wel wanneer belanghebbende, door een verklaring van de inspecteur gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat hij na afloop van de wettelijke bezwaartermijn bezwaar mocht maken (hierna: de tweede uitzondering). Niet in geschil is dat de eerste uitzondering niet van toepassing is. De rechtbank zal daarom oordelen of de tweede uitzondering van toepassing is.

2.8.

De aard van de bezwaartermijn, welke meebrengt dat deze op straffe van niet ontvankelijkverklaring in acht behoort te worden genomen, staat eraan in de weg dat het desbetreffende bestuursorgaan van een beroep op overschrijding van die termijn afstand zou kunnen doen of de duur van de termijn zou kunnen wijzigen (HR 20 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA175523). Dat sluit echter niet uit dat zich de situatie voor kan doen dat een belanghebbende aan een uitlating van het bestuursorgaan het vertrouwen mag ontlenen dat hij zijn bezwaarschrift nog na afloop van de wettelijke bezwaartermijn kan indienen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest en niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven (HR 22 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8419).

2.9.

De rechtbank stelt voorop dat – gezien de hierboven genoemde jurisprudentie – het niet zo is dat een notaris het vertrouwen kan wekken, met als gevolg dat de inspecteur alsnog een tegemoetkoming zal verlenen. De notaris is immers geen inspecteur en handelt evenmin namens de inspecteur. De notaris kan derhalve niet bij belanghebbende het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat de heffing van de overdrachtsbelasting zal worden aangepast op de door hem voorgestane wijze of dat de bezwaartermijn niet zou gelden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat een professionele gemachtigde wordt geacht bekend te zijn met de bezwaartermijn. Nu gebleken is dat belanghebbende voor het doen van de aangifte overdrachtsbelasting en het indienen van het bezwaarschrift gebruik heeft gemaakt van de diensten van een notaris, dient de kennis van de notaris te worden toegerekend aan belanghebbende (vgl. HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3441). Van een verschoonbare termijnoverschrijding op deze grond is derhalve geen sprake.

2.10.

Voorzover belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat bij hem of de notaris op grond van de mededelingen op de website van de Belastingdienst het vertrouwen is gewekt dat in een geval als het onderhavige de bezwaartermijn geen rol speelt, overweegt de rechtbank het volgende. De uitlatingen op de website van de Belastingdienst en in paragraaf 23 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht, hebben betrekking op de behandeling van ambtshalve verminderingen als zodanig. Dat is echter niet hetzelfde als binnen de wettelijke termijn bezwaar maken. Daarvan kan evenmin worden afgeleid dat geen bezwaar hoeft te worden gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn. De rechtbank is van oordeel dat van een professioneel gemachtigde mag worden verwacht dat hij daarvan op de hoogte is. Belanghebbende kan derhalve niet met succes een beroep doen op het vertrouwensbeginsel voor zover dit de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift betreft. Van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb is dan ook in het geheel geen sprake.”.

4.4.

Het Hof maakt de hierboven geciteerde overwegingen van de Rechtbank tot de zijne en voegt hier het navolgende aan toe. Voor zover het door belanghebbende ingediende hoger beroep aldus verstaan dient te worden dat hij zich op het standpunt stelt dat hij aan de mededeling op de website van de Belastingdienst (zie onder 2.4) of het beleid inzake het toepassen van ambtshalve verminderingen het vertrouwen mocht ontlenen dat hij rechtsgeldig bezwaar kon maken tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering faalt dit betoog. Die afwijzing vormt een niet voor bezwaar en beroep vatbare beschikking, waartegen geen bezwaar en beroep mogelijk is. Dat betekent dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De wil van partijen speelt daarbij geen enkele rol. De vraag of een bezwaar ontvankelijk is, is immers van openbare orde. Dat wil zeggen dat de rechter zelfstandig, aan de hand van objectieve feiten en omstandigheden van het geval, moet beoordelen of het bezwaar ontvankelijk is. Of de Inspecteur, de mededeling op de website respectievelijk paragraaf 23 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht in dat verband vertrouwen zou hebben gewekt inzake de ontvankelijkheid, het Hof laat dat in het midden, is daarbij niet van belang.

4.5.

Voor zover de verwijzing naar het beleid zoals opgenomen in paragraaf 23, onder 13, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht aldus verstaan dient te worden dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bepaalde in deze passage – in tegenstelling tot hetgeen de Inspecteur betoogt – toewijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering niet in de weg staat, komt het Hof niet toe aan behandeling van deze stelling. De juistheid van de beslissing om het verzoek tot het verlenen van een ambtshalve teruggaaf af te wijzen ligt in het onderhavige geval immers niet ter beoordeling voor, aangezien geen rechtsmiddelen openstaan tegen deze beslissing (zie onder 4.4).

Slotsom

4.6.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond; en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 13 september 2019 door M.M. de Werd, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.