Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3389

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-09-2019
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
20-003014-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Poging tot afpersing; herkenning verdachte op camerabeelden; verzoek toepassing artikel 9a WvSr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003014-18

Uitspraak: 2 september 2019

TEGENSPRAAK (279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-

West-Brabant van 18 september 2018 in de strafzaak met het parketnummer 02-820694-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969 ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank de verdachte ter zake van twee pogingen tot afpersing veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Van de zijde van de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

De raadsman van de verdachte heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof en vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde. Voor het geval het hof tot een bewezenverklaring komt is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Met aanvulling van het bewijs en de bewijsoverwegingen waarop het berust, verenigt het hof zich met het vonnis waarvan beroep, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering.

Aanvulling bewijs

De bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde komt, naast de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, mede te berusten op het proces-verbaal van aangifte1, voor zover [aangever] , eigenaar van café [naam café] , daarin verklaart dat het café gevestigd is aan de [adres 2] in [plaats] .

Bewijsverweer

De raadsman van de verdachte heeft aan de bepleite vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde, met verwijzing naar het in eerste aanleg gevoerde verweer, ten grondslag gelegd dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt omdat het volgens de raadsman, naar het hof begrijpt, onmogelijk is de verdachte te herkennen als de persoon die zichtbaar is op de camerabeelden.

Het hof verwerpt dit verweer. Het hof stelt daarbij voorop dat het, evenals de rechtbank en op de gronden als vermeld in het vonnis waarvan beroep op pagina 4 onder het kopje ‘Overweging’, van oordeel is dat de persoon die te zien is op de camerabeelden van [onderneming 1] dezelfde persoon is als degene die zichtbaar is op de camerabeelden van [onderneming 2] . Voorts stelt het hof vast dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de persoon die is te zien op screenshots van die laatstgenoemde camerabeelden hebben herkend en geïdentificeerd als de verdachte. Het hof acht die herkenning, evenals de rechtbank, betrouwbaar. Verbalisant [verbalisant 1] heeft immers verklaard dat hij in het verleden regelmatig contact heeft gehad met de verdachte en dat hij medio mei 2018 - slechts enkele weken voor de politiebriefing waarop bedoelde screenshots werden getoond - nog met de verdachte heeft gesproken. Ook verbalisant [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat hij enkele weken voor de politiebriefing op straat contact heeft gehad met de verdachte. Het ging hierbij naar het oordeel van het hof niet om een vluchtig contact, omdat uit het relaas van de verbalisant volgt dat hij de verdachte had aangesproken op het drinken van bier in de openbare ruimte en dat hij, nadat deze te kennen had gegeven geen identiteitsbewijs bij zich te hebben, is overgegaan tot een identiteitsfouillering en vervolgens de door de verdachte opgegeven personalia heeft ingevoerd in het politiesysteem, waarna de verbalisant meerdere foto’s van de man had gezien.

Op te leggen sanctie

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest, waarbij de advocaat-generaal zich heeft aangesloten.

De raadsman van de verdachte heeft het hof allereerst verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een aanzienlijk kortere vrijheidsstraf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan en door de advocaat-generaal is gevorderd dan wel een groot deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte na de schorsing van de voorlopige hechtenis geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Daarmee heeft de verdachte aangetoond op een keerpunt in zijn leven te staan, hetgeen volgens de raadsman onder meer ook tot uiting komt in het gegeven dat de verdachte bezig is met een project waarbinnen hij begeleid wordt naar een passende functie op de arbeidsmarkt. Daarnaast moet volgens de raadsman bij de bepaling van de op te leggen straf in aanmerking worden genomen dat het in deze zaak niet om voltooide delicten gaat en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft twee keer geprobeerd een ondernemer geld afhandig te maken waarbij hij het slachtoffer bedreigde met een mes en stekende bewegingen maakte. Het is niet de verdienste van de verdachte dat de slachtoffers hierbij niet gewond zijn geraakt of erger, dodelijk zijn getroffen door het mes. Het is het hof ambtshalve bekend dat dit soort gewelddadige gedragingen regelmatig uit de hand loopt en daardoor - vaak ook door de dader ongewilde - ernstige en soms zelfs fatale gevolgen heeft. De verdachte heeft zich van de mogelijke gevolgen van zijn handelen kennelijk uit puur winstbejag geen rekenschap gegeven.

Reeds vanwege de ernst van het bewezen verklaarde kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een schuldigverklaring van de verdachte zonder toepassing van straf of maatregel.

Voor de bepaling van de op te leggen straf zoekt het hof aansluiting bij de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden en bij de straffen die door dit hof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd.

Volgens genoemde oriëntatiepunten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaar een gangbaar uitgangspunt voor een voltooide afpersing die gepaard gaat met licht geweld of bedreiging. Voor een poging tot afpersing kan dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden als passend worden beschouwd. In deze zaak gaat het om twee bewezen verklaarde pogingen tot afpersing.

Voorts houdt het hof in strafverzwarende zin rekening met het gegeven dat de verdachte, zoals blijkt uit het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 juli 2019, vóór het begaan van de thans bewezen verklaarde feiten al eerder onherroepelijk is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen ter zake van soortgelijke strafbare feiten. Deze veroordelingen hebben de verdachte het laakbare van zijn gedragingen kennelijk nog onvoldoende doen inzien. Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat in beginsel niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Het hof ziet evenwel aanleiding, gelet op hetgeen de raadsman in hoger beroep te berde heeft gebracht met betrekking tot de persoon van de verdachte en diens persoonlijke omstandigheden, om te bepalen dat het hierna te vermelden deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd. Het hof beoogt hiermee enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. F.C.J.E. Meeuwis, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 2 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Dossierpagina 20.