Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3344

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
200.261.174_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift ex artikel 4:78 BW; informatie-vraag van legitimaris (niet zijnde erfgenaam) aan executeur-testamentair/enig erfgenaam (bankafschriften tot vijf jaar voor het overlijden erflaatster, op straffe van een dwangsom); toegewezen door rechtbank ; bekrachtigd door het hof ; naar het oordeel van het hof is sprake van schending van artikel 21 Rv door appellant en zijn raadsman

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 4 78
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/314
ERF-Updates.nl 2019-0237
RN 2019/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 september 2019

Zaaknummer: 200.261.174/01

Zaaknummer eerste aanleg: 7134194 BR VERZ 18-222

in de zaak in hoger beroep van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. A.L. Stegeman te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , Zweden,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. S.G.G. Albersen te Zoetermeer,

Belanghebbende:

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, kamer voor kantonzaken, zittingsplaats Maastricht, van 30 april 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 juni 2019, heeft [appellant] verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover hij daarbij is veroordeeld tot verstrekking van bescheiden aan [geïntimeerde] , op straffe van een dwangsom bij niet-nakoming, en de vorderingen/verzoeken van [geïntimeerde] alsnog geheel af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen te griffie op 29 juli 2019, heeft [geïntimeerde] verzocht het beroep van [appellant] af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kosten rechtens.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2019.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door zijn advocaat mr. Stegeman;

- mr. Albersen, de advocaat van [geïntimeerde] .

[geïntimeerde] en [belanghebbende] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van:

- de brief d.d. 24 juni 2019 van mr. Stegeman, met als bijlagen twee extra exemplaren van het beroepschrift;

- de ter zitting in hoger beroep overgelegde en voorgedragen pleitnota’s van respectievelijk mr. Stegeman en mr. Albersen.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1.

Op [datum] 2014 is overleden mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster). Op het moment van overlijden was de erflaatster de ongehuwde weduwe van de heer [naam] .

3.1.2.

Erflaatster liet twee kinderen na: [appellant] en [belanghebbende] . Een andere zoon van erflaatster, [zoon van erflaatster] , is reeds vooroverleden. [zoon van erflaatster] laat één erfgenaam achter, te weten [geïntimeerde] , de kleindochter van erflaatster.

3.1.3.

Erflaatster heeft bij testament van 9 januari 2007 over haar nalatenschap beschikt. [appellant] en [belanghebbende] zijn in dat testament aangewezen tot enige erfgenamen en tot executeurs. [geïntimeerde] , alsmede haar bij plaatsvervulling opkomende afstammelingen, zijn als erfgena(a)m(en) uitgesloten. [belanghebbende] heeft de nalatenschap mede namens haar kinderen verworpen en de benoeming tot executeur-testamentair niet aanvaard. [appellant] is aldus enig erfgenaam en executeur van erflaatster.

3.1.4.

[geïntimeerde] heeft op 4 juni 2015 een beroep gedaan op haar legitieme portie en in dat kader informatie aan [appellant] gevraagd om tot vaststelling van haar legitieme portie te komen.

3.1.5.

In de daaropvolgende correspondentie tussen (de gemachtigden van) [geïntimeerde] en [appellant] , staat onder andere het navolgende:

Tussen client en zijn zus, de tante van uw cliente, wordt op dit moment geprocedeerd en de uitkomst daarvan is relevant voor de vraag wat er tot de nalatenschap behoort. De zus heeft de erfenis overigens verworpen; dat is al veelzeggend. De procedure staat op vonnis. U kunt einde oktober/begin november nog eens informeren.” (e-mail mr. Stegeman van 25 juni 2015).

De rechtbank Limburg te Maastricht heeft uitspraak gedaan in de procedure aanhangig tussen cliënt en zijn zus. Ik wacht even totdat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en dan bericht ik u nader.” (e-mail mr. Stegeman van 8 september 2015).

3.1.6.

Op 17 september 2015 startte [geïntimeerde] een verzoekschriftprocedure waarbij zij op grond van artikel 4:78 BW [appellant] om aanlevering van de ontbrekende informatie heeft verzocht. [appellant] heeft bij verweerschrift een aantal van de verzochte stukken aangeleverd. Deze procedure is vervolgens door [geïntimeerde] ingetrokken.

3.1.7.

Bij brief van 28 december 2015 heeft [geïntimeerde] [appellant] om aanvullende informatie en de stand van zaken ter zake de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster verzocht. In reactie daarop schrijft (de raadsman van) [appellant] op 30 december 2015:

Ik ga nu niet meer verder op brieven van u reageren. Ik bericht u zodra duidelijk is wat er uit de procedure bij het Hof Den Bosch komt. Zoals u weet kunnen procedures bij het Hof Den Bosch zeer lang duren.

3.1.8.

Na diverse verzoeken om informatie over de voortgang van de hoger beroepsprocedure tussen [appellant] en [belanghebbende] , schrijft (de gemachtigde van) [geïntimeerde] op 7 november 2017:

Inmiddels is mij gebleken dat de procedure bij het hof in bovengenoemde kwestie eind oktober is geroyeerd in verband met een tussen partijen bereikte schikking. Dit betekent dat niets een correcte afwikkeling van de nalatenschap in de weg staat.

In reactie daarop schrijft (de raadsman van) [appellant] op 20 november 2017 dat de waarde van de nalatenschap negatief is en hij maakt daarbij onder andere melding van een vordering op [belanghebbende] ad € 3.500,-- (€10.000,--, minus advocaatkosten € 6.500,--).

3.1.9.

Bij emailbericht van 12 februari 2018 heeft [geïntimeerde] [appellant] wederom om aanvullende informatie en stukken gevraagd.

3.1.10.

In de daaropvolgende correspondentie tussen (de gemachtigden van) [geïntimeerde] en [appellant] , staat onder andere het navolgende:

Client is er klaar mee. Deze kwestie heeft al veel te veel tijd, geld en ergernis gekost. Alle stukken en informatie die client heeft, is ook verstrekt. Daaruit blijkt dat de waarde van de nalatenschap per saldo negatief is. Als uw cliente wil betalen voor het opvragen en aanleveren van de nader gewenste stukken dan hoor ik dat nog wel. Anders sluit ik het dossier.” (e-mail mr. Stegeman van 26 februari 2018).

U heeft mijn voorganger in het voortraject telkens aangegeven dat u in afwachting was van de uitspraak van het Hof in verband met de vordering op mevrouw [belanghebbende] . Echter, na het bereiken van een schikking wilt u/ uw cliënte geen nadere toelichting geven (met onderbouwde stukken) op de vraag hoe dit exact is afgelopen. Ik vraag u dan ook, ten laatste male, de in dit kader relevante stukken aan te leveren.” (e-mail mr. [mr.] van 4 april 2018).

Alhoewel ik het dossier al gesloten had, reageer ik nog kort op uw mail. […] 7. Over de uitkomst van de procedure tegen de zus (tante van uw cliente) heb ik u, c.q. uw cliente geinformeerd. Daarenboven weet client dat uw cliente en de betreffende zus een goed contact hebben, dus kan zij de betreffende informatie bij haar verifieren.” (e-mail mr. Stegeman van 6 april 2018).

3.1.11.

Bij het inleidend verzoekschrift in de onderhavige zaak heeft [geïntimeerde] de rechtbank verzocht (verkort weergegeven), op straffe van verbeurte van een dwangsom, [appellant] te veroordelen tot afgifte aan haar van:

a. a) de boedelbeschrijving inzake de nalatenschap van erflaatster met alle onderliggende stukken, waaronder een taxatierapport van het appartement van erflaatster, hypotheekinformatie per datum overlijden erflaatster, stukken aangaande de bereikte schikking tussen [appellant] en zijn zus [belanghebbende] en nota’s van de uitvaart van erflaatster;

b) bankafschriften tot vijf jaar voor het overlijden tot heden/opheffing van de rekening(en);

c) IB-aangiften tot en met vijf jaar voor het overlijden;

d) alle informatie betreffende de afwikkeling van de nalatenschap van de grootvader van [geïntimeerde] .

3.1.12.

Bij beschikking van 30 april 2019, waarvan beroep, heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot afgifte aan [geïntimeerde] van:

b) de bankafschriften tot vijf jaar voor het overlijden tot heden/opheffing van de rekening;

c) de IB-aangiften tot en met vijf jaar voor het overlijden,

binnen drie maanden na datum van de beschikking, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10,-- per dag, voor iedere dag dat [appellant] in gebreke blijft aan de beschikking te voldoen, met een maximum van € 1.000,--.

Voorts heeft de kantonrechter de proceskosten gecompenseerd, de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.2.

[appellant] is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Hij heeft drie grieven aangevoerd.

3.2.1.

In de eerste grief stelt [appellant] dat van hem geen afgifte kan worden verlangd van bescheiden waarover hij niet kan beschikken. De administratie van erflaatster werd gevoerd door zijn zus, [belanghebbende] . De bankrekening was een zogenaamde en/of rekening die op naam van erflaatster en [belanghebbende] stond. [appellant] heeft een kort geding tegen zus [belanghebbende] moeten voeren om alle beschikbare afschriften van haar te ontvangen. De bankafschriften die hij uiteindelijk van [belanghebbende] heeft ontvangen, heeft hij aan [geïntimeerde] verstrekt. Meer bankafschriften heeft [appellant] niet en hij kan daar ook niet aan komen. Hij stelt meerdere verzoeken aan de ABN AMRO Bank te hebben gericht, maar die stuiten erop af dat voor het verstrekken van de bankafschriften de medewerking van [belanghebbende] als mede-rekeninghouder noodzakelijk is en (bij gebrek aan die medewerking) om die reden de bankafschriften niet kunnen worden verstrekt.

3.2.2.

In de tweede grief stelt [appellant] het niet eens te zijn met de termijn van vijf jaar voorafgaande aan het overlijden van erflaatster. Voor een particulier bestaat geen wettelijke bewaarplicht. Van [appellant] kan niet verlangd worden dat hij stukken uit 2009 (vijf jaar voor het overlijden van erflaatster) moet verstrekken die niet bewaard hadden hoeven worden. Daarbij volstaat volgens [appellant] een overzicht van het vermogen van erflaatster op sterfdatum, niet een overzicht van alle mutaties in de vijf jaren ervoor. Van giften door erflaatster in de periode voor haar overlijden is [appellant] niets bekend. Weliswaar deed zich in de gerechtelijke procedure tussen [appellant] en zijn zus [belanghebbende] een discussie voor of een bepaalde betaling door erflaatster aan [belanghebbende] een geldlening of een schenking was, maar dit gerechtshof achtte in die procedure voorshands een geldlening aanwezig en die zaak heeft uiteindelijk geleid tot een regeling tussen [appellant] en [belanghebbende] : [belanghebbende] diende € 10.000,-- aan [appellant] te betalen, zijnde het bedrag dat zij aan de nalatenschap verschuldigd was en moest terugbetalen (en ook heeft terugbetaald). [appellant] stelt dat hij de stukken over de regeling aan [geïntimeerde] heeft verstrekt; als productie 8a bij zijn verweerschrift heeft hij het proces-verbaal van 13 oktober 2017 met daarin de vaststellingsovereenkomst die hij met [belanghebbende] heeft gesloten, overgelegd.

3.2.3.

In de derde grief bestrijdt [appellant] de opgelegde dwangsom. Hij is niet onwillig om gegevens te verstrekken, maar beschikt niet over de gegevens en is van derden afhankelijk om die te verkrijgen. Als prikkel tot nakoming heeft de dwangsom geen zin, omdat [appellant] alle inspanning en zorgvuldigheid heeft betracht om de gegevens te verkrijgen en te verstrekken en hij niet weet wat hij nog meer moet doen.

3.3.

[geïntimeerde] heeft - verkort weergegeven - als verweer aangevoerd dat de informatieplicht van artikel 4:78 BW ruim is. De bankafschriften die tot op heden aan haar ter beschikking zijn gesteld zijn niet voldoende om haar legitieme portie vast te stellen. Door [appellant] zijn slechts de bankafschriften van december 2013 tot en met 28 maart 2014 verstrekt en een bankafschrift van 8 augustus 2014. Het bankafschrift met het saldo op de sterfdatum ( [datum] 2014) ontbreekt zelfs. De wettelijke bewaartermijn van banken is in ieder geval zeven jaren (artikel 2:10 lid 2 BW) en in de praktijk is het vaak mogelijk om bankafschriften van langer dan zeven jaren geleden op te vragen. [appellant] heeft zich onvoldoende ingespannen om de verzochte bankafschriften te verkrijgen, nu uit geen enkel stuk blijkt dat de ABN AMRO Bank geen mogelijkheid heeft om de verzochte bankafschriften (vanaf het jaar 2009) te verstrekken. Zonder inzage in de bankafschriften van vijf jaar voor het overlijden is het voor [geïntimeerde] niet mogelijk om op een andere wijze inzage te verkrijgen in eventuele gedane giften. Nu uit de gerechtelijke procedure tussen [appellant] en [belanghebbende] blijkt dat [belanghebbende] gelden heeft ontvangen van erflaatster van meer dan de uiteindelijk met [appellant] ‘geschikte’

€ 10.000,--, is inzage in de bankafschriften van vijf jaar voor het overlijden noodzakelijk om de legitieme portie van [geïntimeerde] op de juiste wijze te kunnen berekenen.

3.4.

Het hof overweegt als volgt.

3.4.1.

Ter zitting van dit hof heeft [appellant] verklaard dat, anders dan door hem in zijn verweerschrift in eerste aanleg (onder nummer 29 en 30) is betoogd, hij toch de aangiften en aanslagen IB over de periode van 2009 tot en met 2013 van de Belastingdienst heeft verkregen en op 12 juni 2019 aan [geïntimeerde] heeft verzonden. Door de advocaat van [geïntimeerde] is dit bevestigd. Voor zover de grieven van [appellant] zijn gericht tegen zijn veroordeling tot afgifte van de IB-aangiften tot en met vijf jaar voor het overlijden, heeft [appellant] geen belang bij die grieven nu hij reeds aan die veroordeling heeft voldaan.

Het hof merkt daar terzijde nog op dat de stelling van [appellant] in eerste aanleg, dat hij slechts beschikte over een aanslag IB 2012 en niet over andere aanslagen en aangiftes uit de betreffende periode, onjuist is gebleken.

3.4.2.

Voor zover [appellant] in de inleiding van zijn beroepschrift heeft bedoeld te zeggen dat de rechtbank een vonnis had dienen te wijzen in plaats van een beschikking door de kantonrechter, overweegt het hof dat tegen een mogelijk foutieve toepassing van de wisselbepalingen ex artikel 69 Rv en artikel 71 Rv ingevolge het vijfde lid van die beide artikelen geen hogere voorziening open staat.

3.4.3.

Gelet op het voorgaande is het hoger beroep thans enkel nog gericht tegen de veroordeling van [appellant] tot afgifte aan [geïntimeerde] van de bankafschriften tot vijf jaar voor het overlijden tot heden/opheffing van de rekening, op straffe van verbeurte van de dwangsom.

3.4.4.

De eerste twee grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.4.4.1. [geïntimeerde] heeft haar verzoek gebaseerd op het eerste lid van artikel 4:78 BW, luidende:

‘1. Een legitimaris die niet erfgenaam is, kan tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft; zij verstrekken hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen.’

Uit de bewoordingen ‘alle daartoe strekkende inlichtingen’ in artikel 4:78 lid 1 BW kan afgeleid worden dat dit begrip zo ruim als mogelijk moet worden uitgelegd, met de enkele beperking dat de gegevens nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie. Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften (en verminderd met de schulden vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW). Artikel 4:67 BW bepaalt voorts welke door de erflater gedane giften bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking worden genomen.

3.4.4.2. Het hof constateert dat [geïntimeerde] inhoudelijk [appellant] zowel in de hoedanigheid van enig erfgenaam als in de hoedanigheid van executeur-testamentair in de procedure heeft betrokken. [appellant] heeft gezien voorgaande artikelen de wettelijke verplichting om alle bescheiden die betrekking hebben op (de waarde van) voornoemde goederen, giften en schulden aan [geïntimeerde] te verstrekken, zodat zij haar legitieme portie kan berekenen. Daartoe behoren naar het oordeel van het hof ook alle bankafschriften van erflaatster van vijf jaar voor datum overlijden tot heden of tot de opheffing van de rekening(en).

3.4.4.3. Het hof komt tot dit oordeel mede gezien het tussenarrest van dit hof van 16 mei 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:2177), gewezen in de dagvaardingsprocedure tussen [belanghebbende] (als appellante) en [appellant] (als geïntimeerde), als door de advocaat van [appellant] genoemd in zijn pleitnota (onderdeel 13). Het hof heeft de zakelijke inhoud van dit arrest tijdens de mondelinge behandeling aan partijen voorgehouden. Blijkens dat tussenarrest staat vast dat [belanghebbende] op 17 april 2014 - te weten één dag voor het overlijden van erflaatster - van de spaarrekening van erflaatster een bedrag van € 7.500,-- aan haarzelf en een gelijk bedrag aan [appellant] heeft overgemaakt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [appellant] [geïntimeerde] enkel heeft geïnformeerd over de inhoud van de regeling die hij (uiteindelijk) met [belanghebbende] heeft getroffen.. Hij heeft haar niet geïnformeerd over de door hem ontvangen

€ 7.500,--, over de door [belanghebbende] ontvangen € 7.500,-- en over de tweede (spaar)rekening. Ook blijkt uit het tussenarrest dat [appellant] in eerste aanleg een totaalbedrag van ongeveer

€ 71.000,-- vorderde van [belanghebbende] , kort gezegd stellende dat dit tot de nalatenschap van erflaatster behoort. De rechtbank Limburg heeft - onder meer - de vordering van [appellant] voor wat betreft de bedragen € 7.500,-- en € 45.000,-- bij vonnis van 19 augustus 2015 toegewezen. Dit hof heeft in het tussenarrest voorshands bewezen geacht dat er ten aanzien van het bedrag van € 32.533,-- sprake was van een geldlening door erflaatster aan [belanghebbende] , waartegen [belanghebbende] tegenbewijs mocht leveren. Voorts werd [appellant] toegelaten te bewijzen dat een bedrag van € 12.467 eveneens op basis van geldlening aan [belanghebbende] was verstrekt. Deze omstandigheden die blijken uit het tussenarrest (en die in de onderhavige procedure ook niet zijn weersproken door [appellant] ), afgezet tegen de regeling die [appellant] uiteindelijk met zijn zus [belanghebbende] heeft getroffen (betaling van € 10.000,-- door [belanghebbende] aan [appellant] ), maken dat [geïntimeerde] alle belang heeft bij inzage in alle rekeningen van erflaatster voor zover bekend, inclusief de in het tussenarrest genoemde spaarrekening, in de periode van vijf jaar voor het overlijden tot heden/opheffing van de rekeningen. Alleen met die informatie kan [geïntimeerde] achterhalen welke bedragen [belanghebbende] en/of [appellant] – naast de hiervoor genoemde bedragen van tweemaal € 7.500,-- – hebben ontvangen en kan zij beoordelen of deze bedragen giften zijn en zo ja, of deze behoren tot de in artikel 4:67 BW opgesomde giften die van invloed zijn op de hoogte van haar legitieme portie.

3.4.4.4. Voorts overweegt het hof dat de bewaartermijn van de bank relevant is en niet (alleen) de bewaartermijn die [appellant] zelf als particulier geacht wordt te hanteren. Naar het oordeel van het hof moet de bank, gezien de geldende wettelijke bewaarplichten, (al dan niet digitaal) beschikken over de verzochte bankafschriften. Het ligt op de weg van [appellant] om alle stappen te zetten die nodig zijn om de verzochte bankafschriften te achterhalen en vervolgens aan [geïntimeerde] te verstrekken. Weliswaar stelt [appellant] meer dan voldoende inspanning te hebben verricht om aan de ontbrekende bankafschriften te komen, maar hij toont dit met geen enkel stuk aan. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een sommatie aan [belanghebbende] en is er geen verzoek tot het geven van volmacht - gericht op het door de bank verstrekken van informatie aan de rechtsopvolger van erflaatster, [appellant] - door [belanghebbende] overgelegd. Van [appellant] mag worden verwacht dat hij (alsnog) [belanghebbende] en/of de bank beweegt om de verzochte afschriften van de gebleken bank-/spaarrekeningen te verstrekken, althans dat hij [belanghebbende] beweegt haar medewerking te verlenen aan het opvragen van deze bankafschriften.

Op grond van het voorgaande falen de eerste twee grieven.

3.4.5.

Het hof is ten slotte van oordeel dat de kantonrechter terecht een dwangsom aan zijn veroordeling tot overlegging van de bankafschriften heeft verbonden. Gezien de omstandigheden dat [appellant] [geïntimeerde] niet heeft geïnformeerd over bijvoorbeeld de spaarrekening van erflaatster en de bedragen van € 7.500,-- die zijn zus vlak voor het overlijden van erflaatster aan haarzelf en aan hem heeft overgemaakt, alsmede het gegeven dat [appellant] in eerste aanleg nog heeft betoogd de IB-aangiften niet te kunnen verstrekken en deze stukken na het vonnis waarvan beroep (op 12 juni 2019) toch aan [geïntimeerde] heeft verzonden, is het hof van oordeel dat [appellant] wel ‘onwillig’ was om informatie te verstrekken en de dwangsom als prikkel tot nakoming noodzakelijk is. Hierbij betrekt het hof mede dat, nu in het verweerschrift in eerste aanleg van 26 november 2018 in de onderdelen 17 tot en met 20 een boedelbeschrijving is opgenomen, evident sprake is geweest van schending van artikel 21 Rv. In onderdeel 19 horend bij bedoelde boedelbeschrijving is opgenomen: “(…) Er was geen levensverzekering, geen giften of schenkingen in het jaar voor overlijden, (...)”. Het door het hof vetgeprinte deel van het citaat is gezien r.o. 6.4.2 tot en met 6.5.1 van het tussenarrest uit 2017 klip en klaar in strijd met de waarheid, en zowel [appellant] als zijn raadsman – die ook als zodanig optrad in die procedure – was hiermee volledig bekend.
De derde grief slaagt evenmin.

3.5.

Het hof zal de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. Nu [appellant] (ook) in hoger beroep in het ongelijk is gesteld, en bovendien is gebleken dat hij en zijn raadsman in eerste aanleg bewust artikel 21 Rv hebben geschonden, is het hof van oordeel dat hij in de proceskosten in hoger beroep dient te worden veroordeeld. Als verzocht zal de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 324,-- aan griffierecht en op € 2.148,-- aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, A.P. Zweers-van Vollenhoven en J.W. Ponds en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2019.