Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3326

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
16-09-2019
Zaaknummer
200.236.341_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijds hoger beroep tegen een tussenvonnis. Vordering tot ontbinding van een huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Had de kantonrechter de vordering aanstonds moeten toewijzen? Bekrachtiging van het tussenvonnis en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.236.341/01

arrest van 10 september 2019

in de zaak van

Stichting Sint Trudo,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als Trudo,

advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven,

tegen

[bewindvoerder] , h.o.d.n. Mijn rechterhand bewindvoering, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [curandus] , geboren op [geboortedatum] 1969,

zaakdoende te [kantoorplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de bewindvoerder,

advocaat: mr. M.H.A.J. Slaats te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 maart 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 december 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen Trudo als eiseres en de bewindvoerder als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5849021/ CV EXPL 17-3137)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties 32 en 33;

  • -

    de memorie van antwoord met producties 1;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de producties 34 tot en met 38 en de usb-stick die Trudo en de productie 2 die de bewindvoerder ter gelegenheid van het pleidooi in het geding hebben gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep gaat het om het volgende.

a. a) Tussen Trudo en [curandus] voornoemd bestaat met ingang van 20 april 2010 een huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige woonruimte, staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] (hierna: het gehuurde).

b) Over de goederen van [curandus] is een bewind ingesteld. Bij beschikking van 27 maart 2015 heeft de kantonrechter te Eindhoven de bewindvoerder tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

c) In de periode vanaf 2010 tot en met 3 februari 2017 zijn er meerdere incidenten geweest; onder meer heeft [curandus] sms-berichten aan een medewerker van Trudo gericht met ernstige bedreigingen. Het hof verwijst naar de – door partijen niet bestreden – feitenvaststelling door de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep onder rov. 2.3 tot en met 2.7.

d) Op 6 februari 2017 heeft de advocaat van Trudo aan zowel de bewindvoerder als aan [curandus] een sommatiebrief verzonden waarin wordt verzocht om vrijwillig voor ontruiming aan het gehuurde zorg te dragen. Binnen de gestelde termijn is niet tot ontruiming overgegaan.

e) Bij vonnissen in kort geding van respectievelijk de kantonrechter te Eindhoven d.d. 7 maart 2017 en van de voorzieningenrechter d.d. 18 april 2017 zijn door Trudo ingestelde vorderingen tot ontruiming van het gehuurde afgewezen.

f) Bij inleidende dagvaarding d.d. 21 maart 2017 heeft Trudo de bewindvoerder in de onderhavige bodemprocedure betrokken. In deze procedure vordert Trudo, kort gezegd, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.

g) De kantonrechter heeft daarop een tussenvonnis gewezen – voormeld vonnis van 28 december 2017.

h) Trudo heeft verzocht verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen dit tussenvonnis. Bij vonnis van 8 maart 2018 heeft de kantonrechter te Eindhoven dit verlof verleend.

i. i) Vervolgens heeft Trudo hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis. Het onderhavige hoger beroep betreft dus een tussentijds hoger beroep tegen een tussenvonnis.

3.2.

In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter, samengevat, het volgende overwogen.

De kantonrechter heeft vooropgesteld dat artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het is hierbij aan de tekortschietende partij om zich voldoende gemotiveerd op deze uitzondering te beroepen. Bij de beoordeling moet verder rekening worden gehouden met alle door partijen genoegzaam gemotiveerd aangevoerde omstandigheden van het geval waaronder eventueel om omstandigheden die hebben plaatsgevonden na de gestelde tekortkoming. In het bijzonder dient rekening te worden gehouden met het woonbelang van huurder.

Vervolgens heeft de kantonrechter vastgesteld dat de kern van het verwijt van Trudo de door [curandus] in januari en februari 2017 gedane bedreigingen tegen (een) medewerker(s) van Trudo. De kantonrechter heeft geoordeeld dat die bedreigingen volstrekt onacceptabel zijn, in het kader van de huurovereenkomst een ernstige tekortkoming opleveren en in beginsel voldoende grond zijn voor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning.

Anderzijds dient, aldus de kantonrechter, mede rekening gehouden met de overige (bijzondere) omstandigheden van het geval. Daarbij heeft hij opgemerkt dat [curandus] een kwetsbare huurder is, die op psycho-sociaal vlak hulp en begeleiding van derden nodig heeft en is aangewezen op sociale huisvesting. Vast staat dat de hulp en begeleiding door onder meer de GGzE is geïntensiveerd en zich nadien geen noemenswaardige incidenten meer hebben voorgedaan. Ook is niet, althans niet voldoende, gebleken van overlast jegens omwonenden en is de situatie voor wat betreft de verzorging en het schoonhouden van het gehuurde (sterk) verbeterd. In deze omstandigheden heeft de kantonrechter aanleiding gezien om de zaak voor ruim zes maanden aan te houden.

Ten slotte heeft de kantonrechter de zaak naar de rol verwezen voor akte zijdens Trudo en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.3.

Trudo heeft vijf grieven tegen het tussenvonnis aangevoerd. De grieven strekken ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte de zaak heeft aangehouden en niet (al direct) de vordering van Trudo heeft toegewezen.

3.4.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke beoordeling. Het hof zal bij de beoordeling van de grieven tevens de motivering van Trudo van haar verzoek tot verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep betrekken.

3.5.

Ten grondslag aan dit verzoek heeft Trudo gelegd dat ‘[h]et oordeel ten aanzien van de afwijzing van de vorderingen van Trudo tot ontbinding en ontruiming […] zonder enig voorbehoud [heeft] plaatsgevonden’ (op pagina 3 van het ‘Verzoek inzake verlof tussentijds hoger beroep’ d.d. 31 januari 2018 van Trudo). Voor zover Trudo meent dat de kantonrechter haar vordering bij het vonnis waarvan beroep heeft afgewezen, berust dit echter op een verkeerde lezing van het vonnis. De kantonrechter heeft hierover niet zonder enig voorbehoud een oordeel gegeven. Zijn oordeel komt er juist op neer dat de vorderingen van Trudo in beginsel toewijsbaar zijn – reeds wegens de door [curandus] gedane bedreigingen – maar dat gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval de beslissing daarover wordt aangehouden.

3.6.

Juist is wel dat de kantonrechter de vorderingen niet aanstonds heeft toegewezen. Volgens Trudo had hij dat wel moeten doen, reeds wegens de door [curandus] gedane bedreigingen. Daarbij heeft Trudo aangevoerd dat de bewindvoerder heeft nagelaten zich gemotiveerd te beroepen op de uitzondering van artikel 6:265 BW, de zogenoemde tenzij-clausule. Naar het oordeel van het hof is de kantonrechter niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. In de conclusie van antwoord heeft de bewindvoerder zich met zoveel woorden op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van tekortkomingen die ontbinding van de huurovereenkomst en haar gevolgen rechtvaardigen (zie randnummer 22). De motivering van dit standpunt blijkt niet alleen uit de conclusie van antwoord, maar ook uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg. Die motivering houdt naar de kern genomen in dat de gestelde tekortkomingen in de specifieke omstandigheden niet van voldoende gewicht zijn voor toewijzing van de vorderingen van Trudo, mede gelet op het feit dat er sprake is van verbeterd gedrag van [curandus] . Aldus was het beroep van de bewindvoerder op de tenzij-clausule voor Trudo ook voldoende kenbaar (vgl. rov. 3.7 van de prejudiciële beslissing van 28 september 2018 van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2018:1810).

3.7.

Voorts acht het hof de vooropstelling door de kantonrechter (hiervoor weergegeven in rov. 3.2) in overeenstemming met de uitleg die de Hoge Raad in voormelde prejudiciële beslissing heeft gegeven aan artikel 6:265 lid 1 BW ten aanzien van de verhuur en huur van sociale woonruimte, zoals hier aan de orde is. Trudo klaagt erover dat de kantonrechter in zijn vooropstelling heeft overwogen dat in het bijzonder rekening dient te worden gehouden met het woonbelang. Deze klacht is niet terecht. In het algemeen kan worden aangenomen dat de huurder een zwaarwegend belang heeft om het ingrijpende gevolg van ontbinding en ontruiming te vermijden (zie ook rov. 3.9 van de prejudiciële beslissing). In dit geval geldt dit te meer gegeven de psychosociale problematiek van [curandus] .

3.8.

Ter onderbouwing van haar betoog dat de kantonrechter ten onrechte de zaak heeft aangehouden en niet (al direct) de vordering van Trudo heeft toegewezen, heeft Trudo ook naar voren gebracht dat tekortkomingen niet ongedaan kunnen worden gemaakt. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De vraag die voorligt aan de kantonrechter is of de gestelde en gebleken tekortkomingen van voldoende gewicht zijn om de overeenkomst te ontbinden (vgl. rov. 3.5 en 3.9 van de prejudiciële beslissing). Daarbij dient te worden gelet op alle omstandigheden van het geval (rov. 3.8.1 en 3.8.2 van de prejudiciële beslissing). Zoals de kantonrechter in zijn vooropstelling heeft opgenomen, kunnen dit ook omstandigheden zijn die hebben plaatsgevonden na de gestelde tekortkoming. Voor zover [curandus] door zijn gedrag tekortgeschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst, kan dit inderdaad niet ongedaan worden gemaakt. In het voordeel van [curandus] kan echter wel worden meegenomen dat hij zijn gedrag nadien heeft verbeterd als dat zo is (zie rov. 3.8.3 van de prejudiciële beslissing).

3.9.

De kantonrechter heeft aanleiding gezien zich nader te laten informeren over het gedrag van [curandus] . Daarbij heeft hij van belang geacht dat – mede naar aanleiding van de bedreigingen – de zorg en hulpverlening zijn geïntensiveerd. Blijkens het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg is de kantonrechter hierover voorgelicht door een van de behandelaars van de GGzE van [curandus] . Die heeft onder meer verklaard dat hij verbetering ziet in het gedrag van [curandus] . Om zich nader te laten informeren, heeft de kantonrechter de zaak voor ruim zes maanden aangehouden en Trudo in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de vraag of [curandus] zich in de tussentijd heeft gedragen als een goed huurder. Het hof kan zich in dit specifieke geval met deze aanpak verenigen. Mogelijk is er sprake van een nieuwe situatie waarbij ontbinding en ontruiming op basis van feiten uit het verleden niet meer gerechtvaardigd zou zijn.

3.10.

Niet geoordeeld kan dan ook worden dat de kantonrechter de vorderingen van Trudo zonder nader onderzoek had moeten toewijzen. Het hof wijst erop dat de kantonrechter in het tussenvonnis reeds heeft overwogen dat de door [curandus] gedane bedreigingen in het kader van de huurovereenkomst een ernstige tekortkoming opleveren en in beginsel voldoende grond zijn voor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. De kantonrechter heeft derhalve rekening gehouden met het belang van Trudo dat haar medewerkers bij de uitoefening van hun werkzaamheden niet door huurders worden bedreigd (vgl. hof ’s Hertogenbosch 10 januari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:28, rov. 9.5). Ook heeft de kantonrechter rekening gehouden met het procesbelang van Trudo doordat hij heeft aangegeven dat Trudo vervroegde plaatsing op de rol kan verzoeken indien het gedrag van [curandus] als huurder daartoe aanleiding geeft.

3.11.

Een en ander laat onverlet dat de kantonrechter nog steeds tot het oordeel kan komen, ook indien [curandus] zijn gedrag verbeterd heeft, dat door de hem gedane bedreigingen een tekortkoming van voldoende gewicht opleveren om de huurovereenkomst te ontbinden. Tijdens het pleidooi in hoger beroep is gebleken dat er geen (direct) contact is tussen medewerkers van Trudo en [curandus] (dit loopt via de begeleiders van [curandus] ). Trudo heeft gesteld dat als het contact zou worden hervat, [curandus] vroeg of laat opnieuw medewerkers van Trudo zal bedreigen. De kantonrechter zal deze stelling in zijn beoordeling dienen te betrekken. Voorts is van belang dat aan de vorderingen van Trudo ook ten grondslag ligt dat [curandus] zich niet als een goed huurder heeft gedragen doordat hij heeft gezorgd voor overlast in de buurt en het gehuurde slecht heeft onderhouden. Ook dat zal de kantonrechter in zijn beoordeling dienen te betrekken.

3.12.

Het vorenstaande brengt mee dat de grieven falen. Bewijslevering is verder niet aan de orde.

3.13.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. De zaak zal worden teruggewezen naar de kantonrechter; er doet zich hier geen van de in artikel 355 Rv opgenomen uitzonderingen voor terugwijzing voor. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Trudo worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst de zaak terug naar de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Trudo in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de bewindvoerder op € 318,- aan griffierecht en op € 3.222,- aan salaris advocaat;

verklaart voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, J.M.H. Schoenmakers en J.M. Brandenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 september 2019.

griffier rolraadsheer