Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3320

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
200.216.674_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:394
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur winkelruimte. Kosten herstel dekvloer voor rekening van huurder of verhuurder?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.216.674/01

arrest van 10 september 2019

in de zaak van

[appellant] ,

handelende onder de naam D-Parts,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als: [appellant] ,

advocaat: mr. C.A. Gobbens te Breda,

tegen

B.V. Property Investment [vestigingsnaam] P.I.R,

in het tussenarrest van 18 juli 2017 Property Investment [vestigingsnaam] P.I.R. B.V. genoemd,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als: PIR,

advocaat: mr. E.E.W. Danen te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 juli 2017 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer 5318943 / 16-5014, gewezen vonnis van 25 januari 2017.

5 Het verdere verloop van de procedure

5.1.

Ter uitvoering van het tussenarrest van 18 juli 2017, heeft op 18 september 2017 een comparitie plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt, dat tot de processtukken behoort.

5.2.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

5.3.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

6 De beoordeling

De vaststaande feiten

6.1.1.

Met ingang van 1 september 2012 huurt [appellant] op grond van een schriftelijke ‘Huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW’ in [plaats] een winkelruimte. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de ‘Algemene Bepalingen huurovereenkomst winkelruimte’ van juli 2003 (hierna: de Algemene Bepalingen).

6.1.2.

Op 14 september 2012 is PIR eigenaar en verhuurder van de winkelruimte geworden.

6.1.3.

Op 15 oktober 2015 heeft [appellant] telefonisch en per e-mailbericht aan PIR melding gemaakt van een probleem met de cementdekvloer, erop neerkomende dat de dekvloer is ‘verbrand’, waardoor deze (op verschillende plaatsen) loslaat en verwordt tot zand. In de

e-mail staat vermeld: “(…) Sinds een maand of 2/3 begint de marmoleumvloer op inmiddels 7 plekken te verzakken, we hebben een bedrijf laten komen welke heeft geconstateerd dat de dekvloer het probleem is. Tot op een centimeter of 8 bestaat de dekvloer uit zand in plaats van beton. Aangezien het in mijn ogen toch wel een zeer ernstig probleem lijkt te zijn, zou het fijn zijn als er op korte termijn duidelijk is wat voor gevolgen een en ander heeft. (…)”.

6.1.4.

Ondanks verzoeken en sommaties daartoe, is PIR niet overgegaan tot herstel van de dekvloer.

Eerste aanleg

6.2.

[appellant] heeft na eiswijziging, samengevat, gevorderd PIR te veroordelen tot herstel van - zo begrijpt het hof - het gebrek aan de dekvloer, onder verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van PIR in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

6.3.

PIR heeft verweer gevoerd.

6.4.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

Hoger beroep

6.5.

[appellant] heeft in hoger beroep - onder aanvoering van twee grieven - gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende i) zijn vorderingen alsnog toe te wijzen, ii) PIR te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [appellant] op grond van het bestreden vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente, en iii) PIR te veroordelen in de kosten van beide instanties en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

6.6.

PIR heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd.

6.7.

De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de dekvloer niet behoort tot het gehuurde en onderhoud en herstel van gebreken aan de dekvloer daarom niet voor rekening van PIR komen en daarmee tegen de afwijzing van de hoofdvordering van [appellant] . De tweede grief is gericht tegen de kostenveroordeling.

6.8.

[appellant] stelt in de kern dat PIR als verhuurder verplicht is de dekvloer te herstellen en zo een gebrek aan het gehuurde te verhelpen. PIR meent kort gezegd dat de dekvloer niet mee is verhuurd, zodat het herstel niet voor haar rekening is. Beoordeeld dient te worden wat partijen over het object van de huur en de gebrekenregeling zijn overeengekomen.

6.9.

Ingevolge artikel 7:204 lid 2 BW vormen alle genotsbeperkingen aan het gehuurde die niet aan de huurder zijn toe te rekenen een gebrek. In artikel 7:206 lid 1 BW is bepaald dat de verhuurder verplicht is op verlangen van de huurder gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de verhuurder zijn te vergen. Ingevolge artikel 7:206 lid 2 BW geldt de verplichting tot herstel niet ten aanzien van de kleine herstellingen tot het verrichten waarvan de huurder krachtens artikel 7:217 BW verplicht is - hetgeen hier niet aan de orde is - en ten aanzien van gebreken voor het ontstaan waarvan de huurder jegens de verhuurder aansprakelijk is. [appellant] heeft het gebrek aan de dekvloer echter niet veroorzaakt.

Uit het voorgaande volgt dat de kosten van herstel van een dekvloer volgens de wet voor rekening van de verhuurder dienen te komen.

De verhuurder van een bedrijfsruimte als de onderhavige mag zijn verplichting tot herstel van gebreken echter contractueel beperken. Die vrijheid geldt op grond van artikel 7:209 BW niet voor zover het betreft gebreken die bestonden ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst en toen bij de verhuurder bekend waren of behoorden te zijn. Vaststaat dat de dekvloer al bij aanvang van de huur aanwezig was en toen blijkbaar nog niet gebrekkig was. PIR mocht haar verplichting tot herstel daarvan dan ook contractueel beperken.

6.10.

De vraag die daarmee voorligt, is of de contractsbepalingen een dergelijke, rechtsgeldige beperking inhouden, waardoor de kosten voor herstel van de dekvloer voor rekening en risico dienen te komen van [appellant] .

6.11.

In het huurcontract is onder meer opgenomen:

“(…) Het gehuurde, bestemming

(…)

1.2

Het gehuurde is/wordt als casco verhuurd, tenzij in artikel 8 of elders in deze huurovereenkomst schriftelijk aanvullend of anders door partijen is overeengekomen.

(…)

Casco plus

8. In aanvulling op de huur als casco behoort tot het gehuurde: n.v.t.

Bijzondere bepalingen

(…)

9.6

Oplevering

Het gehuurde wordt namens verhuurder casco geleverd. Alle bij huuraanvang aanwezige voorzieningen vormen nadrukkelijk geen onderdeel van het gehuurde en worden door huurder om niet in eigendom genomen. Onderhoud, vervanging en/of reparatie van deze zaken is voor rekening en risico huurder.

Het gehuurde dient bij beëindiging van de huurovereenkomst in casco staat (geheel leeg, bezemschoon en ontdaan van inventaris) opgeleverd te worden. (…)”.

6.12.

Het proces verbaal van oplevering, door partijen getekend op 25 oktober 2012, bevat een woordelijke herhaling van de eerste alinea van artikel 9.6 van de huurovereenkomst.

6.13.

In de Algemene Bepalingen staat onder meer vermeld:

“(…) Casco

1. Onder huur als casco wordt verstaan, de huur van de constructieve bouwvloer(en), het/de

constructieve plafond(s), de bouwmuren zonder pui(en) (…).

(…)

Onderhoud, herstel en vernieuwingen, inspecties en keuringen

13.1

Voor rekening van verhuurder zijn de kosten van de hierna in 13.3 weergegeven onderhouds-,

herstel- en vernieuwingswerkzaamheden aan het gehuurde. Voor rekening van huurder zijn de kosten

van de overige onderhouds-, herstel-, en vernieuwingswerkzaamheden (…) aan het gehuurde.

(…)

13.3

Voor rekening van verhuurder zijn de kosten van:

a onderhoud, herstel en vernieuwing van constructieve onderdelen van het gehuurde, zoals funderingen, kolommen, balken, bouwvloeren, daken, platten, bouwmuren, buitengevels;

(…) De onder a t/m d genoemde werkzaamheden zijn voor rekening van verhuurder, tenzij het werkzaamheden betreft die moeten worden beschouwd als kleine herstellingen waaronder begrepen gering en dagelijks onderhoud in de zin van de wet dan wel werkzaamheden aan zaken die niet door of vanwege verhuurder in, op of aan het gehuurde zijn aangebracht

(…)

13.5

Onderhoud, herstel en vernieuwing van door of vanwege huurder aangebrachte veranderingen en toevoegingen zijn voor rekening van huurder

(…)”.

6.14.

Uit niets is gebleken dat bij aanvang van de huur met betrekking tot de dekvloer afspraken zijn gemaakt die van de hiervoor bedoelde contractsbepalingen afwijken, zodat uit de contractsbepalingen moet worden afgeleid voor wie het herstel van de dekvloer is.

Volgens de tekst van deze contractsbepalingen is overeengekomen dat het gehuurde namens de verhuurder casco in gebruik werd gegeven, waarbij onder huur als casco dient te worden verstaan de huur van constructieve onderdelen van het gehuurde, waaronder de constructieve bouwvloer(en). Alle bij aanvang van de huur aanwezige voorzieningen vormen geen onderdeel van het gehuurde en zijn aan [appellant] als huurder om niet in eigendom gegeven. Het onderhoud, de vervanging en/of reparatie van deze “om niet in eigendom gegeven” zaken zijn contractueel voor rekening en risico van [appellant] gebracht. Onderhoud en herstel van constructieve onderdelen van het gehuurde, zoals bouwvloeren, zijn voor rekening van PIR, tenzij het werkzaamheden aan zaken betreft die niet door of vanwege de verhuurder in het gehuurde zijn aangebracht. Overig onderhoud en herstel is voor rekening van [appellant] , evenals onderhoud en herstel van door of vanwege de huurder aangebrachte veranderingen en toevoegingen.

6.15.

De meest verstrekkende stelling van [appellant] houdt in dat de dekvloer een bestanddeel van het bedrijfspand is in de zin van artikel 3:4 BW, zodat de dekvloer aangemerkt dient te worden als een constructief deel van het gehuurde althans als behorend tot een constructief deel van het gehuurde, zodat het onderhoud, reparatie en herstel voor rekening van de verhuurder is.

6.16.

Op grond van artikel 3:4 lid 1 BW is al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, bestanddeel van die zaak. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:4 lid 2 BW wordt een zaak die met een hoofdzaak zodanig wordt verbonden dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een van deze zaken, bestanddeel van de hoofdzaak.

Uit de stukken blijkt genoegzaam dat de dekvloer zodanig met de bouwvloer verbonden is dat verwijdering van de dekvloer niet zonder ernstige beschadiging van de dekvloer of de bouwvloer mogelijk is. Vanwege deze fysieke verbinding moet de dekvloer op grond van het bepaalde in artikel 3:4 lid 2 BW als bestanddeel van de onroerende zaak worden beschouwd.

6.17.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5:3 BW omvat de eigendom van een zaak al haar bestanddelen, voor zover de wet niet anders bepaalt. Hiervan kan bij overeenkomst niet worden afgeweken. De grond trekt dan ook de cementen dekvloer na en dit brengt met zich dat de dekvloer, als bestanddeel van de onroerende zaak, niet los in eigendom overgedragen kan worden. De dekvloer is dan ook niet op grond van het bepaalde in artikel 9.6 van de huurovereenkomst, waarin is voorzien in eigendomsoverdracht, in eigendom gaan toebehoren aan [appellant] . Artikel 9.6 van de huurovereenkomst sorteert in zoverre geen effect.

6.18.

De vraag is vervolgens of de dekvloer, hoewel deze niet in eigendom is overgedragen aan [appellant] , toch aangemerkt dient te worden als een voorziening als bedoeld in artikel 9.6 van de huurovereenkomst, waarvan de kosten voor onderhoud en herstel voor rekening van [appellant] dienen te komen of dat deze gerekend moet worden tot het “casco” en op die grond voor rekening van de verhuurder komt.

6.19.

Het begrip “voorzieningen” is in de contractsbepalingen niet nader gedefinieerd, zodat die vraag beoordeeld dient te worden door uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betreffende bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarnaast bepaalt, onverminderd de overige criteria van artikel 6:248 lid 1 BW, ook de wet, waaronder de bepalingen van het huurrecht, de rechtsgevolgen van deze overeenkomst.

Bij deze uitleg, die eveneens gehanteerd moet worden bij het begrip “casco”, dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

6.20.

Vaststaat dat voor of bij de totstandkoming van de huurovereenkomst niet is onderhandeld over “het gehuurde” en artikel 9.6 van de huurovereenkomst. Ook de inhoud van het proces-verbaal van oplevering bepaalt dienaangaande niets. Over de context waarin

deze bepalingen zijn geplaatst, hebben de partijen ook geen stellingen ingenomen.

Vaststaat ook dat de dekvloer bij aanvang van de huurovereenkomst reeds in de winkelruimte aanwezig was, in constructief opzicht en naar verkeersopvatting als een geheel is te beschouwen en in gebruik is gegeven aan [appellant] . Omdat het gehuurde niet is te gebruiken zonder ook die reeds aanwezige dekvloer te gebruiken, maakt de dekvloer deel uit van wat tegen betaling van de huurprijs in gebruik is gegeven en daarmee is de dekvloer op grond van het bepaalde in artikel 7:201 lid 1 BW mee verhuurd. Het hof zijn geen omstandigheden gebleken op grond waarvan [appellant] , in weerwil van het hier overwogene, redelijkerwijs zou hebben moeten aannemen dat de dekvloer niet tot het gehuurde zou behoren. Dit geldt temeer nu de dekvloer, zoals hiervoor is overwogen, ook niet in eigendom is geleverd aan [appellant] , omdat deze als bestanddeel van een onroerende zaak niet afzonderlijk geleverd kan worden. Als bestanddeel moet de dekvloer dan worden begrepen deel uit te maken van het in huur gegeven casco.

Weliswaar stond het partijen vrij om af te spreken dat onderhoud en herstel van een bestanddeel van de onroerende zaak, zoals de dekvloer of vloer- of wandtegels, voor rekening van [appellant] zou komen, maar dit had dan wel expliciet in de contractsbepalingen opgenomen moeten worden. Nergens is echter met zoveel woorden bepaald dat de kosten van onderhoud en herstel van de dekvloer voor rekening van de huurder komen.

6.21.

Daarmee resteert de vraag of partijen anderszins rechtsgeldig zijn overeengekomen dat de kosten voor herstel van de dekvloer voor rekening en risico van [appellant] dienen te komen. De vraag is dan of het herstel op grond van de artikelen 13.1 en 13.3 van de Algemene Bepalingen voor rekening van [appellant] moet komen.

6.22.

Ingevolge de artikelen 13.1 en 13.3 van de Algemene Bepalingen zijn de kosten van onderhoud en herstel van constructieve onderdelen van het gehuurde, zoals bouwvloeren, voor rekening van PIR, tenzij het werkzaamheden betreft die moeten worden beschouwd als kleine herstellingen waaronder begrepen gering en dagelijks onderhoud in de zin van de wet dan wel werkzaamheden aan zaken die niet door of vanwege verhuurder in, op of aan het gehuurde zijn aangebracht. Ingevolge artikel 13.1 van de Algemene Bepalingen zijn de kosten van de overige onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan het gehuurde voor rekening van [appellant] en ingevolge artikel 13.5 van de Algemene Bepalingen zijn onderhoud en herstel van door of vanwege huurder aangebrachte veranderingen en toevoegingen voor rekening van [appellant] .

6.23.

Hiervóór is vastgesteld dat de dekvloer bij aanvang van de huur al aanwezig was en als bestanddeel deel uitmaakt van de verhuurde hoofdzaak (de constructie, waaronder de constructieve bouwvloer), die door PIR tegen betaling van de huurprijs in gebruik is gegeven aan [appellant] . Daarmee maakt ook de dekvloer deel uit van het verhuurde. Dat brengt met zich dat herstel van de dekvloer niet op grond van het bepaalde in de artikelen 13.1 en 13.3 van de Algemene Bepalingen voor rekening van [appellant] komt. Omdat ook vaststaat dat de dekvloer niet door [appellant] is aangebracht, maar ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst al in de winkelruimte was aangebracht, kunnen de kosten van herstel van de dekvloer ook niet op grond van het bepaalde in artikel 13.5 van de Algemene Bepalingen voor rekening van [appellant] komen.

6.24.

Andere contractsbepalingen of omstandigheden waaruit de conclusie zou kunnen worden getrokken dat het herstel van de dekvloer voor rekening van [appellant] zou dienen te komen, zijn niet gesteld of gebleken.

Tegenover de gespecificeerde toelichting door [appellant] van het gebrek aan de dekvloer die, naar aangenomen mag worden, niet alleen voor het gebruik maar ook voor de uitstraling een belangrijk onderdeel vormt van winkelruimte, is de enkele tegenwerping van PIR, overigens verder niet gemotiveerd, dat de winkel gewoon open is en er klanten komen, onvoldoende om te concluderen dat [appellant] door het gebrek aan de dekvloer niet is beperkt in het huurgenot dat hij mocht verwachten. Niet gebleken is voorts dat het herstel van de dekvloer aangemerkt dient te worden als een kleine herstelling tot het verrichten waarvan de huurder krachtens artikel 2:217 BW verplicht is, zoals hiervoor reeds overwogen.

Een en ander moet leiden tot het oordeel dat PIR op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst het groot onderhoud van de dekvloer voor haar rekening moet nemen, zodat de wettelijke regel van artikel 7:206 leden 1 en 2 BW (waarmee de artikelen 13.1 en 13.3 van de Algemene Bepalingen in lijn zijn) onverkort geldt en PIR de dekvloer dient te herstellen. De eerste grief slaagt aldus.

6.25.

PIR heeft in eerste aanleg bij conclusie van antwoord (onder 29) nog aangevoerd dat [appellant] niet aan zijn schadebeperkingsplicht heeft voldaan. [appellant] vordert echter slechts nakoming van een contractuele verplichting van zijn verhuurder, te weten herstel van het gehuurde. Een vordering tot vergoeding van schade is niet ingesteld zodat van een verplichting tot schadebeperking ook geen sprake kan zijn. PIR heeft in hoger beroep onder punt 3 in haar memorie van antwoord nog aangevoerd en gesteld dat [appellant] na ontdekking van het gebrek aan de vloer eerst contact heeft opgenomen met een deskundige om de oorzaak te onderzoeken en pas daarna heeft geklaagd. Volgens PIR had er meteen bij haar geklaagd moeten worden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom [appellant] niet eerst mocht onderzoeken wat de oorzaak van de klachten was om vervolgens te klagen bij de verhuurder. Dat daarmee onevenredig veel tijd gemoeid is geweest of dat er te lang is gewacht met klagen, is niet betoogd, zodat reeds om die reden aan dit verweer voorbij gegaan moet worden.

6.26.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering ingesteld door [appellant] om PIR te veroordelen tot herstel van het gebrek aan de dekvloer voor toewijzing in aanmerking komt. Nu PIR de door [appellant] gevorderde termijnen voor de aanvang en het voltooien van het herstel van de dekvloer niet heeft weersproken en deze het hof redelijk voorkomen evenals de (hoogte van de) gevorderde dwangsom, zal het hof beslissen conform de vordering van [appellant] .

6.27.

Partijen hebben geen concrete feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot andere beslissingen zouden leiden dan hiervoor genomen.

Slotsom

6.28.

Slotsom is dat de eerste grief slaagt. De tweede grief dient daarom ook te slagen. Dit brengt met zich dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat, opnieuw recht doende, de vordering van [appellant] alsnog toegewezen zal worden.

6.29.

De door [appellant] in hoger beroep gevorderde restitutie van al hetgeen hij op grond van het bestreden vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente, is eveneens toewijsbaar, nu dit een vordering betreft die er slechts toe strekt de gevolgen van de - thans onjuist bevonden - veroordeling die bij het bestreden vonnis werd uitgesproken, aanstonds ongedaan te maken. De gevorderde wettelijke rente over het te restitueren bedrag is ook toewijsbaar.

6.30.

Als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij zal het hof PIR in de proceskosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 99,88 aan explootkosten,

€ 79,00 aan griffierecht en € 600,00 voor salaris advocaat volgens het oude liquidatietarief (2 punten à € 300,00 per punt). De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 108,90 aan explootkosten, € 313,00 aan griffierecht en € 2.148,00 voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief (2 punten, tarief II in hoger beroep à € 1.074,00 per punt).

Als niet weersproken, zal het hof ook de gevorderde nakosten en wettelijke rente over de

proces- en nakosten toewijzen.

7 De uitspraak

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het bestreden vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 25 januari 2017;

en opnieuw recht doende;

veroordeelt PIR om binnen één maand na betekening van dit arrest een aanvang te maken met het herstel van het gebrek aan de dekvloer, deze herstelwerkzaamheden met voortvarendheid te doen verrichten en deze te voltooien binnen twee maanden na betekening van dit arrest, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat PIR nalatig is aan deze veroordeling te voldoen;

veroordeelt PIR om aan [appellant] terug te betalen al hetgeen [appellant] uit hoofde van het bestreden vonnis aan PIR heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum betaling tot aan de datum van algehele terugbetaling;

veroordeelt PIR in de kosten van beide instanties, tot aan het bestreden vonnis van 25 januari 2017 aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 99,88 aan explootkosten, € 79,00 aan griffierecht en op € 600,00 voor salaris overeenkomstig het oude liquidatietarief, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op

€ 108,90 aan explootkosten, € 313,00 aan griffierecht en op € 2.148,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt PIR in de nakosten, begroot op € 157,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,00 in geval PIR niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de hierin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, E.J. van Sandick en R.F. Groos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 september 2019.

griffier rolraadsheer