Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3319

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
200.215.716_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:1279
Oorspronkelijk arrest: ECLI:NL:GHSHE:2019:4221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Obligatoire gemeenschap van woning. Gevolgen van het niet uitgevoerde verrekenbeding voor de verrekening van de waarde van de woning. Art. 1:136 BW jo. art. 1:141 BW. Wettelijke rente

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 136
Burgerlijk Wetboek Boek 1 141
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2019/110
RFR 2020/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.215.716/01

arrest van 10 september 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. T.M. Subelack te 's-Hertogenbosch,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. R. Zwamborn te Goes,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 26 juni 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/02/316909/AZA 16-433 gewezen vonnis van 15 februari 2017.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de memorie van grieven, tevens houdende wijziging/vermeerdering van eis met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens wijziging/vermeerdering van eis;

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep;

  • -

    het tussenarrest van 26 juni 2018 waarbij het hof op verzoek van de man een comparitie van partijen heeft gelast;

  • -

    de akte overleggen producties tevens vermeerdering van eis van de man d.d. 15 november 2018;

  • -

    de akte overleggen producties van de vrouw d.d. 19 november 2018;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 5 december 2018;

  • -

    de akte overleggen producties van de vrouw d.d. 6 maart 2019;

  • -

    het pleidooi d.d. 20 maart 2019, waarbij zowel mr. Subelack als mr. Zwamborn pleitnotities hebben overgelegd.

Door mr. Zwamborn zijn bij pleidooi drie producties (26, 27 en 28) overgelegd. Hiertegen is door mr. Subelack bezwaar gemaakt. Het hof heeft ten aanzien van de producties 26 en 27 beslist dat deze worden toegestaan. Daartoe heeft het hof overwogen dat het aannemelijk is dat deze stukken niet eerder in het geding gebracht hadden kunnen worden – met name ook gelet op het feit dat het pleidooi op korte termijn is gepland – en deze producties kort en eenvoudig te doorgronden zijn. Ten aanzien van productie 28 heeft het hof beslist dat ook deze productie wordt toegestaan en is aan mr. Subelack de mogelijkheid geboden om, indien daartoe zijnerzijds behoefte zou bestaan, na het pleidooi van mr. Zwamborn een leespauze in te lassen.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1

In hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten:

  • -

    partijen zijn op 11 januari 1985 met elkaar gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden;

  • -

    de echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: de woning) is op 12 juli 1990 aangekocht door de vader van de man;

  • -

    partijen hebben de woning vervolgens gehuurd van de vader van de man;

  • -

    op 17 oktober 1996 is de woning – die partijen tot dan toe huurden – geleverd aan de man. De aankoop van de woning is gefinancierd met onder meer een hypothecaire lening en een hypothecair krediet op naam van de man;

  • -

    op 20 september 2000 is aan partijen een perceel grond geleverd, gelegen aan [A-straat] (ongenummerd) te [plaats] (hierna: [het perceel] ). De aankoop is gefinancierd met een hypothecaire lening op naam van beide partijen;

  • -

    in 2003 zijn de hypothecaire lening en het hypothecaire krediet ter zake van de aankoop van de echtelijke woning en de hypothecaire lening ter zake van de aankoop van [het perceel] omgezet in één (nieuwe) hypothecaire lening op naam van beide partijen;

  • -

    op 9 december 2014 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend;

  • -

    de peildatum voor het te verrekenen vermogen is 31 december 2014;

  • -

    bij beschikking van 11 maart 2015 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

  • -

    de echtscheidingsbeschikking is op 27 maart 2015 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

6.2

In de huwelijkse voorwaarden is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

Artikel 1.

Er zal tussen de echtgenoten generlei gemeenschap van goederen bestaan, zodat iedere gemeenschap van goederen met name de gemeenschap van winst en verlies en de gemeenschap van vruchten en inkomsten uitdrukkelijk tussen hen worden uitgesloten. Bijgevolg behoudt ieder der echtgenoten, het door haar of hem ten huwelijk wordt aangebracht of staande het huwelijk wordt verkregen en door erfenis, making of geluk en al hetgeen door ruiling, belegging of wederbelegging daarvoor in de plaats komt zowel roerende als onroerende zaken.

Artikel 2.

De vrouw zal haar inkomsten, voor zover deze naar haar oordeel en in billijkheid niet voor eigen gebruik nodig heeft, ter beschikking van de man stellen ter bestrijding van de uitgaven als bedoeld in artikel 3.

Artikel 3

De kosten der gezamenlijke huishouding en alle andere uitgaven, de echtgenoten samen betreffende, waaronder begrepen belastingen evenals de kosten van de opvoeding van de kinderen die uit het huwelijk geboren mochten worden, zijn ten laste van de man en zullen door hem worden bestreden uit de gezamenlijke inkomsten van beiden echtgenoten, welke inkomsten daartoe jaarlijks bij elkaar zullen worden gevoegd.

Hetgeen aan het einde van elk kalenderjaar van die gezamenlijke inkomsten, na aftrek van vorenbedoelde uitgaven in het kalenderjaar gedaan, overblijft, zal voor de helft toekomen aan de man en voor de wederhelft aan de vrouw. Indien terzake hiervan een verrekening moet plaatsvinden, zal deze verrekening binnen vijf jaar na het einde van het betreffende kalenderjaar dienen plaats te vinden, bij gebreke waarvan het recht om verrekening te vorderen vervalt, alles behoudens de omstandigheid als hierna vermeld. (…).”

6.3

Partijen hebben in eerste aanleg beiden gevorderd de wijze van afwikkeling van de (verrekening overeenkomstig de) huwelijkse voorwaarden en de wijze van verdelen van de eenvoudige gemeenschap (het perceel grond) vast te stellen (rov. 4.1 vonnis waarvan beroep).

De rechtbank heeft bij vonnis van 15 februari 2017 waarvan beroep, kort weergegeven:

 de vrouw veroordeeld om binnen twee weken aan de man – in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden – te betalen een bedrag van € 15.235,37, en in geval de vrouw binnen genoemde termijn niet betaalt te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag;

 partijen veroordeeld om over te gaan tot verdeling van het perceel grond ( [het perceel] ) en bepaald dat daartoe dit perceel wordt verkocht en dat de verkoopopbrengst wordt aangewend ter aflossing van de hypothecaire schuld (tot een bedrag van € 90.756,--) en dat de netto verkoopopbrengst (verkoopwaarde minus hypothecaire lening minus verkoopkosten) tussen partijen bij helfte wordt verdeeld, dan wel voor rekening komt van ieder der partijen voor een gelijk deel;

 het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

 de proceskosten gecompenseerd, zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

 het meer of anders verzochte afgewezen.

6.4

Het hof stelt vast dat de grieven van de vrouw zich enkel richten tegen het oordeel van de rechtbank over de verrekening van de waarde van de woning van de man. Daarnaast heeft de vrouw in hoger beroep haar oorspronkelijke vorderingen gewijzigd/vermeerderd voor zover deze betrekking hebben op de verrekening/verdeling van de waarde van de woning.

De grieven van de man gaan over [het perceel] , althans op de daaraan verbonden hypothecaire geldlening. De man heeft zijn vorderingen op dit punt gewijzigd/vermeerderd in hoger beroep.

6.5

De vrouw vordert, samengevat, in hoger beroep, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

1. de man te veroordelen om aan de vrouw uit hoofde van verrekening van de waarde van de woning een bedrag te betalen van € 320.378,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2014, respectievelijk 31 december 2014, althans een door het hof vast te stellen ingangsdatum, althans de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van dat bedrag, waarvan het hof meent dat de man dit aan de vrouw dient te voldoen op grond van verrekening van de waarde van de woning ex art. 1:141 lid 1 juncto lid 3 juncto art. 1:136 lid 1 BW

2. de vordering van de man in reconventie ten aanzien van de woning alsnog af te wijzen.

De vrouw baseert haar vordering op verrekening, die haar grondslag vindt in (i) een tussen partijen bestaande obligatoire gemeenschap van woning, dan wel (ii) de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid of (iii) art. 1:141 lid 3 juncto art. 1:136 lid 1 BW.

6.6

De man concludeert samengevat, zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep:

  • -

    tot afwijzing van alle door de vrouw opgeworpen grieven, het vonnis waarvan beroep deels te vernietigen c.q. aan te vullen en opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    zijn vorderingen alsnog toe te wijzen en de vrouw daarnaast, uit hoofde van de verrekening van het onder punten 58 en 59 genoemde leningdeel (zijnde het gezamenlijke hypothecaire leningdeel ad € 11.723,-- ter zake [het perceel] ), te veroordelen tot onmiddellijke betaling van een bedrag ad € 2.522,38, alsmede uit hoofde van de hypotheekrente ten aanzien van [het perceel] , tot onmiddellijke betaling van een bedrag ad € 2.864,51, dan wel door het hof vast te stellen bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden;

  • -

    kosten rechtens.

6.7

De vrouw heeft gevorderd, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van de man in het incidentele hoger beroep af te wijzen.

6.8

Het hof zal de grieven van partijen hieronder bespreken.

Grief 1 van de vrouw

6.9

De eerste grief van de vrouw richt zich tegen rov. 4.7.2 van het bestreden vonnis. Hierin is overwogen dat de voormalige echtelijke woning niet tot het te verrekenen vermogen behoort, en vervolgens:

“[…] Dat partijen de woning gedurende het huwelijk mogelijk als gezamenlijk hebben beschouwd, en dat zij voorafgaand aan deze procedure op een andere basis dan thans wordt gerekend met elkaar hebben overlegd over de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk (welk overleg, naar onbetwist vaststaat, niet heeft geleid tot een door beide partijen ondertekende overeenkomst) maakt dat niet anders.”

6.10.1

De vrouw betoogt primair (mvg, pt. 2.12) dat de woning, gelet op het onderlinge gedrag van partijen, in hun onderlinge (obligatoire) verhouding als gemeenschappelijk moet worden beschouwd. Uit het feitelijk handelen van partijen, zowel tijdens als ná hun huwelijk, blijkt dat tussen hen een obligatoire gemeenschap van woning bestaat, althans dat uit hun bestendige gedrag gedurende het huwelijk volgt dat een dergelijke gemeenschap tijdens hun huwelijk is ontstaan. Op grond daarvan heeft zij recht op de helft van de overwaarde van de woning. De huwelijkse voorwaarden doen hier niet aan af. Weliswaar is de woning ten tijde van de verwerving niet op beider naam gezet, maar uit het onderlinge gedrag van partijen gedurende hun huwelijk kan worden afgeleid dat zij (stilzwijgend) met elkaar zijn overeengekomen dat de woning in verbintenisrechtelijke zin gemeenschappelijk is.

6.10.2

De vrouw betoogt subsidiair, voor het geval het hof oordeelt dat er tussen partijen géén obligatoire gemeenschap kan zijn ontstaan, omdat de huwelijkse voorwaarden daaraan in de weg staan, dat, gelet op de onderlinge gedragingen van partijen tijdens het huwelijk, bestendigd en bekrachtigd na echtscheiding, ongewijzigde handhaving van de vermogensscheiding die uit de akte van huwelijkse voorwaarden tussen partijen voortvloeit, ten aanzien van de woning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Aldus heeft de vrouw ook in dit geval een vordering op de man ter grootte van de helft van de waarde van de woning.

6.10.3

De vrouw licht haar grief, kort weergegeven, als volgt toe. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, kan onderling overeenstemmend gedrag van de echtgenoten gedurende hun huwelijk ertoe leiden dat in geval van echtscheiding een vermogensrechtelijke afwikkeling dient plaats te vinden, die afwijkt van hetgeen volgens de letter van de akte van de huwelijkse voorwaarden zou moeten geschieden. De vrouw wijst in dat kader op het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO7004), meer specifiek op rov. 4.3 van dat arrest.

Dit arrest past in de lijn van de rechtspraak van de Hoge Raad waarin de gemeenschappelijke partijbedoeling bepalend is voor de wijze waarop een rechtsverhouding afgewikkeld dient te worden en niet zozeer de (letterlijke) tekst van een tussen hen gesloten overeenkomst. Voor huwelijkse voorwaarden geldt daarbij dat de bedoeling van partijen de akte van huwelijkse voorwaarden als zodanig niet kan vervangen, maar dat de bedoeling van partijen wel een belangrijke rol speelt bij de vraag of bepaalde gevolgen van de akte van huwelijkse voorwaarden in de vermogensrechtelijke afwikkeling tussen partijen op grond van de redelijkheid en billijkheid gecorrigeerd dienen te worden.

De vrouw wijst verder op de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ3876) en 8 juni 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV9539), alsook op een arrest van de Hoge Raad van 16 januari 1987 (ECLI:NL:HR:1987:AB9606, NJ 1987, 912).

In de procedure in eerste aanleg heeft de vrouw een groot aantal feiten en omstandigheden aangedragen die tot de conclusie moeten leiden dat tussen partijen gedurende hun huwelijk een obligatoire gemeenschap van woning is ontstaan, althans dat ongewijzigde instandhouding van de akte van huwelijkse voorwaarden met betrekking tot de woning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet gevergd kan worden. Dat zijn de volgende feiten en omstandigheden:

  1. de woning is destijds op naam van de man verworven, enkel uit respect voor de vader van de man. Partijen huurden de woning daarvoor al gezamenlijk van de vader van de man. De huur werd door hen gezamenlijk voldaan. In de huurperiode hebben beide partijen eigen geld in de woning geïnvesteerd (ook bij aankoop);

  2. ook nadat de man de woning in eigendom had verworven, heeft de vrouw met eigen geld geïnvesteerd in de woning. Zij hebben ook samen de lasten gedragen en de vrouw heeft onverplicht uit haar inkomen bijdragen aan de hypotheekrente. Tevens hebben zij ieder hun eigen premie levensverzekering voldaan, waarvan de polis was verpand aan de hypotheekhouder;

  3. in 2003 is de hypothecaire geldlening die door de man in verband met verwerving van de woning was aangegaan, overgesloten naar een nieuwe hypothecaire geldlening op naam van beide partijen;

  4. na ontbinding van hun huwelijk hebben partijen getracht te komen tot een regeling, waarbij zij telkens tot uitgangspunt hebben genomen dat de overwaarde van de woning bij helfte tussen hen gedeeld moest worden, zelfs nadat de man een eigen advocaat had geraadpleegd.

Het vorenstaande maakt dat de woning, gelet op het onderlinge gedrag van partijen, in hun onderlinge (obligatoire) verhouding als gemeenschappelijk moet worden beschouwd, althans dat ongewijzigde handhaving van de vermogensscheiding die voortvloeit uit de akte van huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gelet op het onderlinge gedrag van partijen. De vrouw wijst in dat verband nog naar een beschikking van dit hof van 11 juli 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:3410).

6.11.1

De man weerspreekt dat tussen partijen ten aanzien van de woning een obligatoire gemeenschap zou zijn ontstaan. De vrouw gaat er ten onrechte aan voorbij dat het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 1987 waarnaar zij verwijst, ziet op de situatie van ongehuwd samenwonenden. Partijen hebben daarentegen expliciet bij huwelijkse voorwaarden iedere gemeenschap van goederen uitgesloten en de onroerende zaak is welbewust alleen op naam van de man verworven. Ook volgens voornoemd arrest van de Hoge Raad uit 1987 is beslissend wat partijen dienaangaande zijn overeengekomen en in het onderhavige geval staat dit buiten kijf, nu partijen uitdrukkelijk in de huwelijkse voorwaarden uitsluiting van iedere gemeenschap zijn overeengekomen. Dit kan niet doorbroken worden door een beroep op het ontstaan van een obligatoire gemeenschap.

Voor zover het hof van oordeel is dat er toch sprake zou kunnen zijn van een obligatoire gemeenschap, dan weerspreekt de man de juistheid van de door de vrouw geschetste gedragingen en verhoudingen tijdens en na het huwelijk.

6.11.2

Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van de vrouw stelt de man dat uit de jurisprudentie blijkt dat enkel in zeer uitzonderlijke gevallen toepassing van bepalingen uit huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt geacht. Hierbij dient een grote mate van terughoudendheid betracht te worden. De man weerspreekt de door de vrouw aangehaalde feiten en omstandigheden – met uitzondering van een investering van door de vrouw uit haar privémiddelen in de woning –, die er naar haar mening toe zouden moeten leiden dat ongewijzigde handhaving van de vermogensscheiding die uit de akte van huwelijkse voorwaarden tussen partijen voortvloeit, ten aanzien van de woning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Partijen zijn bewust huwelijkse voorwaarden overeengekomen en de woning is vervolgens ook bewust op naam van de man gesteld. Het enkele feit dat de vrouw nadien een investering uit privémiddelen in de woning heeft gedaan, kan onmogelijk tot gevolg hebben dat de woning daardoor als gemeenschappelijk moet worden beschouwd, dan wel volledig in de verrekening zou moeten worden betrokken.

6.12

Het hof stelt voorop dat partijen hebben gekozen voor het maken van huwelijkse voorwaarden voorafgaande aan hun huwelijk. Het wettelijk vereiste om de huwelijkse voorwaarden aan te gaan bij notariële akte, ziet op de bescherming van partijen, niet alleen van de echtgenoten in hun onderlinge relatie, maar ook in relatie tot eventuele derden
(HR 27 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7541). De huwelijkse voorwaarden vormen een waarborg en bieden aldus alle betrokkenen rechtszekerheid. Wat tussen partijen door een notariële akte is overeengekomen, heeft in beginsel te gelden en strekt partijen tot wet. Gesteld noch gebleken is dat de huwelijkse voorwaarden als gevolg van enig (wils)gebrek niet rechtsgeldig (overeengekomen) zouden zijn, zodat daarmee de rechtsgeldigheid van de huwelijkse voorwaarden als vaststaand dient te worden aangenomen.

6.12.1

Mede bezien in het licht van het voorgaande, bestaat er naar het oordeel van het hof geen ruimte voor het aannemen van een obligatoire gemeenschap van woning, zoals door de vrouw bepleit. Voor het aldus doorbreken van huwelijkse voorwaarden als gevolg van onderling overeenstemmend feitelijk handelen van partijen, zo daar al sprake van zou zijn, bestaat geen grond. Voor zover de vrouw ter onderbouwing van haar primaire stelling heeft verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 8 juni 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV9539) en 16 januari 1987 (ECLI:NL:HR:1987:AB9606, NJ 1987, 912), overweegt het hof dat de vergelijking hiermee niet opgaat, nu het in die zaken ging om samenwonenden zonder samenlevingscontract. Partijen daarentegen zijn met elkaar gehuwd, waarbij zij vóór hun huwelijk bij de notaris hun vermogensrechtelijke positie ná hun huwelijkssluiting hebben vastgelegd. Ook het beroep op HR 2 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ3876) gaat niet op, nu het in die zaak ging om een stilzwijgende totstandkoming van maatschap tussen dierenartsen.

Voor zover de vrouw ter onderbouwing van haar primaire stelling heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO7004), gaat de vergelijking hiermee evenmin op. Dáár hadden partijen staande hun huwelijk, onder opheffing van hun gemeenschap van goederen, huwelijkse voorwaarden gemaakt om de vrouw te beschermen tegen eventuele schuldeisers van de man, te weten een algehele uitsluiting van iedere gemeenschap met daaraan verbonden een verrekenbeding. Zij hadden deze huwelijkse voorwaarden echter alleen opgesteld met het oog op de buitenwereld en waren geenszins van plan zich aan de voorwaarden te houden. Zij hadden de huwelijksgemeenschap inderdaad verdeeld, maar zich gedurende het huwelijk gedragen alsof de algehele gemeenschap nog bestond. De Hoge Raad maakte in laatstgenoemd arrest een onderscheid tussen enerzijds de bedoeling van partijen (via de uitleg van de overeenkomst met behulp van de Haviltex-formule) en anderzijds de werking van de redelijkheid en billijkheid en oordeelde vervolgens dat er in die zaak geen betekenis aan de partijbedoeling toekwam, omdat het vormvereiste van de notariële akte daar aan in de weg staat, zulks onder verwijzing naar het hierboven in rov. 6.12 genoemde arrest. De partijbedoeling kan de huwelijkse voorwaarden, zo overwoog de Hoge Raad, niet vervangen. De Hoge Raad heeft in dat verband overigens nog overwogen dat wél rechtsgeldig in huwelijkse voorwaarden overeengekomen kan worden dat bij ontbinding van het huwelijk zal worden afgerekend alsof tussen partijen een algehele of gedeeltelijke gemeenschap bestond. Partijen hebben daar blijkens de huwelijkse voorwaarden in dit geval niet voor gekozen.

6.12.2

Op grond van het bovenstaande is het door de vrouw primair gevorderde niet toewijsbaar.

Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar

6.13

Wat de stelling van de vrouw betreft dat ongewijzigde handhaving van de vermogensscheiding die voortvloeit uit de akte van huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 BW), gelet op het onderlinge gedrag van partijen, overweegt het hof als volgt.

6.13.1

De vermogensscheiding wat betreft de echtelijke woning, waarop de vrouw zich beroept, vloeit in dit geval niet voort uit de huwelijkse voorwaarden, maar uit het feit dat de echtelijke woning in 1996 uitsluitend aan de man is geleverd. Als gevolg van deze levering is de man enig eigenaar van de woning geworden. Reeds gelet hierop bestaat er geen grondslag voor het oordeel dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de huwelijkse voorwaarden in dit geval toepassing moeten missen.

6.13.2

De vrouw stelt nog dat het feit dat de woning in 1996 uitsluitend aan de man is geleverd niets af doet aan de bedoeling van partijen en dat partijen vanaf 1990 structureel gehandeld hebben alsof de (toen nog huur)woning gemeenschappelijk eigendom zou worden en later ook was geworden. In dat kader merkt de vrouw ter zitting op dat de verkoop van de woning aan partijen in een stroomversnelling kwam, door ziekte van de vader van de man. De vrouw stelt dat zij eind september 1996 met haar schoonvader en de man een gesprek bij de notaris had, omdat levering van de woning zo snel mogelijk moest plaatsvinden. Kort daarna werd zij door de man gebeld, waarin hij haar de datum meedeelde waarop de overdracht zou plaatsvinden. De vrouw moest daarbij aanwezig zijn. Aldus werd in ieder geval de suggestie gewekt, dat de woning mede haar eigendom zou worden. Zij ging daar ook van uit. De vrouw was echter verhinderd op de voorgestelde leveringsdatum vanwege haar werk. Zij heeft daarom, vanwege de haast die inmiddels vanwege de ziekte van haar schoonvader geboden was, voorgesteld dat slechts de man en zijn vader bij de levering aanwezig zouden zijn. Daarbij ging zij er als vanzelfsprekend van uit, dat de woning, ondanks haar afwezigheid, ook haar eigendom zou worden.

6.13.3

De man betwist, kort gezegd, het door de vrouw gestelde. Wat partijen ten aanzien van de eigendom van de woning wél hebben bedoeld, kan ondubbelzinnig worden afgeleid uit de goederenrechtelijke status van de woning en uit de huwelijkse voorwaarden. In de leveringsakte is bewust voor een levering aan alleen de man gekozen en ook in huwelijkse voorwaarden is bewust gekozen voor het uitsluiten van de huwelijksgemeenschap. De vrouw heeft niets aangevoerd, dat tot een andere conclusie zou kunnen leiden. De man betwist ook met klem dat de vrouw op het laatste moment verhinderd zou zijn bij de notaris en dat het de bedoeling was om de woning eigenlijk aan partijen gezamenlijk te leveren.

6.13.4

Onverminderd hetgeen in rov. 6.13.1 is overwogen, overweegt het hof dat voor het verkrijgen van een woning in eigendom de levering hiervan bij notariële akte is vereist (art. 3:89 lid 1 BW). In haar memorie van grieven (pt. 2.8) heeft de vrouw expliciet gesteld dat partijen er bewust voor hebben gekozen om de woning uitsluitend op naam van de man te laten leveren:

“Partijen wilden de vader van de man op zijn ziekbed niet belasten. Daarom kozen zij er voor om de woning uitsluitend op naam van de man te laten leveren.”

De vrouw heeft ter zitting gesteld (pleitnota, pt. 7) dat zij eind september 1996 met haar schoonvader en de man een gesprek bij de notaris heeft gehad. Het hof gaat er daarom van uit dat de vrouw door de notaris op een juiste wijze is voorgelicht over de gevolgen van de levering van de woning aan uitsluitend de man. De notaris heeft immers een zorgplicht, welke zorgplicht ook in 1996 geldende praktijk was. Het hof wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 1989 (NJ 1989, 766) waaruit volgt dat de notaris een taak heeft in het voorkomen van misbruik van juridische onkunde en feitelijk overwicht. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw door de notaris onjuist is voorgelicht en evenmin is gesteld of gebleken dat sprake zou zijn van enig wilsgebrek.

De vrouw had, in het licht van het voorgaande en indachtig de huwelijkse voorwaarden, dan ook kunnen en moeten begrijpen dat zij niet ‘zomaar’ (mede)eigenaar zou worden van de woning. Dat de vrouw er naar haar zeggen als vanzelfsprekend vanuit ging dat de woning, ondanks de door haar gestelde afwezigheid bij de notariële overdracht (die overigens door de man is betwist en door het hof niet kan worden vastgesteld; van de akte van levering zijn slechts de eerste drie pagina’s door haar overgelegd) en zonder een daartoe strekkende volmacht te hebben verleend (hetgeen gesteld noch gebleken is), ook haar eigendom zou worden, komt naar het oordeel van het hof daarom voor haar rekening en risico.

Daarbij klemt temeer dat de vrouw weliswaar stelt dat zij op de leveringsdatum afwezig was vanwege haar werk, dit door de man is betwist en uit de akte van hypothecaire geldlening / hypothecair krediet – die eveneens op 17 oktober 1996 is verleden – blijkt dat de vrouw bij het passeren van die akte wel in persoon aanwezig is geweest bij diezelfde notaris en zij die akte ook mede heeft ondertekend. Aldus staat daarmee vast dat de vrouw in ieder geval op 17 oktober 1996 – zijnde de dag van notariële levering – bij de notaris is geweest.

Gelet op het vorenstaande bestaat er geen grond voor de conclusie dat sprake is van afwijkende gedragingen die ertoe leiden dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid dienen te derogeren aan de huwelijkse voorwaarden. In dit oordeel heeft het hof voorts betrokken dat de aankoop van de woning is gefinancierd met een hypothecaire lening en een hypothecair krediet op naam van uitsluitend man – hetgeen in de beschikking van dit hof van 11 juli 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:3410) waarnaar de vrouw verwijst juist níet het geval was –, dat partijen in 2000 [het perceel] wél beiden in eigendom hebben verworven en zij gedurende hun huwelijk nimmer aanleiding hebben gezien om zulks alsnog ook ten aanzien van de echtelijke woning te bewerkstelligen dan wel om hun huwelijkse voorwaarden staande huwelijk te wijzigen, in die zin dat bij ontbinding van het huwelijk zal worden afgerekend alsof tussen partijen een algehele of gedeeltelijke gemeenschap bestond.

6.13.5

Gelet op al het voorgaande, is ook het subsidiair door de vrouw gevorderde niet toewijsbaar en faalt de eerste grief. Hetgeen partijen over en weer verder nog hebben aangevoerd behoeft, reeds gelet op het voorgaande, geen verdere bespreking meer.

Grieven 2 en 3 van de vrouw

6.14.

Het hof stelt allereerst vast dat het periodiek verrekenbeding in art. 3 van de huwelijkse voorwaarden niet door partijen is uitgevoerd. Over dergelijke niet uitgevoerde periodieke verrekenbedingen heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 19 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:637) als volgt overwogen:

“3.3.2 Op grond van art. 1:141 leden 1 en 2 BW wordt, kort gezegd, een tijdens het huwelijk niet nagekomen periodieke verrekenverplichting omgezet in een finale verrekenverplichting op het in art. 1:142 BW bepaalde tijdstip (de peildatum). In zodanig geval wordt op grond van art. 1:141 lid 3 BW het op de peildatum aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit (art. 1:141 lid 3 BW). Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat de andere echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden.

Het bewijsvermoeden van art. 141 lid 3 BW geldt, zoals de Hoge Raad overweegt, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Op de totstandkomingsgeschiedenis van deze “tenzij-clausule” is AG Langemeijer ingegaan in zijn conclusie vóór de beschikking van de Hoge Raad van 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012: BV9605:

2.7.

In het wetsvoorstel regels verrekenbedingen was een bewijsregel opgenomen die volgens de toelichting ten doel had de afwikkeling van periodieke verrekenbedingen te vergemakkelijken: "In de praktijk zal er in het merendeel van de gevallen van uit kunnen worden gegaan, dat het vermogen dat aan het einde van het huwelijk aanwezig is, bestaat uit het overgespaarde inkomen en de belegging daaruit"(11). Op de aanvankelijk voorgestelde bewijsregel werd kritiek geleverd, met voorbeelden van gevallen waarin juist niet ervan kan worden uitgegaan dat het aanwezige vermogen bestaat uit overgespaarde en nog niet verrekende inkomsten of de belegging daarvan(12). Vanuit de Tweede Kamer is daarom aan de regering de vraag voorgelegd of het geen aanbeveling verdiende, uitdrukkelijk te bepalen dat het vermoeden van artikel 141 lid 3 niet geldt ten aanzien van vermogen dat ingevolge art. 1:134 BW buiten de verrekening blijft. Verder werd gevraagd waarom, indien het beding slechts verplicht tot verrekening van inkomsten, ervan zou moeten worden uitgegaan dat het aanwezige vermogen is ontstaan uit overgespaarde inkomsten.

2.8.

Hierop heeft de regering bij nota van wijziging de 'tenzij-clausule' opgenomen in het derde lid van art. 1:141 BW. De staatssecretaris lichtte dit toe als volgt:

"In het nader rapport is aangegeven dat het vermoeden van artikel 141, derde lid, zowel geldt ten aanzien van aangebracht vermogen als ten aanzien van vermogen dat onder uitsluitingsclausule krachtens erfrecht of schenking verkregen is. Dat betekent dat een echtgenoot die stelt dat een deel van het vermogen krachtens erfrecht of schenking verkregen is of die stelt dat het aangebracht vermogen betreft, dat dient aan te tonen. In het omgekeerde geval (zoals, voor zover het krachtens erfrecht of schenking verkregen vermogen betreft, bepleit door de Raad van State) zou de andere echtgenoot dienen aan te tonen dat vermogen, waarvan door de ene echtgenoot gesteld wordt dat het aangebracht of krachtens erfrecht of schenking onder uitsluitingsclausule verkregen is, tot het te verrekenen vermogen behoort.

In feite gaat de wet ervan uit dat, als periodieke verrekening niet heeft plaatsgevonden deze zich aan het einde van het huwelijk of geregistreerd partnerschap oplost in een finaal verrekenbeding. Ik geef toe dat, als het alsdan aanwezige vermogen grotendeels betrekking heeft op aangebracht en/of krachtens erfrecht of schenking onder uitsluitingsclausule verkregen vermogen, terwijl er uitsluitend een periodiek verrekenbeding met betrekking tot arbeidsinkomsten (die van veel geringere omvang bleken te zijn) is overeengekomen, de aard en waarschijnlijke omvang van de verrekenverplichting bij de bewijslastverdeling een rol zouden behoren te spelen, zoals Luijten opmerkt. Ik stel daarom voor het bewijsvermoeden van artikel 141, derde lid, te verzachten door daarop een uitzondering te formuleren. De rechter wordt daarmee een handvat geboden om, indien de aard en omvang van de verrekenverplichting daartoe aanleiding geeft, de bewijslast anders te verdelen. Met deze uitzondering wordt ook tegemoet gekomen aan de wens van de commissie om artikel 134 van het bewijsvermoeden uit te sluiten, zij het dat het geen dwingendrechtelijke uitsluiting betreft. Met het vorenstaande is ook tegemoet gekomen aan de bezwaren van Van der Burght tegen, wat hij noemt, het 'te ruim gestelde bewijsvermoeden' (...)."(13)

2.9.

De regel van art. 1:141 lid 3 BW is aan te merken als een bijzondere regel als bedoeld in art. 150 Rv. Overigens bevat ook art. 150 Rv zelf een uitzondering voor gevallen waarin "uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit".

In zijn beschikking van 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9605 heeft de Hoge Raad als volgt beslist over de tenzij-clausule:

3.4.3

De omstandigheid dat de na 1986 opgetreden waardestijging van de aandelen, naar de man heeft aangevoerd, voornamelijk is teweeggebracht door de arbeidsinspanning en ondernemerskwaliteiten van de man zelf (en van zijn zakenpartner), geeft geen aanleiding om het in art. 1:141 lid 3 neergelegde bewijsvermoeden met een beroep op de "tenzij-clausule" buiten toepassing te laten. Het bewijsvermoeden heeft immers slechts betrekking op de vraag of de aandelen al dan niet gefinancierd zijn uit hetgeen verrekend had moeten worden.

In zijn arrest van 19 april 2019, hiervóór al aangehaald, heeft de Hoge Raad, in meer algemene zin nog overwogen dat het bewijsvermoeden uitsluitend betrekking heeft op de vraag of het aanwezige vermogen (curs. hof: dus niet alleen aandelen in een bv, zoals in de beschikking uit 2012) al dan niet gefinancierd is uit hetgeen verrekend had moeten worden (rov. 3.3.2).

6.15

De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. De vraag die moet worden beantwoord, is welke gevolgen het niet uitgevoerde verrekenbeding heeft voor de verrekening van de waarde van de woning. Partijen hebben tijdens de comparitie d.d. 5 december 2018 overeenstemming bereikt over de waarde van de woning op de peildatum (zijnde 31 december 2014). De waarde van de woning bedroeg volgens partijen op die datum € 635.000,--, zodat ook het hof hiervan uitgaat.

De rechtsoverwegingen in het vonnis waarvan beroep waarop de grieven betrekking hebben luiden als volgt:

“4.7.1. Uit de stellingen van partijen blijkt dat de aankoop van de woning is gefinancierd met eerder genoemde hypothecaire lening en hypothecair krediet (eerst op naam van de man alleen, later op die van partijen gezamenlijk) van in totaal € 122.512,--, waarop tijdens het huwelijk niet is afgelost. Voorts zijn verbouwingen na de aankoop gefinancierd uit een — in de loop der jaren in een schenking omgezette — lening van de moeder van de man aan de man ter hoogte van in totaal f1. 198.836,-- (€ 90.228,--). Naast deze bedragen zijn uit het vermogen van partijen waarvan de herkomst (nog) niet vast staat onbetwist de navolgende investeringen gedaan:

- voor aankoop van de woning zijn aan de bouw van een garage en aan bestrating bedragen

van fl. 15.000,-- en fl. 8.000,-- (in totaal € 10.437,--) geïnvesteerd;

- bij aankoop is f1. 52.105,34,-- (€ 23.644,--) “eigen geld” aangewend om de koopprijs te

betalen;

- in 2009 is € 10.000,-- aan een nieuwe keuken besteed.

De vrouw stelt nog een bedrag van € 77.000,-- te hebben betaald, waarvan zij zelf aangeeft dat dit betrekking had op “inboedel, de stoffering van de woning, schilderwerk binnen etc.”; aldus is niet gesteld gaat het hier gaat om investeringen in de woning, dat wil zeggen betalingen voor verbouwingen/verbeteringen aan de woning die tot een vermeerdering van de waarde van de woning hebben geleid. De rechtbank gaat aan deze betalingen voorbij.

4.7.2.

Aldus moet worden vastgesteld dat in de woning (aanschaf en verbouwingen) voor (maximaal) een bedrag van € 44.081,-- aan mogelijk overgespaard inkomen is geïnvesteerd, en dat daarnaast voor een bedrag van € 212.740,-- is geïnvesteerd, waarvan vast staat dat het geen overgespaard inkomen betreft. De financiering van de woning heeft dus grotendeels plaatsgevonden uit andere bronnen dan overgespaarde inkomsten. Gevolg van het vorenstaande is dat het in 4.5 genoemde vermoeden dat de (over-)waarde van de woning is ontstaan uit overgespaarde inkomsten van partijen, voldoende is ontzenuwd. Verrekening overeenkomstig art. 141 lid 3 BW kan dan ook niet plaatsvinden. Dat partijen de woning gedurende het huwelijk mogelijk als gezamenlijk hebben beschouwd, en dat zij voorafgaand aan deze procedure op een andere basis dan thans wordt gerekend met elkaar hebben overlegd over de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk (welk overleg, naar onbetwist vaststaat, niet heeft geleid tot een door beide partijen ondertekende overeenkomst) maakt dat niet anders.”

6.16

In art. 1:141 lid 1 BW en – voor zover het gaat om de aflossing van een schuld die met het oog op de verwerving van een goed is aangegaan – art. 1:136 lid 1 BW worden de rechtsgevolgen geregeld van verrekenplichten in huwelijkse voorwaarden. In dit kader strekt een verrekenbeding als het onderhavige naar zijn aard ertoe dat periodiek wordt verrekend hetgeen van de inkomsten van partijen wordt bespaard, waarna ieder der echtgenoten vervolgens in staat is zijn aandeel in de besparingen door belegging te besteden aan vorming en vermeerdering van het eigen vermogen. Laten partijen tijdens het huwelijk deling van de overgespaarde inkomsten achterwege, dan moet daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van het verrekenbeding, het gevolg worden verbonden dat partijen bij het einde van het huwelijk alsnog tot verrekening overgaan en dat in deze verrekening ook wordt betrokken de vermogensvermeerdering die is ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar ongedeeld is gebleven; hetzelfde geldt voor een belegging die is gefinancierd met geleend geld, voor zover de lening is afgelost met bespaarde maar ongedeeld gebleven inkomsten (zie onder meer HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4387, NJ 2009, 377).

6.17

Zowel uit de tekst van de art. 1:136 lid 1 BW en art. 141 lid 1 en 3 BW, als uit de hiervoor in rov. 6.16 weergegeven ratio van deze bepalingen, vloeit voort dat bij het einde van het huwelijk aanwezig vermogen dat is gevormd uit door de echtgenoten tijdens het huwelijk overgespaard inkomen, dient te worden verrekend, ongeacht aan wie van de echtgenoten dat vermogen toebehoort en uit wiens overgespaarde inkomen dat vermogen is gevormd. De achterliggende gedachte is immers dat ieder van de echtgenoten na verrekening van hetgeen door hen tezamen is bespaard, zijn of haar aandeel daarin kan gebruiken voor de vorming en vermeerdering van het eigen vermogen. Hiermee strookt dat bij de finale afrekening na het eindigen van het huwelijk de echtgenoot die zijn of haar overgespaarde inkomsten heeft geïnvesteerd in (de financiering van) een aan de andere echtgenoot toebehorend goed, naar de in art. 1:136 lid 1 BW vermelde maatstaf meedeelt in de eventuele waardestijging die het goed gedurende het huwelijk heeft ondergaan.

Uitwerking art. 1:136 BW

6.18

Art. 1:136, eerste lid BW bepaalt het volgende:

“Indien een goed onder aanwending van te verrekenen vermogen is verkregen, wordt het verkregen goed tot het te verrekenen vermogen gerekend voor het aandeel dat overeenkomt met het bij de verkrijging uit het te verrekenen vermogen aangewende gedeelte van de tegenprestatie (teller – hof) gedeeld door de totale tegenprestatie (noemer – hof). Indien een echtgenoot in verband met de verwerving van een goed een schuld is aangegaan, wordt het goed op de voet van de eerste volzin tot het te verrekenen vermogen gerekend voor zover de schuld daartoe wordt gerekend of daaruit is afgelost of betaald”.

De teller

Het hof zal allereerst vaststellen wat de omvang is van het bedrag dat uit het te verrekenen vermogen is aangewend voor de verkrijging van de woning.

Bijdrage aankoop 1990 / investeringen vóór aankoop door de man in 1996

6.19

Het pand is door de vader van de man aangekocht op 12 juli 1990 en partijen zijn de woning van de vader van de man nadien gaan huren.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij bij aankoop van de woning door de vader van de man in 1990 ieder fl. 10.000,--, derhalve in totaal fl. 20.000,-- (gulden), (€ 9.076,-- (euro)) hebben (mee)betaald. Partijen twisten wel over de grondslag hiervan. De vrouw stelt dat dit is betaald ter voldoening van (een deel van) de koopsom. De man daarentegen stelt dat dit bedrag is voldaan voor overname van roerende zaken, zoals onder meer de inventaris.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat zij, in de periode dat zij de woning huurden van de vader van de man, aan de bouw van onder andere een garage en aan bestrating bedragen van fl. 15.000,-- en fl. 8.000,-- (in totaal fl. 23.000,-- (gulden) of wel € 10.437,-- (euro)) hebben geïnvesteerd. Volgens de vrouw zijn deze verbouwingen/investeringen geschied met overgespaarde inkomsten. De man weet niet meer exact wie wat heeft betaald, maar de kosten hiervan zijn volgens hem niet uit ‘gemeenschappelijke middelen’ voldaan.

6.20

Het hof stelt vast dat bovenstaande betalingen en/of verbouwingen dan wel investeringen van in totaal € 19.513,-- (€ 9.076,-- + € 10.437,--) zijn besteed ten behoeve van de (toen nog) huurwoning van partijen (waarvan de vader van de man toen eigenaar was). Reeds gelet op het feit dat deze betalingen en/of verbouwingen dan wel investeringen zijn gedaan vóór de verkrijging van de woning door de man in 1996 (en deze gelden dus niet zijn aangewend voor de verkrijging van de woning), komen zij niet op grond van art. 1:136 BW juncto art. 1:141 BW voor verrekening in aanmerking. Het is daarbij irrelevant of deze betalingen/verbouwingen/investeringen al dan niet zijn gedaan uit overgespaarde inkomsten. Aldus behoeft hetgeen partijen over en weer ten aanzien van deze betalingen/investeringen verder nog hebben aangevoerd, geen verdere bespreking.

Aankoop woning door de man in 1996

6.21

De man heeft het pand op 17 oktober 1996 in eigendom verkregen door levering hiervan aan hem door zijn vader.

De koopsom bedroeg, inclusief kosten fl. 322.105,34,--. De man is hiervoor een hypothecaire geldlening van fl. 170.000,-- en een hypothecair krediet van fl. 100.000,-- aangegaan.

6.22

De vrouw stelt dat de verwerving van de woning voor het resterende deel – te weten een bedrag van fl. 52.105,34 (gulden) (€ 23.644,37 (euro)) – uit overgespaarde inkomsten is gefinancierd. In dit verband stelt de vrouw dat het, gelet op het bepaalde in art. 1:141 lid 3 BW, aan de man is om hiervan het tegendeel te bewijzen dan wel subsidiair tegenbewijs te leveren. Nu toereikend bewijs ontbreekt voor de stelling van de man dat financiering van de aankoop van het pand voor een bedrag van € 23.644,37 is geschied met privévermogen, moet dit bedrag tot het te verrekenen vermogen worden gerekend.

6.23

De man heeft ten aanzien ter comparitie verklaard dat hij bijna zeker weet dat voor de verwerving van de woning een bedrag van fl. 52.105,34 (gulden) (€ 23.644,37 (euro) uit zijn privévermogen is aangewend, maar dat hij dit niet kan onderbouwen met stukken.

6.24

Het hof stelt bij de beoordeling van dit geschilpunt voorop dat het, gelet op hetgeen hiervoor in rov. 6.14 – 6.17 is overwogen, aan de man is om het vermoeden te weerleggen dat voornoemd bedrag van € 23.644,37 met zijn privévermogen is gefinancierd. De man heeft ten aanzien van dit bedrag ter comparitie verklaard dat hij bijna zeker weet dat zulks het geval is, maar dat hij dit niet kan onderbouwen met stukken. Bij gebreke van iedere onderbouwing van zijn stelling, kan in het licht van art. 1:141 lid 3 BW dan ook niet anders worden geoordeeld dan dat dit bedrag ter financiering van de aankoop is geschied met overgespaard inkomen. Hetgeen partijen in dit verband verder hebben aangevoerd, behoeft dan ook geen verdere bespreking meer. Dit betekent dat het hof bij vaststelling van de verrekenvordering het bedrag van € 23.644,37 zal betrekken.

Keuken

6.25

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw met eigen middelen een keuken ten bedrage van € 9.952,-- (cva in reconventie, prod. 30, pleitaantekeningen vrouw pt. 18) heeft gefinancierd, welke keuken in 2009 is geplaatst in de woning van de man (zie pt. 19 memorie van antwoord, alsook pleitaantekeningen man pt. 21). Dit bedrag dient volgens partijen niet in de verrekening te worden betrokken. Partijen zijn de waarde van de woning op de peildatum ook overeengekomen (€ 635.000,--).

Levensverzekeringen

6.26

De vrouw stelt dat aan de hypothecaire geldlening, door de man aangegaan ter verwerving van de woning, een polis van levensverzekering was verbonden. De premies voor de kapitaalopbouw van deze polis – die waren bedoeld ter aflossing van de op de woning rustende hypothecaire geldlening – zijn uit gemeenschappelijk/te verrekenen inkomen betaald. Daarmee kwalificeren de premiebetalingen voor deze polis als een investering met overgespaard inkomen in de woning. Dat de polis in 2003 – toen de hypothecaire lening en het hypothecaire krediet ter zake de aankoop van de echtelijke woning en de hypothecaire lening ter zake de aankoop van [het perceel] is omgezet in één (nieuwe) hypothecaire lening op naam van beide partijen – is losgekoppeld van de hypothecaire geldlening, doet daar niet aan af. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Hoge Raad van 25 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB7043) en van (de vrouw noemt een onjuist ECLI-nummer, maar het hof begrijpt:) 10 juli 2009, (ECLI:NL:HR:2009:BI4387) moeten de investeringen tot het moment van “loskoppeling” van de polis in de verrekening worden betrokken.

De waarde van de polis bedroeg in 2003 (ten tijde van de “loskoppeling”) € 20.858,--.

6.27

De man stelt dat de kapitaalverzekering – die uitsluitend op zijn naam stond en waarvan de premies ook alleen door hem zijn betaald – in 2012 is afgekocht en dat de waarde hiervan ten tijde van de afkoop € 20.858,-- bedroeg (cva, tevens eis in reconventie, prod. 5). Onder verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad van 10 juli 2009, lijkt de vrouw te stellen dat de afkoopwaarde moet worden gezien als aflossing op de hypotheek en daarmee als investering in de woning, maar de man weerspreekt dat dit juist is. In de aangehaalde rechtspraak was weliswaar ook sprake van een kapitaalverzekering, gekoppeld aan een woning, maar het verschil is dat in die gevallen de kapitaalverzekering nog bestond op de peildatum voor verrekening / verdeling. In de onderhavige procedure staat niet ter discussie dat de peildatum is gelegen op 31 december 2014. De bewuste kapitaalverzekering is echter al in mei 2012 afgekocht, waardoor de vergelijking met de uitspraak van de Hoge Raad niet opgaat. De hierin gebruikte verrekeningsmethodiek kan dan ook niet toegepast worden. Van belang is ook nog dat de waarde van de kapitaalverzekering zich in 2012 heeft vermengd met het overige vermogen van de man en dát vermogen is over en weer al verrekend in eerste aanleg. De vrouw heeft dus reeds meegedeeld in deze vorm van vermogensopbouw en mag niet twee keer meedelen in deze kapitaalverzekering. Zij zou dan ongerechtvaardigd worden verrijkt.

6.28

Het hof overweegt als volgt. Uit de hypotheekakte d.d. 17 oktober 1996 blijkt het volgende:

“LEVENSVERZEKERING

De schuldenaar geeft tot meerdere zekerheid voor de prompte voldoening van het verschuldigde aan de schuldeiseres recht van eerste pand op alle rechten en vorderingen – waaronder begrepen het recht op uitkering – die voor de verzekeringnemer(s) voortvloeien uit de levensverzekeringen polisnummers [polisnummer 1] en [polisnummer 2], die met schuldeisers zijn gesloten. (…).”

Uit de door de man in eerste aanleg overgelegde stukken (cva, tevens eis in reconventie, prod. 5) blijkt dat beide verzekeringen in 2012 zijn afgekocht. De afkoopwaarde van de polis levensverzekering van de vrouw (-31) was nihil, de afkoopwaarde van de polis levensverzekering van de man (-32) bedroeg € 20.858,--. Dit bedrag is indertijd overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] .

Uit het bestreden vonnis blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat het in dat vonnis onder rov. 2.4 genoemde vermogen, niet zijnde de woning, tussen hen dient te worden verrekend als ware dat volledig uit overgespaarde inkomsten gevormd. Nu partijen hiervan niet in hoger beroep zijn gekomen, staat daarmee dus vast dat het saldo op rekeningnummer [rekeningnummer] overeenkomstig is verrekend, althans verrekend dient te worden. Daarmee laat zich niet verenigen dat daarnaast een deel van de waardestijging van de woning geacht wordt te zijn gerealiseerd door de aan deze levensverzekeringen verbonden premiebetalingen, nu dit zou leiden tot een dubbele verrekening. De vergelijking met de verrekeningsmethodiek in door de vrouw aangehaalde jurisprudentie gaat in dit geval dan ook niet op. Aldus komt dit bedrag niet op grond van art. 1:136 BW jo. 1:141 BW voor verrekening in aanmerking. Hetgeen partijen over en weer in dit verband verder hebben aangevoerd, behoeft dan ook geen verdere bespreking meer.

Verbouwingen / investeringen

6.29.1

De vrouw stelt voorts dat gedurende het huwelijk zeer aanzienlijke bedragen zijn geïnvesteerd in verbouwingen en verbeteringen van de woning. De man stelt dat deze investeringen zouden zijn betaald met privégelden, zijnde van zijn moeder geleende gelden, wat een voorschot op de erfenis zou zijn, maar dat weerspreekt de vrouw.

Naar het oordeel van het hof laat de man met de door hem overgelegde stukken evenwel niet zien (1) op welke bankrekening het door hem van zijn moeder geleende geld zou zijn ontvangen en (2) op welke wijze, en van welke gelden, de door hem als productie 18 overgelegde facturen zijn betaald. Hij stelt wel dat deze zouden zijn voldaan met gelden die hij van zijn moeder heeft geleend, maar ieder bewijs van deze stelling ontbreekt. De man heeft dan ook geenszins het vermoeden van art. 1:141 lid 3 BW weerlegd.

6.29.2

Daarenboven blijkt uit de schulderkenning die de man op 25 augustus 1997 heeft getekend, (cva, tevens eis in reconventie, prod. 4) dat hij niet op 30 juni 1997 in één keer een bedrag van fl. 198.836,-- heeft geleend, maar dat hij ook al eerder, dus (ruim) vóór 1997, geldbedragen van zijn moeder heeft geleend. Uiteraard sluit dit niet uit dat de man op 30 juni 1997 óók geld van zijn moeder heeft geleend, maar welk bedrag toen is geleend, en welke bedragen toen al openstonden, is volstrekt onduidelijk. Het is zeer aannemelijk dat de gelden die de man vóór 1997 van zijn moeder heeft geleend, in 1997 al grotendeels waren uitgegeven. Uit het door de man als productie 18 overgelegde overzicht, blijkt bovendien dat helemaal geen sprake is geweest van één grote verbouwing in 1997, waarvoor partijen in één keer (in 1997) een groot bedrag nodig hadden. Daarbij ziet een deel van de facturen zelfs op de periode vóór 30 juni 1997, toen de man - naar eigen zeggen - nog helemaal geen gelden van zijn moeder had geleend. Er is dus geen (rechtstreeks) verband te leggen tussen een bedrag dat de man op 30 juni 1997 van zijn moeder zou hebben geleend - en de verschillende investeringen die in een veel langere periode daarna - de periode 1997 tot en met 1999 - in de woning hebben plaatsgevonden. Partijen beschikten zelf bij aanvang van het huwelijk over vermogen en hadden beiden een goed inkomen. Daarbij hadden partijen tot 1990 zeer lage kosten, aangezien zij de woning van de vader van de vrouw huurden tegen een zeer lage huurprijs. Al met al hebben zij tijdens hun huwelijk ook nog aanzienlijke bedragen gespaard.

6.29.3

De vrouw voert voorts het volgende aan. Uit de door de vrouw overgelegde afschriften van haar Roparcorekening en haar aandelen-/effectenrekening blijkt dat zij midden/eind jaren negentig over een zeer aanzienlijk (spaar)saldo op deze rekeningen beschikte. Uit de afschriften vloeit ook voort dat er gedurende de periode 1997-1999 (de periode van de verbouwingen) aandelenverkopen hebben plaatsgevonden. Bovendien blijkt uit de overzichten dat in de periode 1997 tot en met 1999 het saldo van de Roparcorekening van de vrouw met ongeveer f1. 18.000,-- is gedaald. De vrouw betoogt in dit verband dat zij beschikte over aanzienlijke spaarsaldi én dat er in de periode 1997-1999 verschillende transacties hebben plaatsgevonden. Bovendien staat vast dat óók de man over aanzienlijke spaarsaldi beschikte. De man had dan ook, net zoals de vrouw, aandelenrekeningen en een Roparcorekening. Dat blijkt ook uit de staat van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden. Nu partijen tijdens hun huwelijk nimmer hebben verrekend, zij beiden een aanzienlijk inkomen genereerden, beiden aanzienlijke bedragen spaarden, er gedurende het huwelijk forse investeringen hebben plaatsgevonden in de woning van de man – waarvan de precieze omvang niet meer is vast te stellen – en dat de man niet kan bewijzen, noch aannemelijk kan maken, dat deze investeringen niet met overgespaard inkomen zijn gefinancierd, geldt dat de gehele overwaarde van de woning per peildatum tot het te verrekenen vermogen behoort. Zie ook HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:161, HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7043 en HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3695 (Lindner/Mannaerts). Uit deze uitspraken volgt, dat als niet kan worden vastgesteld welke bedragen er gedurende het huwelijk precies in de woning zijn geïnvesteerd, terwijl wél vast staat dat er aanzienlijke investeringen hebben plaatsgevonden, en bovendien vast staat dat (de verwerving van) de woning voor het overige met geleende gelden (dus vreemd vermogen) is gefinancierd, de gehele overwaarde van de woning verrekend dient te worden. Dat moet dus ook in deze zaak gebeuren.

6.30.1

De man wijst erop dat meermaals in de procedure in eerste aanleg door de vrouw is erkend dat de investeringen hebben plaatsgevonden met door hem van zijn moeder geleende gelden, welke hem vervolgens zijn kwijtgescholden. Sterker nog, de vrouw is zelfs als eerste met deze stelling gekomen (dagvaarding, p. 6 en 7). Reeds hierom kan de grief niet slagen. De man is immers niet gehouden bewijs te leveren van stellingen die reeds door de vrouw zijn geponeerd c.q. prijsgegeven.

6.30.2

Zo de man wel gehouden is bewijs te leveren, wijst hij op productie 4 cva, tevens eis in reconventie en producties 17 en 18 Memorie van Antwoord. Daaruit blijkt dat de leningen door middel van schenkingen zijn kwijtgescholden en dat de geldlening is opgegaan aan verbouwingen. Van een investering uit overgespaard inkomen is dus evident geen sprake. De man legt aanvullend als productie 27 nog een e-mailbericht over van de accountant die tijdens huwelijk van partijen de IB-aangiften heeft gedaan. Daaruit volgt dat de rente over de

geldlening van de moeder van de man — oorspronkelijk dus f1. 198.836,--— altijd volledig is afgetrokken in box 1. Dit is op grond van art. 3.119a Wet IB alleen mogelijk als de geldlening volledig is aangewend voor de aankoop of de verbouwing van een eigen woning. Ook hieruit blijkt dat de geldlening is gebruikt voor de verbouwingen die direct na de aanschaf zijn verricht. Als productie 28 legt de man nog een pagina over van zijn IB-aangifte 2001, waaruit blijkt dat in dat jaar de rente over de restantschuld aan zijn moeder volledig is afgetrokken. Die restantschuld bedroeg in dat jaar nog € 56.646,-.

6.31.1

Het hof stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in de periode 1997 tot en met 1999 voor een bedrag van in totaal € 87.754,-- in de woning is geïnvesteerd. In geschil is of dit is geschied met overgespaarde inkomsten.

Het is aan de man om in hoger beroep het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW te weerleggen. Het hoger beroep dient immers ook, binnen de grenzen van de rechtsstrijd in appel, tot een nieuwe behandeling en beslissing van het geschil, waarbij de appelrechter heeft te oordelen naar de toestand ten tijde van zijn beslissing. Hieruit valt te verklaren dat partijen in appel hun stellingen en verweren mogen wijzigen, aanvullen en verbeteren. Nu niet is gebleken dat de vrouw uitdrukkelijk en ondubbelzinnig haar stelling op dit punt heeft prijsgegeven noch uitdrukkelijk en ondubbelzinnig de waarheid van de stelling (dat de investeringen hebben plaatsgevonden met door de man van zijn moeder geleende gelden, welke hem vervolgens zijn kwijtgescholden) heeft erkend, is het dan ook aan de man om het bewijsvermoeden (indachtig het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:637) van art. 1:141 lid 3 BW te weerleggen.

6.31.2

Het hof is van oordeel dat de man daarin niet is geslaagd. Daartoe is van belang dat weliswaar vaststaat dat de man gelden bij zijn moeder heeft geleend die door schenkingen zijn kwijtgescholden, maar daarmee is niet gezegd dat de verbouwingen met die leningen zijn gefinancierd in plaats van met overgespaarde inkomsten. In dit verband is relevant dat de vrouw heeft aangetoond dat zij midden/eind jaren negentig de beschikking had over een zeer aanzienlijk (spaar)saldo, haar spaarsaldo afnam, alsook dat zij heeft aangetoond dat er gedurende de periode van de verbouwingen aandelenverkopen hebben plaatsgevonden. Bovendien heeft zij onbetwist gesteld dat partijen in die tijd beiden een goed inkomen hadden. Aldus valt niet uit te sluiten dat de verbouwingen (onder andere) met overgespaarde inkomsten zijn bekostigd. In dit oordeel heeft het hof tevens betrokken dat een deel van de door de man overgelegde facturen ziet op de periode van vóór 30 juni 1997 toen de man - naar eigen zeggen - nog helemaal geen gelden van zijn moeder had geleend. Dat de rente over de geldlening van de moeder van de man altijd volledig in box 1 is afgetrokken en dat dit ingevolge de Wet IB 2001 enkel mogelijk is indien de geldlening volledig is aangewend voor de aankoop of verbouwing van de eigen woning, maakt het vorenstaande niet anders, reeds omdat de Wet IB 2001 pas op 1 januari 2001 in werking is getreden (Stb. 2000, 215). Dat een aftrek zou zijn gerealiseerd – hetgeen een fiscaalrechtelijk karakter heeft – betekent ook nog niet dat daaruit in civielrechtelijke zin voortvloeit dat hierdoor het bewijsvermoeden wordt weerlegd.

6.32

De man heeft ter zitting nog aangeboden schriftelijk bewijs van zijn stelling in het geding te brengen (betaalbewijzen), maar het hof ziet geen aanleiding om de man in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid te stellen om dat te doen. De man had dat uit eigen beweging moeten doen. Voor het leveren van schriftelijk bewijs is immers geen opdracht van de rechter vereist.

Het voorgaande betekent dat het hof bij vaststelling van de verrekenvordering ook het bedrag van € 87.754,-- zal betrekken.

Investering ad € 35.000,--

6.33

Tussen partijen is voorts in geschil of door de vrouw met een bedrag van € 35.000,-- aan privémiddelen in de woning is geïnvesteerd.

6.34

De vrouw stelt dat zulks het geval is, onder de verwijzing naar de erkenning daarvan door de man.

6.35

De man op zijn beurt betwist dat hij heeft erkend dat door de vrouw met een bedrag van € 35.000,-- in de woning is geïnvesteerd. De man voert aan dat partijen in der minne hebben getracht tot een oplossing van het geschil te geraken en dit bedrag ooit enkel in dat kader aan de orde is geweest.

6.36

Het hof is van oordeel dat, gelet op de betwisting van de man enerzijds (het hof kan niet vaststellen dat aan zijde van de man sprake is van een (gerechtelijke) erkenning) en bij gebrek aan iedere onderbouwing door de vrouw anderzijds, niet is komen vast te staan dat door de vrouw met een bedrag van € 35.000,-- in de woning van de man is geïnvesteerd.

6.37

Het voorgaande brengt met zich dat de investering in de woning met een bedrag € 111.398,37 (€ 23.644,37 + € 87.754,--) moet worden aangemerkt als opbrengst uit herbelegging van overgespaard inkomen, welk bedrag in de verrekening moet worden betrokken.

De noemer

6.38

Gelet op art. 1:136 BW dient bepaald te worden wat de tegenprestatie is geweest van voor de woning. De vrouw gaat uit van de koopsom van de woning, welke koopsom overeenkomt met de waarde van de woning in verhuurde staat (zijnde fl. 322.105,-- of wel € 146.164,--), terwijl de man uitgaat van de waarde van de woning in onverhuurde staat (zijnde fl. 460.000,-- of wel € 208.739,--), zoals dit blijkt uit het overgelegde taxatierapport.

6.39

Het hof overweegt als volgt. De tegenprestatie van de woning is de koopsom (€ 146.164,--.), niet de waarde in onverhuurde staat. De koopsom is ook de investering, samen met de verbouwingen (die betaald zijn uit overgespaard inkomen) en die aansluitend aan de aankoop hebben plaatsgevonden.

6.40

Het resultaat van voormelde breuk (teller en noemer) dient vermenigvuldigd te worden met de waarde van woning op 31 december 2014. Immers op deze datum eindigde de verrekeningsverplichting van partijen. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de woning op deze datum € 635.000,-- bedroeg.

6.41

Het voorgaande brengt met zich dat de vrouw recht heeft op de helft van:

€ 23.644,-- + € 87.754,-- x € 635.000,-- = € 302.403,96

€ 146.164,--+ € 87.754,--

Aldus komt aan de vrouw toe een bedrag van € 151.201,98 (zijnde € 302.403,96 : 2).

Wettelijke rente

6.42

De vrouw heeft in hoger beroep verzocht om het aan haar uit hoofde van verrekening van de waarde van de woning toekomende bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2014, respectievelijk 31 december 2014.

6.43

De man maakt hiertegen bezwaar.

6.44

Het hof overweegt als volgt. Voor een vordering uit hoofde van verrekening geldt dat voor haar ontstaan en opeisbaarheid, alsmede voor het intreden van verzuim in de nakoming daarvan, zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij hetgeen partijen ter zake zijn overeengekomen (HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:493, rov. 3.4.2). In dit geschil bepalen de huwelijkse voorwaarden dat de overgespaarde inkomsten aan het einde van elk kalenderjaar voor de helft toekomen aan de man en voor de “wederhelft” aan de vrouw. De peildatum voor het te verrekenen vermogen is door partijen bepaald op 31 december 2014. In het licht van deze omstandigheden is, met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid, sprake van verzuim vanaf die datum (in die zin HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6591, rov. 3.5.2 en 3.7). Aldus zal het verzoek van de vrouw worden toegewezen, in zoverre dat het haar toekomende bedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 31 december 2014.

[het perceel]

6.45

Met zijn eerste grief komt de man op tegen de overweging van de rechtbank dat omtrent mogelijke verrekening tussen partijen van de gezamenlijke hypotheekschuld ad (het hof begrijpt:) € 11.723,-- niet kan worden beslist, nu partijen daarover niets hebben gesteld of gevorderd (rov. 4.5 bestreden vonnis).

De man licht zijn grief als volgt toe. In 2003 zijn de hypothecaire geldleningen voor de aanschaf van de woning (€ 122.521,--) en [het perceel] (€ 90.756,--) samengevoegd en toen is er een bedrag ad € 11.723,-- extra geleend om de kosten van oversluiting te kunnen voldoen. De man acht het niet redelijk indien hij voornoemd leningdeel alleen voor zijn rekening zou moeten nemen en stelt dat dit bedrag, naar rato van de oorspronkelijke geldleningen, door partijen gedragen dient te worden. De verhouding tussen de leningen € 122.521,-- / € 90.756,-- bedraagt 57 / 43. Aldus dient van het geleende bedrag van € 11.723,-- 43% door partijen gezamenlijk te worden gedragen. Het andere deel dient volledig door de man gedragen te worden, nu dat redelijkerwijs kan worden toegerekend aan het oversluiten van de hypothecaire geldlening die ziet op de financiering van zijn woning.

Ter zitting heeft de man aangevoerd dat hij niet langer de intentie heeft de woning te verkopen, zodat de nog resterende hypotheekschuld niet door aflossing zal worden ingelost. De man is voornemens het ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijkheid te verzoeken. In dat geval is van belang dat hij dan ook een schuld aflost van de vrouw. De man verzoekt het hof dan ook zijn vordering op het moment van ontslag van de vrouw te bepalen op € 2.522,38, te vermeerderen met wettelijke rente.

6.46

De vrouw betwist niet dat in de onderlinge verhouding 43% x € 11.723,-- voor rekening van hen beiden komt. De vrouw heeft, uitgaande van de situatie dat de woning verkocht zal worden, verweer gevoerd en gesteld dat de man eerst op het moment dat hij het deel van de vrouw voldoet, een regresvordering verkrijgt. Omdat een dergelijke vordering thans nog niet bestaat, kan deze ook niet worden toegewezen. Dit geldt ook voor de door de man gevorderde rente over deze vordering.

6.46

Het hof stelt allereerst vast dat verwarring bestaat over de hoogte van het leningdeel met nummer [leningdeel] . De man stelt dat dit € 11.723,-- bedraagt en de vrouw stelt dat dit € 11.732,-- bedraagt. In het bestreden vonnis staat een bedrag van € 11.732,--. Uit productie 13, behorende bij de inleidende dagvaarding, blijkt echter dat het leningdeel € 11.723,-- bedraagt (en dus niet € 11.732,--). Tussen partijen is niet in geschil dat in hun onderlinge verhouding 43% van het aldus gecorrigeerde bedrag van € 11.723,-- (derhalve € 5.040,89) voor rekening van hen beiden komt en dat de helft hiervan (derhalve € 2.520,45) aldus door de vrouw gedragen dient te worden. Voor zover een van partijen méér dan de helft van een schuld heeft voldaan, zal die partij voor dat meerdere regres kunnen nemen op de andere partij. Nu het hof niet kan vaststellen of de man meer dan de helft heeft betaald van de schuld die hem aangaat, kan van een regresvordering thans ook (nog) geen sprake zijn, zodat de gewijzigde vordering afgewezen dient te worden.

6.47

De man stelt in zijn tweede grief dat de rechtbank in het bestreden vonnis ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn regresvordering uit hoofde van hypotheekrentebetalingen ter zake [het perceel] vanaf 1 oktober 2015. Niet staat ter discussie dat hij de hypotheekrente voor [het perceel] tussen 1 oktober 2015 en 1 mei 2018 volledig heeft voldaan.

Voor zover de vrouw zich beroept op verrekening, stelt de man dat indien en voor zover de vrouw inderdaad een vordering op de man blijkt te hebben, er over en weer kan worden verrekend, maar dat een beroep op verrekening op zichzelf niet aan toewijzing van de vordering in de weg staat.

Voor zover de vrouw stelt dat de man de aflossing van de hypotheek eenzijdig heeft gerekt, zodat de hypotheekrente over de periode tussen 21 december 2017 (de dag dat [het perceel] werd geleverd aan de koper) en 1 mei 2018 (vanaf die datum is de hypotheek afgelost) uitsluitend voor rekening van de man dient te komen, weerspreekt hij dit. De man handhaaft dan ook zijn (regres)vordering van € 2.864,51, zoals nader uiteengezet in productie 22 van zijn journaalbericht d.d. 15 november 2018.

6.48

De vrouw erkent dat zij vanaf 1 oktober 2015 niet meer heeft bijgedragen aan de hypotheekrentebetalingen ter zake [het perceel] . Zij stelt dat de grief moet worden afgewezen, vanwege haar vordering op de man uit hoofde van het te verrekenen vermogen op grond van art. 6:127 BW. De vrouw stelt verder dat de rentevordering, voor zover die al relevant zou zijn – aangezien zij zich beroept op verrekening – geen betrekking kan hebben op de periode van 21 december 2017 tot het moment van aflossing (zijnde 1 mei 2018), nu het aan de man te wijten is dat het nog een aantal maanden heeft geduurd voordat de hypotheek werd ingelost.

6.49

Het hof stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de man in de periode tussen 1 oktober 2015 en 1 mei 2018 de volledige hypotheekrente betreffende [het perceel] heeft voldaan, derhalve in totaal € 5.729,02. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de man draagplichtig is voor de gehele hypotheekrente over de periode vanaf 21 december 2017 (tot 1 mei 2018) heeft de man voldoende gemotiveerd betwist dat hij de inlossing heeft vertraagd, zodat die stelling van de vrouw niet opgaat (bewijs van die stelling heeft de vrouw niet aangeboden). Dat de vrouw, zoals blijkt uit het hiervoor overwogene, ook een vordering op de man heeft, staat niet in de weg aan toewijzing van de vordering. De vrouw heeft verder geen verweer gevoerd tegen de vordering van de man, zodat deze zal worden toegewezen.

Aldus heeft de man een regresvordering op de vrouw van € 2.864,51 (zijnde de helft van € 5.729,02).

6.50

Het voorgaande brengt met zich dat de man aan de vrouw uit hoofde van verrekening dient te voldoen een bedrag van € 151.201,98. De vrouw dient aan de man te voldoen een bedrag van € 2.864,51 ter zake de regresvordering hypotheekrente [het perceel] .

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 15 februari 2017 voor zover daarbij de vordering van de vrouw inzake de verrekening van de waarde van de woning (vs a quo rov. 3.1 sub a jo. rov. 4.7.2) is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 151.201,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2014;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 2.864,51;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, P.P.M. van Reijsen en E.M.C. Dumoulin en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 september 2019.

griffier rolraadsheer