Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3292

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
200.259.536_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:1701, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag. Aanvaardbare termijn verstreken. Geen goed contact met pleegouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 5 september 2019

Zaaknummer : 200.259.536/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/258597 / FA RK 18-4823

C/03/258573 / JE RK 18-2794

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D. Haacke,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Betreffende de minderjarige:

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2010,

te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

van wie geen advocaat bekend is,

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI),

[de pleegmoeder] ,

hierna te noemen: de pleegmoeder,

en

[de pleegvader] ,

hierna te noemen: de pleegvader

wonenden te [woonplaats] ,

gezamenlijk ook te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 20 februari 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 14 mei 2019, met producties, ingekomen ter griffie op 15 mei 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag van moeder af te wijzen, kosten rechtens.

2.2.

De GI heeft bij brief van 1 juli 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juli 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de vader;

- de pleegouders;

2.3.1.

Als informant is tot de mondelinge behandeling toegelaten:

- [informant] van Rubicon.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het V6-formulier van 24 juni 2019, met bijlage, van de advocaat van de moeder, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

- het V2-formulier van 26 juni 2019, met bijlage, van mr. A. Hollman, ingekomen bij het hof op 26 juni 2019, waarin zij zich onttrekt als advocaat van de vader.

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 27 juni 2019, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, met bijlagen.

2.4.1.

Het p-v van de zitting van de rechtbank van 7 februari 2019 is door het hof pas ruim na sluiting van de mondelinge behandeling ontvangen. Het hof heeft van de inhoud geen kennis meer genomen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is geboren:

- [minderjarige] , op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

3.2.

[minderjarige] staat sinds 21 februari 2012 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is bij de bestreden beschikking laatstelijk verlengd tot 21 februari 2020.

3.3.

[minderjarige] is op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing sinds oktober 2014 uit huis geplaatst in een pleeggezin.

3.4.

Bij de bestreden beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 21 februari 2020. Daarnaast is het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd. Het verzoek van de raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader is afgewezen.

3.5.

De moeder is in beroep gekomen tegen dat onderdeel van de bestreden beschikking waarbij haar ouderlijk gezag over [minderjarige] is beëeindigd.

3.5.1.

De moeder voert in het beroepschrift hiertoe het volgende aan. De moeder heeft de afgelopen periode hard aan zichzelf gewerkt. Zo gebruikt zij geen harddrugs meer, heeft zij therapie gevolgd en wil ze een opleiding gaan volgen tot ervaringsdeskundige in de verslavingszorg in [plaats] . Ook doet de moeder vrijwilligerswerk en is zij op zoek naar een woning voor begeleid wonen. Zij werkt goed samen met de hulpverlening. De moeder wil graag een betere samenwerking met het pleeggezin (haar zus en de man van haar zus). Op dit moment is die samenwerking nog niet goed, ten gevolge waarvan de moeder geen rol speelt in het leven van [minderjarige] . Zij voelt zich buitenspel gezet en vindt het erg moeilijk dat zij [minderjarige] , maar ook haar andere kinderen die in dat zelfde pleeggezin wonen, niet ziet. De moeder heeft zich er evenwel bij neergelegd dat [minderjarige] niet meer bij haar zal kunnen wonen.

Zij vindt dat er in inmiddels geen relevant verschil meer is tussen haar situatie en die van de vader en dat dus ook zij als moeder het gezag over [minderjarige] moet kunnen blijven uitoefenen.

3.6.

De raad voert het volgende aan. De bestreden beschikking moet bekrachtigd worden. De vergelijking die de moeder trekt tussen haarzelf en de vader gaat niet op. De vader werkt immers goed mee, heeft een uitgebreide omgangsregeling met [minderjarige] en een goed contact met de pleegouders. De moeder daarentegen heeft geen contact met [minderjarige] en de verhouding met het pleeggezin is zeer moeizaam. De moeder heeft bovendien recentelijk aan de raad nog kenbaar gemaakt het liefst zelf voor [minderjarige] te willen zorgen. De houding van de moeder en haar functioneren zijn kwetsbaar. De raad gunt [minderjarige] de duidelijkheid die hij nodig heeft. Daarvoor is nodig dat het gezag van de moeder beëindigd wordt.

3.7.

De GI voert het volgende aan. De moeder doet haar best om haar leven op de rit te krijgen. De moeder legt zich evenwel niet onvoorwaardelijk neer bij het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin. Zij heeft de afgelopen periode meerdere kansen gekregen om zich te bewijzen. Tot op heden heeft dit niet geleid tot verbetering in het contact met het pleeggezin.

[minderjarige] is gebaat bij voorspelbaarheid, structuur en regelmaat. Het pleeggezin kan hem die bieden. De komende periode zal onderzocht worden hoe de bezoekregeling tussen [minderjarige] en de moeder vormgegeven kan worden.

3.8.

De vader voert het volgende aan. De vader kan zich vinden in de uitkomst van de bestreden beschikking. De vader heeft geen contact met de moeder. Indien de moeder contact met [minderjarige] wil, zal de vader dat ondersteunen. Op dit moment is daar geen noodzaak toe.

3.9.

De pleegouders voeren het volgende aan. De pleegouders staan achter de bestreden beschikking. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] is verbroken omdat de moeder zich teveel door de tantes heeft laten beïnvloeden. [minderjarige] moet eerst hulp krijgen en weerbaar zijn voordat er contact met moeder kan plaatsvinden. De pleegouders zullen meewerken aan een contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] .

3.10.

De medewerker van Rubicon geeft aan dat er hulpverlening voor [minderjarige] is aangevraagd bij Karakter vanuit de jeugdpsychiatrie. Dat is nodig geacht omdat [minderjarige] het heel moeilijk vindt om met emoties om te gaan.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

3.11.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.12.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en afweging overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat aan de voorwaarde van artikel 1:266 sub a BW is voldaan.

3.13.

Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. [minderjarige] is sinds oktober 2014 uit huis geplaatst nadat er onder andere sprake was van ernstige verwaarlozing en van middelengebruik en persoonlijke problematiek bij de moeder. Inmiddels verblijft [minderjarige] al enkele jaren in het perspectief biedende pleeggezin van zijn tante en oom, tezamen met zijn halfzusjes. De verstandhouding tussen de moeder en het pleeggezin is zeer moeizaam en [minderjarige] heeft sinds oktober 2015 geen contact meer met de moeder.

Hoewel de moeder de afgelopen periode stappen vooruit heeft gezet in haar persoonlijke ontwikkeling, is zij nog niet in staat haar ouderrol op afstand te vervullen op een wijze die [minderjarige] nodig heeft. Dat de moeder aangeeft de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin te accepteren is op zich niet voldoende om haar gezag in stand te laten. Doordat de verhouding met de pleegouders nog verstoord is, kan handhaving van het gezag van de moeder onrust voor [minderjarige] creëren. Het risico op conflicten en spanningen tussen de moeder en het pleeggezin is nog te zeer aanwezig en zou een belemmering kunnen opleveren in de positieve ontwikkeling die [minderjarige] op dit moment in het pleeggezin doormaakt. [minderjarige] is goed ingegroeid in het pleeggezin en gehecht aan de pleegouders. Hij gaat vooruit in zijn algemene ontwikkeling en wordt door de pleegouders ondersteund in de hulp die hij nodig heeft voor zijn problematiek. Voor het hof staat vast dat voor [minderjarige] de aanvaardbare termijn van onzekerheid over zijn perspectief is verstreken. Beëindiging van het gezag van de moeder is nu nodig om voor [minderjarige] de zekerheid van rust en duidelijkheid zo groot mogelijk te maken. Dat de rechtbank het gezag van de vader niet heeft beëindigd maar in stand heeft gelaten, heeft te maken met de specifieke omstandigheden aan vaders kant en kan niet tot een ander oordeel leiden.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 20 februari 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en S.P.A. Wensink-Vergunst en is op 5 september 2019 door J.F.A.M. Graafland-Verhaegen uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.