Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3269

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
200.232.827_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak. Echtgenote. Vernietiging. Verjaring? Wetenschap? Tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team handelsrecht

zaaknummer 200.232.827/01

arrest van 3 september 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 januari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 oktober 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen appellant (hierna [appellant] ) als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en geïntimeerde (hierna Dexia) als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5253229 CV EXPL 16-8512)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, met producties;

  • -

    de akte van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van Dexia.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast (vonnis, 2).

  1. Dexia Bank Nederland N.V. is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van onder meer Bank Labouchère N.V. en Legio Lease B.V. (hierna: Labouchère of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

  2. [appellant] heeft als lessee leaseovereenkomsten gesloten met Legio-Lease, te weten:
    - nr. [lessee leaseovereenkomst 1] , datum 16-05-1997, naam WinstVerdubbelaar,
    leasesom € 16.681,05, looptijd 60 mnd, termijnbedrag € 113,99;
    - nr. [lessee leaseovereenkomst 2] , datum 07-06-1999, naam WinstVerDriedubbelaar,
    leasesom € 23.411,71, looptijd 36 mnd, termijnbedrag € 112,79.

  3. [appellant] was ten tijde van het aangaan van voormelde overeenkomsten gehuwd met [ex-echtgenote] .

  4. Bij brief van 13 oktober 2005 schrijft de echtgenote van [appellant] aan Dexia:
    “Betreft contracten [lessee leaseovereenkomst 1] , [lessee leaseovereenkomst 2] ten name van [appellant]
    Geachte dames en heren,
    Mij is onlangs gebleken dat door mijn echtgenoot bovengenoemde contracten bij u zijn afgesloten.
    Ik heb daarvoor geen toestemming verleend en ik vernietig hierbij de contracten op grond van de artikelen 1:88 lid 1 sub d en 89 BW.
    Ik verzoek u van het bovenstaande goede nota te nemen.”

  5. [appellant] heeft tijdig een opt-out verklaring ingediend en is daarmee niet gebonden aan de op 25 januari 2007 door het gerechtshof Amsterdam algemeen verbindend verklaarde WCAM overeenkomst met Dexia.

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie samengevat gevorderd dat de rechtbank:

1. zal verklaren voor recht dat de overeenkomsten in het geding rechtsgeldig zijn vernietigd en Dexia zal veroordelen om al hetgeen door [appellant] krachtens die overeenkomsten aan Dexia is betaald, aan [appellant] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van de door [appellant] gedane betalingen dan wel vanaf een door de rechtbank te bepalen datum tot aan die der voldoening;

2. Dexia zal veroordelen tot betaling van de door [appellant] aan Leaseproces verschuldigde buitengerechtelijke kosten op basis van de offerte van Leaseproces, althans van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

3. Dexia zal veroordelen in de kosten van het geding, waarvan het salaris gemachtigde voorwaardelijk wordt gevorderd, namelijk voor het geval Dexia niet veroordeeld zou worden om de volledige sub 2 genoemde kosten van Leaseproces aan [appellant] te voldoen.

Dexia heeft in conventie verweer gevoerd.

Dexia heeft in eerste aanleg in reconventie samengevat gevorderd dat de rechtbank zal verklaren voor recht dat de tussen Dexia en [appellant] gesloten overeenkomsten met nummers [lessee leaseovereenkomst 1] en [lessee leaseovereenkomst 2] rechtsgeldig tot stand gekomen zijn, niet zijn vernietigd en niet bloot staan aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [appellant] een beroep kan worden gedaan, alles met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie en in reconventie.
heeft in reconventie verweer gevoerd.

3.3.

De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis het gevorderde in conventie afgewezen, het gevorderde in reconventie toegewezen en [appellant] in de proceskosten in conventie en in reconventie veroordeeld.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging, tot toewijzing van zijn vorderingen en tot afwijzing van de vorderingen van Dexia.

Dexia heeft geconcludeerd tot bekrachtiging.

3.5.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Het geschil spitst zich eerst toe op de beantwoording van de vraag of de echtgenote van [appellant] de overeenkomsten met nummers [lessee leaseovereenkomst 1] en [lessee leaseovereenkomst 2] tijdig buitengerechtelijk heeft vernietigd. [appellant] voert aan dat zij dat heeft gedaan bij brief van 13 oktober 2005.

Dexia heeft ten aanzien van de bevoegdheid de overeenkomsten buitengerechtelijk te vernietigen gewezen op de verjaringstermijn van drie jaren, ingaande op het moment dat de niet-handelende echtgenote van de overeenkomst op de hoogte is gekomen, en haar standpunt dat de eega van [appellant] vanaf het moment van sluiten van de overeenkomst moet hebben geweten van de overeenkomst. Gelet op de afsluitdata van de overeenkomsten, respectievelijk 16 mei 1997 en 7 juni 1999, was de termijn reeds verlopen op 13 oktober 2005, aldus Dexia.

3.6.

Het hof neemt in de eerste plaats bij de beoordeling zijn arrest van 25 september 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3961, in aanmerking. Dat arrest is gewezen in een zaak tussen Dexia en een andere klant. Het hof heeft overwogen:

“3.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhavige effectenleaseovereenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst van huurkoop, zodat op grond van artikel 1:88

lid 1, aanhef en onder d, (oud) BW en artikel 1:88 lid 3 BW voor het aangaan van die overeenkomst de schriftelijke toestemming was vereist van de echtgenoot van [appellante]. Partijen zijn het er verder over eens dat de echtgenoot van [appellante] op grond van artikel 1:89 BW de bevoegdheid tot vernietiging van de overeenkomst heeft als niet aan dit vereiste is voldaan.

Een rechtsvordering tot vernietiging van een effectenleaseovereenkomst die toekomt aan de echtgenoot van degene die deze overeenkomst heeft gesloten, zulks op grond van het ontbreken van toestemming, verjaart drie jaren na het tijdstip waarop die echtgenoot daadwerkelijk (subjectief) bekend is geworden met de overeenkomst (artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506). Het is niet zo dat van daadwerkelijke bekendheid in voormelde zin pas sprake is zodra de niet-handelende echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn van artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW is bepalend welke feiten en omstandigheden bij de niet-handelende echtgenoot bekend zijn, en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866).

Op Dexia, die zich beroept op verjaring, rust de stelplicht en – bij voldoende betwisting – de bewijslast van de feiten waaruit de bekendheid van de echtgenoot van [appellante] met de overeenkomst kan worden afgeleid (zie o.a. HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6508).

Aangezien de voor de beslissing van de zaak relevante omstandigheden van subjectieve aard zijn die zich geheel in de sfeer van [appellante] en haar echtgenoot hebben afgespeeld, mogen aan de feitelijke onderbouwing van de stelling van Dexia niet te hoge eisen worden gesteld (vgl. HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2012:BO6106).”

3.7.

Het hof heeft verder acht geslagen op het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 30 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3778. Het hof heeft overwogen:

“6.11.

Volgens vaste rechtspraak wordt bovendien aan het verrichten van betalingen in het kader van de effectenleaseovereenkomst vanaf een en/of rekening een bewijsvermoeden ontleend met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn. Vermoed wordt dat de echtgenote van de wederpartij van Dexia, behoudens tegenbewijs, bekend is geraakt met de overeenkomst op de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop de desbetreffende betalingen staan vermeld. Het is vervolgens aan de wederpartij van Dexia om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen (Hoge Raad 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506 en BU6508 alsmede Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866).”

3.8.

Het hof neemt de overwegingen onder 3.6 en 3.7 over en maakt deze tot de zijne in de onderhavige zaak.

3.9.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de standpunten van partijen op dit punt samengevat. Het hof acht deze samenvatting juist, ook in hoger beroep.

“3.4. Partijen verschillen van mening over het moment waarop de echtgenote van [appellant] daadwerkelijk op de hoogte was van de betreffende overeenkomst. Volgens [appellant] was zij pas omstreeks de tweede helft van 2002 of begin 2003 daadwerkelijk bekend met de overeenkomst, dit naar aanleiding van incassobrieven van Dexia.

3.4.1.

Dexia heeft die stelling van [appellant] betwist en onder meer gewezen op het feit dat de betalingen ten behoeve van de overeenkomst zijn geschied ten laste van een zogenaamde en/of rekening, die ten name staat van [appellant] en zijn eega. [appellant] stelt dat zijn eega nimmer keek op de bankafschriften en zij nimmer een betaling aan of van Dexia heeft gezien. Zij opende nimmer de post van de en/of rekening en post van Dexia is haar niet opgevallen. Zij bekeek de door een derde ingevulde belastingaangifte niet.

3.4.2.

Dexia heeft er in reactie daarop op gewezen dat meerdere overeenkomsten tussen partijen zijn gesloten van relatief grote omvang. Tevens heeft Dexia erop gewezen dat maandelijks gelden zijn afgeboekt en inkomsten zijn bijgeboekt op de en/of rekening van [ex-echtgenote] , dat er gedurende meerdere jaren post naar het huisadres van [ex-echtgenote] , met Legio-Lease als afzender op de envelop, is gestuurd en dat Dexia ervan uitgaat dat [ex-echtgenote] en [appellant] een gezamenlijke belastingaangifte verrichten die [ex-echtgenote] ook geacht wordt te hebben gelezen.”

3.10.

De kantonrechter heeft ook vastgesteld dat betalingen zijn verricht vanaf een en/of rekening van [appellant] en zijn echtgenote. Aangezien hiertegen geen grief is gericht, heeft dit ook in hoger beroep als uitgangspunt te gelden. De kantonrechter heeft overwogen:

“3.5. (…) Het is inmiddels vaste rechtspraak dat de omstandigheid dat de maandelijkse betalingen aan Dexia voor de leaseovereenkomst van een en/of rekening op naam van de lessee en zijn/haar eega zijn gedaan, het oordeel rechtvaardigt dat Dexia voorshands in het bewijs is geslaagd dat de eega al vanaf de eerste betaling aan Dexia wetenschap heeft gehad van de overeenkomst. Gelet op de data waarop de eerste betalingen aan Dexia op grond van de leaseovereenkomsten hebben plaatsgevonden, was dit in of omstreeks respectievelijk juni 1997 (eerste overeenkomst) dan wel juli 1999 (tweede overeenkomst). Het is vervolgens aan [appellant] om tegenbewijs te leveren van deze

bekendheid. (…)”

3.11.

Het hof overweegt dat de bewijslast op Dexia rust wat betreft haar stelling dat de echtgenote van [appellant] vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend was met de lease-overeenkomsten. Het hof stelt verder vast dat betalingen in verband met de lease-overeenkomsten zijn verricht vanaf juni 1997 en juli 1999 vanaf een en/of rekening op naam van [appellant] en zijn echtgenote (3.1 b en 3.10 hiervoor). Dit rechtvaardigt de conclusie dat Dexia voorshands in het door haar te leveren bewijs is geslaagd. [appellant] heeft tegenbewijs aangeboden. Hij zal daartoe worden toegelaten. Iedere verdere beslissing – over thema’s zoals de buitengerechtelijke kosten, de wettelijke rente en de verklaring voor recht (vordering Dexia) – zal worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

laat [appellant] toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat zijn echtgenote vanaf juni 1997 of juli 1999, of in elk geval vóór 13 maart 2000, daadwerkelijk bekend was met de lease-overeenkomsten;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. A. Vogelzang onder verantwoordelijkheid van mr. L.S. Frakes als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 17 september 2019 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, E.A.M. van Oorschot en S.C.H. Molin en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 september 2019.

griffier rolraadsheer