Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3264

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
200.223.463_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.223.463/01

arrest van 3 september 2019

in de zaak van

PTO Educatie & Advisering B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als PTO,

advocaat: mr. B. van Duijn te Weert,

tegen

[beveiliging] Beveiliging B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geintimeerde] ,

advocaat: mr. D.D.J.M. Gulpers te Heerlen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 oktober 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/225399 HA ZA 16-524 gewezen vonnis van 22 februari 2017.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 30 oktober 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) [geintimeerde] exploiteert een beveiligingsbedrijf en biedt ook opleidingen tot beveiliger aan. PTO exploiteert een opleidingsbedrijf in particuliere beveiliging. De met haar verbonden vennootschap [Security] Security B.V. (hierna: [Security] ) exploiteert een beveiligingsbedrijf.

b) De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland verstrekt subsidie voor opleidingen die voldoen aan de voorwaarden van de Subsidieregeling praktijkleren. Tot de voorwaarden behoort dat een praktijkleerovereenkomst (POK) is gesloten en dat sprake is van een beroepsbegeleidende leerweg (BBL) die is opgenomen in het Crebo (Centraal register beroepsonderwijs).

c) [Security] heeft in 2014 een groep leerlingen in [plaats 1] in opleiding gehad (hierna: groep [plaats 1] I). De groep had de zogenoemde SVPB-vakken al gevolgd, maar moest nog mbo-vakken volgen. De groep was aangemeld bij ROC Noorderpoort. Toen bleek dat dit ROC de opleiding niet kon verzorgen, heeft [Security] de groep bij een derde ondergebracht. Na enkele weken kwam [Security] erachter dat deze derde geen zogenoemde Crebo-erkenning had. [Security] heeft vervolgens de heer [contactpersoon] (hierna: [contactpersoon] ) benaderd, die [Security] in contact heeft gebracht met [geintimeerde] .

Tijdens de comparitie in eerste aanleg van 24 januari 2017 heeft (onder meer) [de directeur van PTO] , directeur van PTO, verklaard:

We zijn in ons netwerk gaan bellen en terecht gekomen bij [contactpersoon] . We kenden hem via het ROC midden-Nederland.”

[de directeur van beveiliging] , directeur van [beveiliging] , heeft destijds hierover verklaard: “De heer [contactpersoon] heeft mij benaderd voor deze groep met de vraag om de MBO-vakken te verzorgen. (…). Ik wist destijds niet dat NTI was gestopt met de BBL-opleidingen.

d) [de directeur van PTO] heeft bij e-mail van 26 november 2014 aan [contactpersoon] onder meer meegedeeld:

1. Opleidingsgroep [plaats 1] (huidig): dit is een groep van 20 personen, heeft reeds les gehad in de SVPB vakken en examen gehad hierin. De reden waarom heb ik jullie in ons persoonlijk onderhoud te [plaats 2] aangegeven. Deze kandidaten dienen nog een aantal dagen les te volgen in MBO vakken en geëxamineerd te worden hierin. Concreet: ik heb deze week, uiterlijk 1 december onderwijsovereenkomsten en praktijkovereenkomsten nodig. De lessen MBO mogen volgen in 2015 (februari).’

[contactpersoon] heeft op dezelfde dag bij e-mail onder meer geantwoord:

“(..) Wij verheugen ons op een fijne en succesvolle samenwerking. Ik zal jouw mail doorzetten naar [roepnaam van de directeur van beveiliging] . [hof: [de directeur van beveiliging] ] Hij zal verder zorgdragen voor de uitwerking van de offertes.

Zoals wij vandaag telefonisch hebben doorgenomen gaan wij uit van een prijs van € 1.200,= per deelnemer bij een deelname van minimaal 20 cursisten. De prijs is incl. de examineringskosten voor de mbo-vakken, excl. de examenkosten van het SVPB.

Voor de groep [plaats 1] (MBO-vakken) € 450,= per deelnemer uitgaande van 20 deelnemers.

(..)

Voor wat betreft de cursus in [plaats 1] had ik graag met spoed de personalia ivm de opmaak van de onderwijsovereenkomsten en de POK’s.’

e) [Security] en [geintimeerde] zijn overeengekomen dat [geintimeerde] een opleiding voor groep [plaats 1] I zou verzorgen. De overeenkomst tussen partijen is niet op schrift gesteld.

f) [geintimeerde] is met het onderwijsinstituut NTI overeengekomen dat de leerlingen van groep [plaats 1] I werden ingeschreven als extraneus voor het volgen van de mbo-vakken. Groep [plaats 1] I is op of rond 1 december 2014 aangevangen met het volgen van de vakken.

g) NTI biedt sinds 1 september 2014 geen BBL-opleiding meer aan.

h) Bij factuur van 9 januari 2015 heeft [geintimeerde] € 11.979,- inclusief btw in rekening gebracht aan [Security] voor de kosten van de opleiding van groep [plaats 1] I. [Security] heeft het factuurbedrag op 10 februari 2015 betaald.

i. i) Bij factuur van 11 juni 2015 heeft [geintimeerde] € 31.944,- inclusief btw in rekening gebracht aan PTO voor de kosten van een volgende groep leerlingen. Hiervan is bij factuur van 23 juni 2015 een bedrag van € 2.904,- inclusief btw gecrediteerd. Op 30 juni, 7 oktober en 20 oktober 2015 zijn voor het openstaande bedrag van € 29.040,- (€ 31.944,- min

€ 2.904,-) betalingsherinneringen gestuurd.

j) [de directeur van PTO] heeft op 20 oktober 2015 geantwoord: “(..) Zodra wij de praktijkovereenkomsten, evenals de diploma’s, ontvangen van groep 1 [plaats 1] , zullen wij overgaan tot betaling.”

k) Op 26 augustus 2015 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aan [Security] verzocht om ter beoordeling van de subsidieaanvraag van [Security] ter zake de subsidieregeling Praktijkleren, onder meer de betreffende praktijkleerovereenkomsten (POK’s) op te sturen.

l) Deze POK’s moesten zijn ondertekend door de leerling, door [Security] en door NTI. Tussen [geintimeerde] en NTI was een discussie ontstaan over betaling van kosten van NTI. Uiteindelijk heeft [geintimeerde] aan NTI € 12.000,- betaald en heeft NTI de POK’s aan [geintimeerde] ter beschikking gesteld, die deze op haar beurt aan [Security] af heeft gegeven.

m) Op 17 november 2015 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aan [Security] meegedeeld dat de aangevraagde subsidie voor de groep [plaats 1] I werd afgewezen, omdat NTI geen BBL-opleidingen meer aanbood sinds 1 augustus 2014 en de wel aangeboden derde leerweg niet in aanmerking komt voor subsidie (en omdat geen geldige praktijkleerovereenkomsten waren verstrekt, nu niet is gebleken dat praktijkonderwijs door de werkgever had plaatsgevonden).

n) [Security] en PTO hebben [geintimeerde] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de misgelopen subsidie tot een bedrag van € 37.800,-. Daarnaast hebben zij een beroep gedaan op verrekening van de factuur van [geintimeerde] met hun vordering.

o) Bij brief van 20 oktober 2016 heeft [de directeur van PTO] namens [Security] en PTO aan [geintimeerde] meegedeeld dat ‘de schadevordering ad € 37.800,= te vermeerderen met wettelijke rente (..)’ door [Security] is overgedragen aan PTO.

6.2.1.

[geintimeerde] heeft PTO in rechte betrokken en in conventie gevorderd, samengevat, veroordeling van PTO, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 29.040,- in hoofdsom, met rente en kosten. In reconventie heeft PTO gevorderd, samengevat, veroordeling van [geintimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 5.173,98, met rente en kosten. Voorwaardelijk, voor het geval haar beroep op verrekening in conventie niet slaagt, heeft PTO gevorderd veroordeling van [geintimeerde] tot betaling van € 37.800,-, met rente en kosten.

6.2.2.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie PTO veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, om aan [geintimeerde] te betalen een bedrag van € 32.758,80 (hoofdsom € 29.040,-, buitengerechtelijke kosten € 1.158,- en rente t/m 26 juli 2016 ad € 2.560.80), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over € 29.040,- vanaf 27 juli 2016 en de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over € 1.158,- vanaf de dag van dagvaarding, met veroordeling van PTO in de proceskosten. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van PTO afgewezen, met veroordeling van PTO in de proceskosten. Dit alles is in conventie en reconventie vermeerderd met de nakosten en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

6.2.3.

PTO is tegen dit vonnis opgekomen met dertien grieven. Het hof zal deze grieven in zijn beoordeling gezamenlijk behandelen.

6.3.1.

Bij de bespreking van de grieven stelt het hof voorop dat PTO niet betwist dat zij in verband met de hierboven in 6.1 onder i genoemde factuur en creditfactuur in hoofdsom

€ 29.040,- verschuldigd is aan [geintimeerde] . PTO beroept zich in dit verband echter op verrekening met de door [Security] aan PTO gecedeerde tegenvordering op [geintimeerde] ter zake misgelopen subsidie van in hoofdsom € 37.800,-. Volgens PTO is de vordering van [geintimeerde] op PTO daardoor teniet gegaan. PTO vordert vervolgens betaling door [geintimeerde] van het na verrekening resterende bedrag van € 5.173,98, dan wel – als het beroep van PTO op verrekening niet wordt gehonoreerd – betaling van haar volledige vordering ad € 37.800,-.

Het is de door PTO gestelde – en door [geintimeerde] betwiste – tegenvordering, die in deze zaak centraal staat.

6.3.2.

PTO voert als grondslag van haar beroep op verrekening en van haar – in eerste aanleg in reconventie ingestelde – vordering op [geintimeerde] aan dat [geintimeerde] jegens [Security] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst die [Security] met [geintimeerde] heeft gesloten met betrekking tot de opleiding van de groep [plaats 1] I. [geintimeerde] is aansprakelijk voor de schade die [Security] als gevolg daarvan heeft geleden, en [geintimeerde] moet die schade aan PTO vergoeden omdat [Security] haar vordering op [geintimeerde] aan PTO heeft gecedeerd.

6.3.3.

Krachtens de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op PTO de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van de door haar gestelde tekortkoming van [geintimeerde] en de gestelde schade die [Security] daardoor heeft geleden. De gestelde cessie is niet betwist door [geintimeerde] .

6.4.1.

De gestelde schade van PTO bestaat uit de door haar aangevraagde subsidie voor de groep [plaats 1] I die zij door toedoen van [geintimeerde] niet zou hebben ontvangen. Een voorwaarde voor het uitkeren van die subsidie is, dat de leerlingen van [plaats 1] I een BBL-leerweg (met de bijbehorende door de BBL-onderwijzende instantie getekende praktijkleerovereenkomsten) zouden hebben gevolgd. [Security] was met [geintimeerde] overeengekomen dat een dergelijke opleiding door [geintimeerde] aan de leerlingen van [plaats 1] I zou worden aangeboden, althans [geintimeerde] had moeten begrijpen dat [Security] alleen maar een overeenkomst met [geintimeerde] wenste te sluiten onder de voorwaarde dat [geintimeerde] een BBL-opleiding zou verzorgen, aldus PTO.

6.4.2.

[geintimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat zij met [Security] was overeengekomen dat aan de leerlingen van [plaats 1] I een BBL-leerweg zou worden aangeboden, althans dat zij had moeten begrijpen dat [Security] slechts onder de voorwaarde van zo’n leerweg met [geintimeerde] wenste te contracteren. [geintimeerde] stelt dat zij de overeenkomst, zoals zij die met [Security] heeft gesloten, volledig en correct is nagekomen en derhalve recht heeft op betaling van haar factuur ter zake.

6.5.1.

PTO heeft gesteld dat de wetenschap van [contactpersoon] omtrent de wensen en verwachtingen van [Security] moet worden toegerekend aan [geintimeerde] , omdat [contactpersoon] te beschouwen is als een hulppersoon van [geintimeerde] . [contactpersoon] heeft namens [geintimeerde] gesproken en namens haar de overeenkomst tot stand gebracht. Dit blijkt volgens PTO uit de e-mail van 26 november 2014, waarin [contactpersoon] spreekt van “Wij verheugen ons op een fijne en succesvolle samenwerking” en “Zoals wij telefonisch hebben doorgenomen gaan wij uit van een prijs van (..)” en [contactpersoon] namens [geintimeerde] een prijsaanbieding doet. [geintimeerde] stond ook als cc in de e-mail ingekopieerd en heeft de handelingen van [contactpersoon] goedgekeurd, althans bekrachtigd.

[geintimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat [contactpersoon] een hulppersoon van haar is, of als zodanig heeft te gelden.

6.5.2.

Tussen partijen staat vast dat [contactpersoon] niet in dienst was bij [geintimeerde] . Partijen twisten over de status van [contactpersoon] bij de totstandkoming van de overeenkomst. Ten tijde van de comparitie in eerste aanleg heeft [de directeur van PTO] , directeur/eigenaar van PTO en [Security] , (samen met mede-directeur/eigenaar [mede-directeur/eigenaar] ) verklaard: “We zijn in ons netwerk gaan bellen en terecht gekomen bij [contactpersoon] . We kenden hem via (..).”.Tijdens het pleidooi bij het hof heeft [de directeur van PTO] een vergelijkbare verklaring afgelegd. [geintimeerde] verklaarde tijdens de comparitie bij de rechtbank: “De heer [contactpersoon] zat zelf in opleiding en werkte voor zichzelf. (..) De heer [contactpersoon] heeft mij benaderd voor deze groep met de vraag om de MBO-vakken te verzorgen”. Over de afspraken die [Security] en/of [geintimeerde] zélf met [contactpersoon] hebben gemaakt (bijvoorbeeld over de betaling voor zijn tussenkomst in deze) hebben partijen niets gesteld. Wel staat tussen hen vast dat [contactpersoon] zelf (de) theorielessen heeft gegeven aan de groep [plaats 1] I.

6.5.3.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat onvoldoende is gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat [contactpersoon] als (gevolmachtigde) hulppersoon optrad voor [geintimeerde] bij het sluiten van de overeenkomst met [Security] . Ook is onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat sprake is van verklaringen of gedragingen waaruit [Security] mocht afleiden dat [contactpersoon] optrad als vertegenwoordiger van [geintimeerde] . Van belang hierbij acht het hof het feit dat vast is komen te staan dat [contactpersoon] degene was die [geintimeerde] benaderde, en dat nadat [contactpersoon] op zijn beurt door [Security] was benaderd om een alternatieve opleiding te zoeken. Het enkele feit dat [contactpersoon] vervolgens in zijn e-mail van 26 november 2014 aan [Security] spreekt over “wij”, waarmee hij [geintimeerde] bedoelt, is onvoldoende ondersteuning voor het andersluidende standpunt van PTO. Dit geldt temeer nu [contactpersoon] in die mail ook schrijft dat “[roepnaam van de directeur van beveiliging]” [ [geintimeerde] ] verder zal zorgdragen voor uitwerking van de offertes. De e-mail van [contactpersoon] is daarom, nu hierover verder onvoldoende is gesteld, te beschouwen als een mededeling namens [geintimeerde] , gedaan door een soort “bemiddelaar” (dat wil zeggen: hetzij een bemiddelaar in de zin van artikel 7:425 BW, hetzij een niet in de wet benoemde positie).

Er is naar het oordeel van het hof dan ook geen (voldoende) feitelijke basis voor de stelling van PTO dat de eventuele kennis en wetenschap van [contactpersoon] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst (en het eventuele nalaten van [contactpersoon] om die wetenschap aan [geintimeerde] te communiceren) aan [geintimeerde] moet worden toegerekend, noch is voldoende gesteld om PTO tot nader bewijs toe te laten.

6.6.1.

De te beantwoorden vraag is thans wat [Security] en [geintimeerde] zijn overeengekomen. De inhoud van een overeenkomst moet door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

6.6.2.

In dit geval zijn er de hierboven geciteerde mails van 26 november 2014. De inhoud van de overeenkomst zelf is vervolgens niet op schrift gezet. Over datgene wat [Security] met [contactpersoon] heeft besproken hebben [de directeur van PTO] en [mede-directeur/eigenaar] ter comparitie in eerste aanleg verklaard dat zij niet meer precies kunnen zeggen wat destijds is besproken over BBL “maar het was vanzelfsprekend dat het ging om een BBL-opleiding en niet om een thuisstudie”.

Die vanzelfsprekendheid - die volgens PTO ook jegens [geintimeerde] gold - zou onder meer blijken uit het feit dat [Security] nog nooit een thuisstudie had ingekocht, en zij alleen BOL en BBL-opleidingen verzorgde. PTO heeft verder gesteld dat uit de e-mails van 26 november 2014 duidelijk blijkt wat zij wilde en dat [geintimeerde] wist dat dit een BBL-opleiding was. [de directeur van PTO] had immers geschreven dat de kandidaten “lessen dienen te volgen in MBO-vakken”, dat deze “lessen” in februari 2015 mogen volgen, en dat hij praktijkovereenkomsten nodig had. Hieruit blijkt, aldus PTO, dat het niet om thuisstudie ging, maar om lessen, en lessen zijn alleen verplicht bij BBL-opleidingen.

Tenslotte heeft PTO erop gewezen dat door [geintimeerde] de POK’s waren ingevuld voor de leerlingen en dat daar steeds was aangekruist dat het om een BBL-leerweg ging. Ook hieruit zou blijken dat [geintimeerde] wist dat een BBL-opleiding moest worden verzorgd.

6.6.3.

[geintimeerde] heeft hiertegen ingebracht dat zij voor de leerlingen ook daadwerkelijk lessen in MBO-vakken heeft verzorgd en heeft geëxamineerd, en dat zij uit de e-mail van [de directeur van PTO] niet heeft afgeleid, noch hoefde afleiden, dat het ging om een BBL-opleiding. Van belang is daarbij bovendien dat het hier om een uitzonderlijke situatie ging. Er moest snel worden gehandeld, omdat de groep [plaats 1] I opeens zonder docent was komen te zitten, midden in een onderwijs-cyclus. Het ging dus niet om een complete opleiding voor die groep.

Op die wijze verklaarde [geintimeerde] tijdens het pleidooi ook het feit dat in de POK’s het hokje BBL was aangekruist: dit was gedaan door een medewerker die dat altijd zo deed. Daar komt bij dat uit de (schriftelijk gevoerde) discussie tussen partijen over de POK’s blijkt dat deze eerst later zijn ingevuld ten behoeve van de door PTO/ [Security] aangevraagde subsidie en hieruit kan geen wetenschap van [geintimeerde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst worden afgeleid. Aan de latere verklaringen van [contactpersoon] kan in dit verband geen belang worden gehecht voor de vraag wat [geintimeerde] en [Security] zijn overeengekomen, aldus [geintimeerde] .

6.6.4.

Het hof acht het bij de beoordeling van de vraag wat [Security] en [geintimeerde] zijn overeengekomen van belang dat vaststaat dat de overeenkomst, met daarin de voorwaarde dat het moest gaan om een BBL-opleiding, niet op schrift is gesteld, en dat evenmin ergens uit blijkt dat deze voorwaarde voor de aanvang van het door [geintimeerde] verzorgde gedeelte van de opleiding met zoveel woorden aan haar is meegedeeld. De enkele mededeling dat het om lessen in MBO-vakken moest gaan, is in het licht van wat bedoeld wordt met een BBL-leerweg, onvoldoende om aan te kunnen nemen dat [geintimeerde] moest weten of begrijpen dat het [Security] specifiek om een BBL-opleiding (met de mogelijkheid van subsidie) ging. Gesteld noch gebleken is verder dat partijen eerder zaken met elkaar hadden gedaan zodat datgene wat [Security] gebruikelijk was te doen aan [geintimeerde] niet bekend behoefde te zijn.

Als overwogen kan de eigen kennis van [contactpersoon] in dit verband niet aan [geintimeerde] worden toegerekend. Op geen enkele wijze blijkt verder dat [Security] heeft geverifieerd of [geintimeerde] wel wist onder welke voor [Security] relevante voorwaarden [Security] (slechts) met [geintimeerde] wilde contracteren. Van belang hierbij is dat het [Security] was die in eerste instantie [contactpersoon] benaderde om de markt te verkennen naar alternatieve oplossingen voor het ontstane opleidingsprobleem, en [contactpersoon] vervolgens bij [geintimeerde] is uitgekomen, waarbij onduidelijk is gebleven of [contactpersoon] wel (correct) aan [geintimeerde] heeft gecommuniceerd wat [Security] zocht (voor zover [contactpersoon] dat zelf al wist of moet hebben begrepen). Het kan [geintimeerde] niet worden aangerekend dat zij via [contactpersoon] is gaan communiceren met [Security] , daar waar [Security] nu juist via [contactpersoon] bij haar terecht was gekomen.

Tenslotte is onvoldoende betwist de stelling van [geintimeerde] dat de POK’s eerst geruime tijd na het sluiten van de overeenkomst – en na het uitvoeren daarvan – zijn ingevuld door [geintimeerde] , zodat daaraan geen argumenten voor de inhoud van de gesloten overeenkomst kan worden ontleend.

6.6.5.

De slotsom is dat door PTO onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld om haar uitleg van de overeenkomst te ondersteunen en zij bijgevolg ook niet zal worden toegelaten tot enige bewijslevering op dit punt.

6.7.

Het hof is, met de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van enige tekortkoming aan de zijde van [geintimeerde] bij de uitvoering van de met [Security] gesloten overeenkomst. [geintimeerde] is dus niet schadeplichtig jegens [Security] (en na de cessie van de gestelde vordering jegens PTO). De grieven I t/m XI en XIII falen.

6.8.

Grief XII ziet op de door [geintimeerde] gevorderde, en door de rechtbank toegewezen, wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen. Ook deze grief faalt. Anders dan PTO stelt, is voor het verschuldigd worden van de wettelijke handelsrente geen verzuim vereist. Het hof gaat voorts voorbij aan stelling van PTO – die door [geintimeerde] gemotiveerd is betwist en door PTO onvoldoende feitelijk is onderbouwd – dat [geintimeerde] er kennelijk mee heeft ingestemd dat PTO haar betalingsverplichting tijdelijk heeft opgeschort.

6.9.

Het beroepen vonnis zal worden bekrachtigd. PTO zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep met de wettelijke rente als gevorderd.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht op 22 februari 2017 gewezen vonnis;

veroordeelt PTO in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geintimeerde] op € 1.952,00 aan griffierecht en op € 4.173,00 aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, D.A.E.M. Hulskes en B.E.L.J.C. Verbunt en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 september 2019.

griffier rolraadsheer