Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3255

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-08-2019
Datum publicatie
14-11-2019
Zaaknummer
18/00602
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sectorindeling opruwen stalvloeren en -roosters; juiste sectorindeling (Stukadoorsbedrijf)

De kernactiviteit van belanghebbende bestaat uit het opruwen van betonnen stalvloeren en roosters door het slijpen van sleuven met behulp van diamantzagen. De Inspecteur heeft belanghebbende ingedeeld in sector 57, Stukadoorsbedrijf. Belanghebbende bepleit dat zij moet worden ingedeeld in sector 1, Agrarisch bedrijf. De door belanghebbende verrichte werkzaamheden staan niet in Bijlage 1 bij de Regeling Wfsv genoemd. Dit betekent dat geen rechtstreekse indeling op grond van artikel 5.2 Regeling Wfsv mogelijk is. Op grond van artikel 5.3 Regeling Wfsv vindt aansluiting in een sector dan plaats bij het onderdeel van het bedrijfs- en beroepsleven waarmee de werkzaamheden naar de aard en maatschappelijke functie het meest overeenkomen. Het Hof oordeelt dat de feitelijke werkzaamheden van de onderneming bepalend zijn voor sectorindeling, en niet de sector waartoe de opdrachtgevers van de onderneming behoren. De onderneming van belanghebbende vertoont de meeste overeenkomsten met de onder sector 57, Stukadoorsbedrijf ressorterende bedrijfstakken en beroepsgroepen. Het Hof verwerpt de stellingen van belanghebbende en verklaart het beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Regeling Wfsv 5.2
Regeling Wfsv 5.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2019/2550
NLF 2019/2647 met annotatie van Frank Werger
V-N 2019/60.21.3
NTFR 2019/2890
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00602

Uitspraak op het beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven,

hierna: de Inspecteur,

op het bezwaar tegen de hierna te vermelden beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij beschikking van 23 juni 2018 met beschikkingsnummer [nummer] heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat zij met ingang van 1 mei 2018 is aangesloten bij sector 12, Metaal- en technische bedrijfstakken.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak van 11 september 2018 de bestreden beschikking herroepen en belanghebbende medegedeeld dat zij met ingang van 1 mei 2018 is aangesloten bij sector 57, Stukadoorsbedrijf.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 338. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 22 augustus 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

1.5.

Belanghebbende, noch haar gemachtigde, is verschenen. De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende op 26 juni 2019, met kenmerk BK-SHE 18/00602, kennis heeft gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting door het aangetekend verzenden van een uitnodiging. Een afschrift van deze uitnodiging behoort tot de stukken van het geding. De uitnodiging is verstuurd naar het door de gemachtigde van belanghebbende opgegeven correspondentieadres. Tot de stukken van het geding behoort eveneens een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie. Hieruit volgt dat de uitnodiging op 27 juni 2019 op het correspondentieadres van de gemachtigde van belanghebbende is afgeleverd.

1.6.

De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende verricht volgens de in het handelsregister opgenomen omschrijving de volgende werkzaamheden:

‘Reparatie en onderhoud van pneumatisch en elektrisch gereedschap en gereedschapswerk-tuigen. Behandeling van onschadelijk afval. Handelsbedrijf, onderhouden van gripsystemen, beton zagen en opruwen, mestverwerking en alle daarmee verband houdende leveringen en diensten beheersactiviteiten.’

2.2.

Met het formulier ‘Melding Loonheffingen Aanmelding Werkgever’, gedagtekend 4 juni 2018, heeft belanghebbende zich (opnieuw) als werkgever gemeld en aangegeven met ingang van 1 mei 2018 – naar verwachting – vier werknemers in dienst te hebben. Belanghebbende heeft in hetzelfde formulier vermeld dat deze werknemers zich bezighouden met de reparatie en het onderhoud van gereedschapswerktuigen voor de bewerking van andere stoffen dan metaal en de behandeling van onschadelijk afval.

2.3.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij de in 1.1. genoemde beschikking ingedeeld in sector 12, Metaal- en technische bedrijfstakken. Naar aanleiding van het tegen dit besluit ingestelde bezwaar heeft de Inspecteur telefonisch contact gehad met directeur van de onderneming, [A] (hierna tevens te noemen: de directeur). In het naar aanleiding van het telefoongesprek gemaakte gesprekverslag, gedagtekend 6 september 2018, is onder meer het volgende vermeld:

‘Dhr. [A] vertelde dat de activiteiten uitsluitend bestaan uit het opruwen van betonnen

stalvloeren en roosters.

Dit gebeurt door het slijpen van sleuven m.b.v. diamantzagen.

Deze activiteiten worden niet met name genoemd in de regeling Wfsv maar kunnen worden

geassimileerd met " het schoonmaken en afwerken van vloeren door middel van

boucharderen, schuren, stralen, vlinderen en frezen”.

Deze werkzaamheden ressorteren onder de werkingssfeer van sector 57. Stukadoorsbedrijf.

Ik heb geen bezoek gebracht aan de onderneming omdat Dhr. [A] duidelijk de

werkzaamheden heeft aangegeven en dat hij vertelde dat hij veel in het buitenland is omdat

veel van de werkzaamheden bij buitenlandse ondernemingen plaatsvinden.

Je kunt aan het bezwaar tegemoet komen en de onderneming indelen In sector 057

Stukadoorsbedrijf, Mafcode 02510.’

2.4.

Bij de uitspraak op bezwaar is belanghebbende met ingang van 1 mei 2018 ingedeeld in sector 57, Stukadoorsbedrijf, waarbij de maatschappelijke functie is vastgesteld op: ‘het schuren, boucharderen en frezen van ondervloeren'.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is de sectorindeling als bedoeld in artikel 96 van de Wet financiering sociale

verzekeringen (hierna: Wfsv).

3.2.

Belanghebbende verdedigt dat zij moet worden ingedeeld in sector 1, Agrarisch bedrijf. De Inspecteur verdedigt indeling in sector 57, Stukadoorsbedrijf.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en een indeling in sector 1, Agrarisch bedrijf. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

De Inspecteur heeft eerst ter zitting opgemerkt dat hij geen belang aanwezig acht voor belanghebbende om te worden ingedeeld in sector 1, Agrarisch bedrijf in plaats van sector 57, Stukadoorsbedrijf. De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende bij indeling in sector 1, Agrarisch bedrijf slechter af is dan bij indeling in sector 57, Stukadoorsbedrijf, omdat voor eerstgenoemde sector een hoger premiepercentage geldt. Belanghebbende is niet ter zitting verschenen en heeft zich dus niet kunnen uitlaten over dit punt van de Inspecteur. Het Hof zal daarom de vraag of het bezwaar van belanghebbende wegens het ontbreken van (proces)belang niet-ontvankelijk moet worden verklaard, in het midden laten.

4.2.

Het Hof heeft op 8 augustus 2019 een nader stuk als bedoeld in artikel 8:58 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht ontvangen, getiteld ‘conclusie van repliek / reactie op verweerschrift inspecteur’, met dagtekening 5 augustus 2019, ondertekend door [B] namens [C BV] (hierna: [C BV] ). Het Hof heeft geen machtiging van [C BV] ontvangen waaruit blijkt dat zij bevoegd is om belanghebbende in het beroep te vertegenwoordigen. De griffier heeft de gemachtigde herhaaldelijk verzocht om een machtiging te overleggen waaruit blijkt dat (ook) [C BV] bevoegd is belanghebbende te vertegenwoordigen. Daarbij is tevens aangegeven dat de machtiging desgewenst ter zitting kan worden overgelegd en dat het niet-overleggen van een machtiging tot gevolg kan hebben dat [C BV] niet als gemachtigde van belanghebbende kan optreden. Aangezien geen machtiging van [C BV] is ontvangen en [C BV] ook niet ter zitting is verschenen, zal het Hof geen acht slaan op het door [C BV] ingediende nader stuk.

Ten aanzien van het geschil

4.3.

Op grond van artikel 96, lid 1, van de Wfsv is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de op grond van artikel 95 van die wet vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten. In artikel 5.1 van de Regeling van 2 december 2005, ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen, Stcrt. 2005, 242, zoals laatstelijk gewijzigd op 13 december 2017, Stcrt. 2017, 73363 (hierna: Regeling Wfsv) zijn de genummerde sectoren, bedoeld in artikel 95, lid 1 van de Wfsv, opgesomd. Op grond van artikel 5.2 van de Regeling Wfsv worden tot elke sector van het bedrijfs- en beroepsleven gerekend de werkzaamheden die worden verricht in de takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan, die zijn vermeld in de bij de Regeling Wfsv behorende bijlage 1 (hierna: Bijlage 1). Ingevolge artikel 5.3 van de Regeling Wfsv worden de werkzaamheden die worden verricht in takken van bedrijf en beroep, welke niet genoemd worden in Bijlage 1, geacht te behoren tot een sector van het bedrijfs- en beroepsleven waartoe takken van bedrijf en beroep behoren waarin werkzaamheden worden verricht welke naar de aard het meest met de eerstbedoelde werkzaamheden overeenkomen.

4.4.

Bijlage 1 vermeldt het navolgende:

“1. Agrarisch bedrijf, omvattende:

  1. Akker- en weidebouw (…).

  2. Veehouderij en pluimveehouderij (…).

  3. Tuinbouw:

a. Groenteteelt.

b. Fruitteelt.

c. Bloembollen.

d. Boomkwekerij.

e. Bloemisterij.

f. Tuinbouwzaadteelt.

g. Kruidenteelt.

4. Hoveniersbedrijf.

5. Bijenteelt.

6. Bosbouw (inbegrepen de werkzaamheden van het Staatsbosbeheer).

7. Griend- en rietcultuur.

8. Veenbedrijf:

a. Veenderijen.

b. Turfstrooiselfabrieken.

9. Loonondernemingen (ondernemingen, waarin de werkzaamheden uitsluitend of in hoofdzaak bestaan in het voor derden dorsen, ploegen, maaien, fraisen, eggen, schijfeggen, zaaien, kunstmeststrooien, vlastrekken, vlasknopbreken, sproeien of spuiten, dan wel het verrichten van andere oogst- en grondbewerkingswerkzaamheden)

10. Grasdrogerijen.

11. Aardappelsorteerinrichtingen.

12. Jacht.

13. Cultuurtechnische werken (inbegrepen objecten, uitgevoerd door de overheid).

14. Visteelt

(…)

57. Stukadoorsbedrijf, omvattende:

  1. Het stukadoorsbedrijf, inclusief het steengaasstellersbedrijf en het wittersbedrijf.

  2. Het vloerenleggersbedrijf.

  3. Het steen-, houtgraniet- en kunststeenbedrijf.”

4.5.

In de (interne) instructie sectoraansluiting zoals die door de Belastingdienst wordt gehanteerd, is het volgende vermeld:

Coating aanbrengen

X.269 Omschrijving

Het coaten van (deel)producten houdt in dat de (deel)producten van een deklaag worden voorzien. Hiervoor bestaan diverse technieken, bijvoorbeeld spuiten, verven/schilderen en gieten.

X.270 Maatschappelijke functie

Indien dit coaten voor derden gebeurt komen diverse sectoren in beeld. In de bijlage van de Regeling Wfsv wordt bijvoorbeeld sector 56. Schildersbedrijf genoemd. Bij sector 12.

Metaal- en technische bedrijfstakken, punt 4 wordt genoemd ‘het bedrijf van bet lakken, moffelen, slijpen en/of polijsten van metalen”.

In het kader van de afbakening van genoemde werkingssferen zijn d.m.v. concrete beslissingen regels voor de indeling ontwikkeld. Uitgangspunt hierbij is het principe van de functionele indeling. Dit houdt in dat voor de indeling van een werkgever bij een sector zijn (kern) functie in het maatschappelijk verkeer bepalend is. Hieronder worden deze regels nader uitgelegd. Als eerste zal de indeling van het coaten van objecten worden uitgelegd. Vervolgens zal de indeling van het coaten van muren, gevels, dijken en rioleringen aan de orde komen. Tot slot zal de indeling van het staalblazen en/of zandstralen van objecten

in combinatie met coating worden uitgelegd alsmede het coaten van (onder)vloeren.

(…)

X.275 Coaten van (onder)vloeren

Bedrijven, die (onder)vloeren schoonmaken en afwerken door middel van boucharderen, stralen, vlinderen, frezen en egaliseren door het aanbrengen van een coating, ressorteren onder sector 57. Stukadoorsbedrijf.

Vloeren

X.1361 Omschrijving

Het leggen of bedekken van vloeren kan bij verschillende sectoren thuishoren, afhankelijk van het soort materiaal en of de ondervloer al dan niet gebruiksklaar is.

X.1362 Maatschappelijke functie

(…)

Het schoonmaken (verwijderen van lijmresten) en afwerken van (onder)vloeren door middel van boucharderen, schuren, stralen, vlinderen en frezen ressorteert onder de werkingssfeer van sector 57. Stukadoorsbedrijf. Ook het repareren en egaliseren van (onder)vloeren door het aanbrengen van een coating valt onder sector 57. Stukadoorsbedrijf.”

4.6.

Belanghebbende stelt zich, samengevat weergegeven, op het standpunt dat zij werkzaamheden verricht in de agrarische sector, bestaande uit het opruwen van betonnen stalvloeren en / of roosters en aanhorige diensten. Door de Inspecteur is niet betwist het standpunt van belanghebbende dat haar klantenbestand voor 99 percent bestaat uit rundveebedrijven en de werkzaamheden (mede) ten doel hebben het welzijn van de koeien te verhogen en de ammoniakemissie in de stallen te beperken. Belanghebbende is van mening dat zij dient te worden ingedeeld in sector 1, Agrarisch bedrijf.

4.7.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de kernactiviteit van belanghebbende bestaat uit het opruwen van betonnen stalvloeren en roosters door het slijpen van sleuven met behulp van diamantzagen en dat zij dient te worden ingedeeld in sector 57, Stukadoorsbedrijf. De Inspecteur doet zijn standpunt steunen op de onder 4.5. genoemde uitvoeringsregels van de Belastingdienst. De Inspecteur is van mening dat de aard van de werkzaamheden van belanghebbende verwantschap vertonen met: ‘het afwerken van (onder)vloeren door middel van boucharderen, schuren, stralen, vlinderen en frezen’, welke werkzaamheden ressorteren onder de werkingssfeer van sector 57, Stukadoorsbedrijf.

4.8.

In de kern bestaan de werkzaamheden van (de onderneming van) belanghebbende uit het opruwen van betonnen stalvloeren en / of roosters middels diamantzagen. Niet in geschil is dat de door belanghebbende verrichte werkzaamheden niet met name in Bijlage 1 staan genoemd. Beoordeeld naar het normale spraakgebruik kunnen de werkzaamheden van belanghebbende ook overigens niet op de voet van artikel 5.2 van de Regeling Wfsv rechtstreeks worden gerangschikt onder één van de in Bijlage 1 opgenomen bedrijfstakken. Dit betekent dat geen rechtstreekse indeling op grond van artikel 5.2 Regeling Wfsv mogelijk is. Daarom zal belanghebbende op grond van artikel 5.3 Regeling Wfsv bij wijze van assimilatie moeten worden ingedeeld.

4.9.

Zoals uit de onder 4.3. weergegeven regelgeving blijkt, vindt aansluiting in een sector dan plaats bij het onderdeel van het bedrijfs- en beroepsleven waarmee de werkzaamheden naar de aard het meest overeenkomen. Bij de indeling moet de aard van de werkzaamheden die zij doet verrichten mede op basis van de functie die de (onderneming van de) werkgever in het maatschappelijk verkeer vervult, worden beoordeeld (Hoge Raad 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5387, BNB 2009/231). De wijze waarop een onderneming zich naar buiten presenteert (internet, handelsregister) vormt in dit verband een aanwijzing (vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 april 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1597).

4.10.

De argumenten van belanghebbende voor indeling in sector 1, Agrarisch bedrijf overtuigen het Hof niet, omdat de werkzaamheden van (de onderneming van) belanghebbende met geen van de groep van bedrijven die onder sector 1, Agrarisch bedrijf worden omschreven, kunnen worden geassimileerd. Daarbij overweegt het Hof dat de feitelijke werkzaamheden voor de sectorindeling bepalend zijn en niet, naar belanghebbende kennelijk veronderstelt, de sector waartoe haar opdrachtgevers behoren. Het zijn aldus deze feitelijke werkzaamheden die moeten worden vergeleken met de in een sector(omschrijving) opgenomen en vermelde bedrijfstakken en beroepsgroepen (vgl. Centrale Raad van Beroep 2 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2138).

4.11.

Het Hof komt aldus tot het oordeel dat de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende naar aard en maatschappelijke functie de meeste overeenkomsten vertonen met die van de onder sector 57, Stukadoorsbedrijf ressorterende bedrijfstakken en beroepsgroepen. In dit opzicht zijn de werkzaamheden volgens het Hof nauw verwant met bijvoorbeeld het eveneens onder sector 57 ressorterende bouchardeerbedrijf.

4.12.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het gelijk aan de Inspecteur.

Slotsom

4.13.

De slotsom is dat het beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.14.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.15.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 30 augustus 2019 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, P.C. van der Vegt en M.B.A. van Hout, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.