Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3251

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-08-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
18/00484 en 18/00485
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in de bezwaarfase verzocht om telefonisch te worden gehoord. De Inspecteur heeft meerdere keren vergeefs getracht telefonisch contact met de gemachtigde van belanghebbende te krijgen. Toen dat niet lukte heeft hij uitspraak op bezwaar gedaan zonder belanghebbende te horen. In geschil is of de Inspecteur de hoorplicht heeft geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-11-2019
V-N Vandaag 2019/2504
FutD 2019-2911
NTFR 2019/2986 met annotatie van Mr. M.H.W.N. Lammers
V-N 2019/60.21.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 18/00484 en 18/00485

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

verblijfplaats onbekend,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 13 juli 2018, nummers BRE 17/279 en 17/280, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden aanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.000 (hierna: aanslag 1), en een boete van € 4.920 (hierna: de verzuimboete). Aan belanghebbende is tevens een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (hierna: IAZVW) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 25.000 (hierna: aanslag 2). Ter zake van aanslag 1 en 2 is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken, het belastbaar inkomen uit werk en woning respectievelijk bijdrage-inkomen verminderd, de belastingrente dienovereenkomstig verlaagd en de verzuimboete verminderd.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende eenmaal een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier voorlopig geoordeeld dat belanghebbende voldeed aan de criteria voor betalingsonmacht en heeft hij vooralsnog afgezien van het heffen van griffierecht. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 25 juli 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Daar is toen verschenen en gehoord namens de Inspecteur, [inspecteur] .

1.7.

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 15 mei 2019 aan de gemachtigde van belanghebbende - de heer [gemachtigde] van [kantoornaam] B.V. - op het postadres Postbus [nummer] te [postcode] te [plaats] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Belanghebbende en diens gemachtigde zijn zonder kennisgeving aan het Hof niet ter zitting verschenen. Nu uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 21 mei 2019 op of omstreeks 14:41 uur in ontvangst is genomen door een persoon die zich aan de postbezorger heeft voorgesteld met de naam ‘ [gemachtigde] ’, is het Hof van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen tijdig, op de juiste wijze en op het juiste adres is aangeboden. Het Hof heeft na ommekomst van het initieel bepaalde aanvangstijdstip van de zitting nog een aantal minuten gewacht met de daadwerkelijke aanvang en de griffier heeft vlak voor aanvang van de zitting telefonisch contact gezocht met de gemachtigde. Op het door de gemachtigde verstrekte telefoonnummer kreeg de griffier geen gehoor.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Na het sluiten van de zitting is op 26 juli 2019 bij het Hof een faxbericht binnengekomen van de gemachtigde van belanghebbende waarin de gemachtigde aangeeft dat hij vergeten is het Hof te laten weten dat hij niet op zitting zou verschijnen.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende was gedurende het gehele jaar 2014 woonachtig in Nederland en tevens bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als eenmanszaakondernemer. Hij is door de Inspecteur ter zake van het kalenderjaar 2014 achtereenvolgens op 28 februari 2015 uitgenodigd, op 26 juni 2015 herinnerd en op 29 september 2015 aangemaand om aangifte te doen voor de heffing van IB/PVV. Belanghebbende heeft over 2014 geen aangifte IB/PVV ingediend. Over de jaren 2010 tot en met 2013 heeft belanghebbende evenmin aangiften IB/PVV ingediend.

2.2.

De Inspecteur heeft ambtshalve - met dagtekening 10 augustus 2016 - over het jaar 2014 de aanslagen 1 en 2 vastgesteld. Bij het vaststellen van aanslag 1 heeft de Inspecteur wegens het niet doen van aangifte bij beschikking de verzuimboete vastgesteld.

2.3.

Belanghebbende heeft tegen de aanslagen 1 en 2 afzonderlijk bezwaar aangetekend. Daarbij heeft hij gewezen op de over het jaar 2014 door belanghebbende ingediende aangiften omzetbelasting. Ook heeft belanghebbende in diens bezwaarschriften verzocht om telefonisch gehoord te worden en om een proceskostenvergoeding. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedagtekend 6 december 2016 het belastbaar inkomen uit werk en woning (aanslag 1) en het bijdrage-inkomen (aanslag 2) verminderd tot nihil, de belastingrente ter zake van beide aanslagen dienovereenkomstig verminderd tot nihil en de verzuimboete verminderd tot € 344. Belanghebbendes verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding heeft de Inspecteur afgewezen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is het antwoord op de volgende vragen in geschil:

I. Heeft de Inspecteur de hoorplicht geschonden?

II. Is de verzuimboete passend en geboden?

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de verzuimboete – naar het Hof begrijpt tot € 49 - en tot toekenning van een (integrale) vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure en de proceskosten, aan de zijde van belanghebbende. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Overwegingen vooraf

4.1.

Belanghebbende heeft bij brief van 30 september 2018 om ontheffing van het betalen van griffierecht verzocht in verband met betalingsonmacht. De griffier heeft bij brief van 1 november 2018 belanghebbende bericht dat hij voorlopig van mening is dat belanghebbende voldeed aan de criteria voor betalingsonmacht.

4.2.

Om voor vrijstelling van de betaling van griffierecht in aanmerking te komen moet een rechtzoekende aannemelijk maken dat zijn maandelijkse netto-inkomen minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en dat hij ook niet beschikt over vermogen waaruit het griffierecht kan worden betaald. Hierbij is de gezinssamenstelling van de rechtzoekende niet van belang en moet het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende.

Het Hof is op basis van de door belanghebbende gegeven toelichting van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode waarin griffierecht was verschuldigd, voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling van de betaling van griffierecht. Aan belanghebbende wordt daarom vrijstelling van de betaling van griffierecht verleend.

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.3.

Niet in geschil is dat belanghebbende in de bezwaarfase heeft verzocht om telefonisch gehoord te worden (hierna: het hoorverzoek). In zijn arrest van 14 december 2018, nr. 17/04558, ECLI:NL:HR:2018:2306, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de tekst en totstandkomingsgeschiedenis van de regeling van afdeling 7.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet uitsluiten dat een belanghebbende telefonisch wordt gehoord ingeval deze daarmee instemt of daarom verzoekt, en dit horen voldoende zorgvuldig kan geschieden.

4.4.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende op enig moment afstand heeft gedaan van zijn recht om te worden gehoord. De Inspecteur heeft gesteld dat hij meerdere keren vergeefs heeft getracht telefonisch contact met de gemachtigde van belanghebbende te krijgen teneinde te voldoen aan het hoorverzoek. Aangezien telefonisch contact niet mogelijk bleek, had het op de weg van de Inspecteur gelegen bij de behandeling van het bezwaar tegen de aanslagen 1 en 2 belanghebbende schriftelijk een voorstel te doen met betrekking tot datum en tijdstip van een hoorgesprek (vgl. Hoge Raad 18 januari 2019, nr. 18/01558, ECLI:NL:HR:2019:59). De Inspecteur heeft niet gesteld of doen blijken dat valide redenen aanwezig waren om van horen af te zien, bijvoorbeeld omdat sprake is van kennelijke niet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid van het bezwaar of omdat de Inspecteur aan het bezwaar volledig tegemoetkomt. De kennelijke afwezigheid van valide redenen om niet te horen klemt te meer nu tevens een verzuimboete is opgelegd. Naar het oordeel van het Hof is sprake van schending door de Inspecteur van diens plicht - zoals opgenomen in afdeling 7:2 van de Awb - om belanghebbende in de gelegenheid te stellen gehoord te worden. Vraag I dient daarom bevestigend beantwoord te worden.

4.5.

Aan schending van de hoorplicht kan volgens constante jurisprudentie op grond van het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb worden voorbijgegaan als belanghebbende door de gang van zaken niet is benadeeld. Hiervoor is onvoldoende dat belanghebbende zijn bezwaren in beroep schriftelijk heeft kunnen uiteenzetten en mondeling heeft kunnen toelichten, tenzij komt vast te staan dat omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan tussen de inspecteur en de belastingplichtige (uiteindelijk) geen verschil van mening bestaat en het geschil verder betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij de inspecteur geen beleidsvrijheid toekomt (vgl. onder meer Hoge Raad 18 april 2003, nr. 37 790, ECLI:NL:HR:2003:AF7495).

4.6.

In belanghebbendes bezwaarschrift tegen aanslag 1 is - kort samengevat - gesteld dat zijn financiële omstandigheden nopen tot vernietiging van de verzuimboetebeschikking. Daarom kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende door niet te horen niet is benadeeld. De Inspecteur heeft de verzuimboetebeschikking in de uitspraak op bezwaar namelijk niet vernietigd maar heeft deze verminderd naar € 344. Ten aanzien van de door belanghebbende gestelde financiële omstandigheden bestond kennelijk in de bezwaarfase verschil van mening en daarom kan het Hof aan de hiervoor bedoelde schending van de hoorplicht door de Inspecteur niet voorbij gaan.

4.7.

Gelet op het voorgaande dienen de uitspraken op het bezwaar gericht tegen aanslag 1, de bijbehorende boetebeschikking en de beschikking belastingrente, vernietigd te worden. Het Hof wijst de zaak terug naar de Inspecteur met de opdracht belanghebbende alsnog volgens de regels (telefonisch) te horen en opnieuw uitspraken op het bezwaar dat is gericht tegen aanslag 1, de bijbehorende boetebeschikking en de beschikking belastingrente, te doen.

4.8.

In artikel 8:113, lid 2, van de Awb is bepaald dat indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, de uitspraak ook kan inhouden dat beroep tegen dat besluit alleen kan worden ingesteld bij dezelfde hogerberoepsrechter. Dit betreft een bevoegdheid van de hogerberoepsrechter. Achtergrond van deze bepaling is dat een hernieuwde behandeling in twee feitelijke instanties niet altijd van toegevoegde waarde is gelet op de rechtsbescherming, of dat de wenselijkheid van een definitieve beslechting van het geschil binnen een redelijke termijn zwaarder moet wegen (Kamerstukken II 2009-2010, 32.450, nr. 3, p. 24-25). Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet het Hof aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, lid 2, van de Awb te bepalen dat tegen die uitspraak op bezwaar alleen bij het Hof beroep kan worden ingesteld. Het Hof verzoekt de Inspecteur om de rechtsmiddelenverwijzing in de uitspraak op bezwaar dienovereenkomstig aan te passen.

Vraag II

4.9.

Aan de beantwoording van vraag II komt het Hof, gelet op het voorgaande, niet toe.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is, dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd en dat de zaak wordt teruggewezen naar de Inspecteur met de opdracht belanghebbende alsnog te horen en opnieuw uitspraken op het bezwaar dat is gericht tegen aanslag 1, de bijbehorende boetebeschikking en beschikking belastingrente te doen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.12.

Kosten van een bezwaarprocedure worden uitsluitend vergoed indien en voor zover de bestreden besluiten - in casu de aanslagen 1 en 2, de beschikkingen belastingrente en de boetebeschikking - worden herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (artikel 7:15, lid 2, van de Awb).

4.13.

Belanghebbende heeft over 2014 geen aangifte IB/PVV ingediend. De Inspecteur heeft ambtshalve over het jaar 2014 de aanslagen 1 en 2 vastgesteld en daarbij de boetebeschikking en de beschikkingen belastingrente vastgesteld. Pas in de bezwaarfase heeft belanghebbende gegevens overgelegd op basis waarvan de Inspecteur in diens uitspraak op bezwaar het belastbaar inkomen uit werk en woning (aanslag 1), het bijdrage-inkomen (aanslag 2) en de beschikkingen belastingrente op nihil heeft gesteld en het bedrag van de boete heeft verminderd. Hiervan uitgaande is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid geen sprake. Dat binnen de Belastingdienst ten tijde van het opleggen van de aanslagen 1 en 2 de gegevens uit de door belanghebbende ingediende aangiften omzetbelasting over 2014 voorhanden waren, zoals belanghebbende heeft gesteld, doet hier niet aan af (vgl. onder meer Hoge Raad 17 februari 2017, nr. 16/01006, ECLI:NL:HR:2017:249). Een kostenvergoeding voor de bezwaarfase is terecht achterwege gebleven.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Voorzover belanghebbende verzoekt om een integrale proceskostenvergoeding voor de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep overweegt het Hof het volgende. Ingevolge artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan een integrale proceskostenvergoeding worden toegekend indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van het Hof is van bijzondere omstandigheden geen sprake. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering (HR 4 februari 2011, nr. 10/01397, ECLI:NL:HR:2011:BP2995, HR 30 augustus 1996, nr. 30.881, ECLI:NL:HR:1996:AA2060 en HR 5 januari 2018, nr. 17/00123, ECLI:NL:HR:2018:4).

4.15.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.16.

Het Hof stelt de tegemoetkoming voor het beroep bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit), op 1 (punt) x € 512 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 512.

4.17.

Het Hof stelt de tegemoetkoming voor het hoger beroep bij het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 1,5 (punten) x € 512 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 768.

4.18.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens diens beslissing betreffende Rechtbankkenmerk BRE 17/280,

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar gericht tegen aanslag 1, de bijbehorende boetebeschikking en beschikking belastingrente,

  • -

    draagt de Inspecteur op opnieuw uitspraken op bezwaar gericht tegen aanslag 1, de bijbehorende boetebeschikking en beschikking belastingrente te doen met inachtneming van de uitspraak van het Hof,

  • -

    bepaalt op de voet van artikel 8:113, lid 2, van de Awb dat tegen de nieuwe uitspraak op bezwaar slechts bij het Hof beroep kan worden ingesteld,

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten aan de zijde van belanghebbende van het geding bij de Rechtbank en bij het Hof, in totaal vastgesteld op € 1.280.

Aldus gedaan op 30 augustus 2019 door J.M. van der Vegt, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en W.P.J. Schramade, leden, in tegenwoordigheid van A. Muller, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.