Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3216

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-08-2019
Datum publicatie
30-08-2019
Zaaknummer
20-003924-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, omdat de rechter in eerste aanleg niet buiten de aanwezigheid van de raadsman van de verdachte aan een inhoudelijke behandeling van de zaak had mogen toekomen, nu de raadsman is aan te merken als één van de personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting en hij nu niet in de gelegenheid is geweest de verdediging namens de verdachte te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003924-17

Uitspraak : 30 augustus 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 6 november 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-820114-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Door de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde op de bestaande dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De advocaat-generaal heeft dit eveneens verzocht.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het vonnis niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 17 juni 2016 te Beugen, gemeente Boxmeer, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 642 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij in of omstreeks de periode van 18 december 2015 tot en met 17 juni 2016 te Beugen, gemeente Boxmeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [energiebedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Geldigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg

De verdediging heeft nietigverklaring van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg bepleit en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank verlangd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de eerste rechter op 23 oktober 2017 niet buiten aanwezigheid van de raadsman van de verdachte aan een inhoudelijke behandeling van de zaak had mogen toekomen, nu de raadsman is aan te merken als één van de personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting en hij nu niet in de gelegenheid is geweest de verdediging namens de verdachte te voeren.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De verdachte heeft op 13 december 2017 hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 6 november 2017. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank d.d. 23 oktober 2017 is het hof gebleken dat de verdachte noch een raadsman op die terechtzitting zijn verschenen.

Uit de akte van uitreiking blijkt dat de dagvaarding van de verdachte voor die terechtzitting op 25 september 2017 als gewone brief is verzonden aan het adres van de verdachte in Duitsland. Daarbij is niet de termijn van 30 dagen in acht genomen die voor dagvaardingen van in Duitsland woonachtige personen geldt.

Voorts stelt het hof aan de hand van de mededeling van de raadsman van de verdachte vast dat is nagelaten een afschrift van de dagvaarding in eerste aanleg aan hem te verzenden, terwijl hij zich direct na de aanhouding van de verdachte heeft gesteld.

Ingevolge artikel 423, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering behoort het hof, indien de hoofdzaak door de rechter in eerste aanleg is beslist en er sprake is van een tot nietigheid leidend verzuim in de behandeling en beslissing van de zaak in eerste aanleg, na een geheel nieuwe behandeling van de zaak in hoger beroep, de uitspraak van de rechter in eerste aanleg te vernietigen en te doen wat deze had behoren te doen, maar niet de zaak te verwijzen naar de rechter in eerste aanleg op de grond, dat de verdachte een aanleg heeft ontbeerd.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden dient ook voor enkele gevallen waarin de rechter in eerste aanleg de hoofdzaak wel heeft beslist, een uitzondering op voormelde hoofdregel te worden gemaakt en brengt het in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering besloten liggende beginsel (dat de verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties) mee dat, na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, de zaak wordt teruggewezen naar de rechter in eerste aanleg, tenzij door de advocaat-generaal en de verdachte de beslissing van de hoofdzaak door het hof is verlangd. Daarvan is sprake indien de rechter ter terechtzitting aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen, omdat één van de personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting aldaar niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, dat de rechter in eerste aanleg niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak tegen de verdachte had mogen toekomen omdat de dagvaardingstermijn geschonden was en omdat één van de personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting, te weten de raadsman, aldaar niet is verschenen, terwijl hij niet op de hoogte was gebracht van de dag ter terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem bekend was.

Gelet op het vorenoverwogene zal het hof overgaan tot vernietiging van het bestreden vonnis, en – nu niet is verzocht de zaak bij wege van prorogatie zelf af te doen – de zaak terugwijzen naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde op grond van de inleidende dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan met inachtneming van dit arrest.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde op grond van de inleidende dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan met inachtneming van dit arrest.

Aldus gewezen door:

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. F.P.E. Wiemans en mr. E.G.M. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker en mr J. de Leijer, griffiers,

en op 30 augustus 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. P.J. Hödl en mr. E.G.M. Smit zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.