Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3188

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
05-09-2019
Zaaknummer
200.234.135_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:1458
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

prejudiciële vragen aan de HR in een PIP-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2019-0235
PS-Updates.nl 2019-1088
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.234.135/01

arrest van 27 augustus 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M. Berruezo te 's-Gravenhage,

tegen

Stichting [JBZ] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 april 2019 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/311082 / HA ZA 16-515 gewezen vonnissen van 4 januari 2017 en 22 november 2017.

5 Het verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 16 april 2019 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte van [appellante] ;

  • -

    de akte verzoek aanvulling en/of verbetering r.o. 3.6.7. en 3.7.2. tevens houdende akte uitlating prejudiciële vragen van JBZ;

  • -

    de akte met reactie daarop van [appellante] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de vraagstelling met de toelichting.

6.2.

[appellante] heeft aangegeven akkoord te zijn met de geformuleerde rechtsvragen.

6.3.

JBZ heeft aangegeven een verbetering te wensen van twee rechtsoverwegingen in het tussenarrest. Voorts heeft zij te kennen gegeven dat de in het tussenarrest weergegeven omstandigheden moeten worden uitgebreid. Tot slot heeft zij de vraagstelling geformuleerd.

[appellante] heeft bij akte verzocht om de akte van JBZ, gelet op de inhoud en omvang ervan, te weigeren.

6.4.

Laatstgenoemd verweer van [appellante] treft doel daar waar JBZ aangeeft dat de eerder door het hof bij tussenarrest weergegeven omstandigheden zouden moeten worden uitgebreid. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op de vraagstelling en de toelichting. Het hof heeft tussenarrest gewezen na sluiting van het debat tussen partijen. Het is onder deze omstandigheden in strijd met de goede procesorde om dan het debat voort te zetten. Het hof zal dan ook geen acht slaan op al hetgeen JBZ onder punt 3 van haar akte heeft vermeld.

6.5.

JBZ heeft betoogd dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de geplaatste prothese ondeugdelijk was omdat deze een verhoogde kans op scheuren en lekken had. De betreffende prothese was ondeugdelijk omdat zij behoorde tot de productgroep van PIP en deze productgroep had een verhoogde kans op scheuren en lekken. Het woordje “productgroep” is ten onrechte, aldus JBZ, weggelaten. De mogelijkheid bestaat dat de bij [appellante] geplaatste prothese niet gebrekkig is omdat zij geen industriële siliconen bevat.

Het hof heeft in de overwegingen weergegeven dat tussen partijen niet is komen vast te staan dat met de onderhavige prothese zou zijn gefraudeerd en dat deze prothese industriële siliconen zou bevatten. In zoverre kan er dan ook geen misverstand zijn ontstaan. Voorts heeft JBZ erkend dat er sprake is van een gebrekkig product, ook wanneer het gaat om een potentieel gebrek. In de onderhavige zaak is hiervan sprake: nu de prothese deel uitmaakte van de productgroep met een verhoogde kans op scheuren en lekken, moet ook van de onderhavige prothese worden gezegd dat deze, voorafgaande aan de vervanging, een verhoogde kans op scheuren en lekken had. Het enkele feit dat achteraf zou kunnen worden vastgesteld dat met deze prothese niet was gefraudeerd, maakt voormelde stelling niet anders. Het gaat daarbij immers om een inschatting van een kans die gemaakt wordt op het moment dat er onzekerheid bestaat over de samenstelling van de prothese. Aldus dienen de betreffende overwegingen in het tussenarrest te worden gelezen.

6.6.

JBZ heeft voorgesteld om de vraagstelling te wijzigen en een splitsing aan te brengen van de “tekortkomingsvraag” en de “toerekeningsvraag” teneinde te voorkomen dat de Hoge Raad zich alleen uitlaat over de toerekeningsvraag in deze zaak en dit dan niet leidt tot de gewenste duidelijkheid in de andere PIP-zaken.

Het hof heeft in het tussenarrest de vraagstelling aan de Hoge Raad ruim geformuleerd en, daaraan voorafgaand, de relevante feiten en omstandigheden weergegeven alsmede de standpunten van partijen. Gesteld noch gebleken is dat deze weergave in hoofdlijnen in andere PIP-zaken anders is. Het hof ziet dan ook in het door JBZ aangevoerde geen reden om de vraagstelling te wijzigen.

6.7.

Het hof stelt de volgende vragen aan de Hoge Raad.

1. Is een ziekenhuis aansprakelijk voor de schade die het gevolg is (geweest) van het inbrengen van een gebrekkig PIP-implantaat en dient het gebrek aan dat ziekenhuis te worden toegerekend? Welke van de in het tussenarrest van16 april 2019 genoemde feiten en/of omstandigheden zijn voor de beoordeling van belang? Zijn nog andere, niet benoemde feiten en/of omstandigheden van belang?

2. Is voor de beantwoording relevant of het gebrek bestaat uit de kans op voortijdig lekken van het implantaat of dat het gebrek is gelegen in het feit dat in plaats van medicinale siliconen industriële siliconen zijn gebruikt bij de vervaardiging ervan?

6.8.

In afwachting van de beslissing van de Hoge Raad zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. Na ontvangst van een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich ter zake de uitspraak van de Hoge Raad uit te laten.

7 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat aan de Hoge Raad de hiervoor onder 6.7. geformuleerde vragen worden gesteld ex artikel 392 Rv;

bepaalt dat de griffier onverwijld een afschrift van dit arrest, alsmede van het tussenarrest van 16 april 2019 zendt aan de civiele griffie van de Hoge Raad;

bepaalt dat de griffier afschriften van de andere op deze procedure betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad zendt;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, J.M.H. Schoenmakers en I. Giesen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 augustus 2019.

griffier rolraadsheer