Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3181

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
200.226.750_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:7115
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maakt de bovenwettelijke werkloosheidsregeling deel uit van wat partijen zijn overeengekomen en kan werknemer zich hierop beroepen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0939
JAR 2019/254
RAR 2019/162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer gerechtshof 200.226.750

(zaaknummer rechtbank 5174528)

arrest van 27 augustus 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. N.G.N. Laumen,

tegen:

1 de stichting
Stichting Sité,

gevestigd en kantoorhoudend te [vestigings- en kantoorplaats] ,

2. de stichting

Stichting voor Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie Westelijke Zuid-Limburg,

gevestigd en kantoorhoudend te [vestigings- en kantoorplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. C.A.H. Lemmens.

Geïntimeerde sub 1 zal hierna Sité, geïntimeerde sub 2 Leeuwenborgh en geïntimeerden gezamenlijk zullen Sité c.s. worden genoemd.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 19 juli 2017 dat de kantonrechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 19 oktober 2017,

- de memorie van grieven (met producties), tevens houdende een wijziging van eis,

- de memorie van antwoord (met producties),

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

2.2.

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten:

3.1.

[appellant] , geboren in 1956, heeft van 16 november 2009 tot 1 augustus 2012 op grond van elkaar opvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten gewerkt in de functie van docent. De arbeidsovereenkomsten heeft [appellant] gesloten met Sité. [appellant] heeft in die periode uitsluitend gewerkt bij Leeuwenborgh. Sité heeft steeds het loon van [appellant] betaald. Op de arbeidsovereenkomsten is telkens de CAO Beroepsonderwijs en Volwassenenonderwijs (hierna: de CAO) van toepassing verklaard:

“Op het dienstverband is de vigerende CAO BVE van toepassing en de op grond van deze CAO nader vastgestelde uitvoeringsregelingen en alle aanvullingen en wijzigingen die de CAO ondergaat, alsmede de met de vakcentrales in het Decentraal Georganiseerd Overleg Stichting Site overeengekomen aanvullende arbeidsvoorwaarden.”

3.2.

In de aanstellingsbrief van 14 november 2011 die ziet op de laatste arbeidsovereenkomst tussen Sité en [appellant] staat vermeld:

“Op het dienstverband is de vigerende CAO BVE van toepassing, voor zover technisch mogelijk (onderstreping hof). De op grond van deze CAO nader vastgestelde uitvoeringsregelingen en alle aanvullingen en wijzigingen die de CAO ondergaat, alsmede de met de vakcentrales in het Decentraal Overleg Stichting Site overeengekomen aanvullende arbeidsvoorwaarden. (…)”

3.3.

De Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie 2008 (hierna: de bovenwettelijke werkloosheidsregeling) is een bijlage van de CAO. Ingevolge die regeling heeft kort gezegd de werknemer met een dienstverband bij een instelling als bedoeld in de WEB recht op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering.

3.4.

Na het einde van de arbeidsovereenkomst met Sité heeft [appellant] tot 6 oktober 2015 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen.

3.5.

[appellant] heeft op enig moment een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering op grond van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling aangevraagd bij WWplus (uitvoeringsinstantie voor bovenwettelijke uitkeringen). Bij besluit van l6 juni 2015 heeft WWplus die aanvraag afgewezen omdat zij niet de bovenwettelijke werkloosheidsregeling uitvoert voor Sité.

3.6.

[appellant] heeft daarna schriftelijk gecorrespondeerd met Sité en Leeuwenborgh en zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij op grond van de CAO recht heeft op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Sité en Leeuwenborgh hebben in hun schriftelijke reacties dit standpunt betwist.

3.7.

[appellant] heeft vervolgens nogmaals bij WWplus een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering aangevraagd. Bij besluit van 21 juni 2016 heeft WWplus ook die aanvraag afgewezen omdat zij niet de bovenwettelijke werkloosheidsregeling uitvoert voor Sité. [appellant] heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. WWplus heeft bij besluit van 20 september 2016 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. In dat besluit heeft WWplus vermeld dat, indien [appellant] het niet eens is met het besluit, hij zijn voormalige werkgever kan dagvaarden voor de kantonrechter.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd voor recht te verklaren primair dat Leeuwenborgh de werkgever is van [appellant] en subsidiair dat Sité en Leeuwenborgh moeten worden gezien als een instelling in de zin van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB), zodat de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling 2008 van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en Leeuwenborgh en/of Sité. Daarnaast heeft [appellant] vorderingen ingesteld tot uitkering op grond van de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling 2008, met veroordeling van Sité en Leeuwenborgh in de kosten.

4.2.

Sité en Leeuwenborgh hebben verweer gevoerd.

4.3.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 19 juli 2017 de vorderingen van [appellant] afgewezen kort gezegd omdat [appellant] met Sité en niet met Leeuwenborgh een arbeidsovereenkomst heeft en Sité geen instelling in de zin van de WEB is, met veroordeling van [appellant] in de kosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

[appellant] vordert in hoger beroep primair Sité te veroordelen tot betaling aan [appellant] van de uitkering op basis van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie 2008.

Subsidiair vordert [appellant] om voor recht te verklaren dat feitelijk Leeuwenborgh de partij is met wie [appellant] de arbeidsovereenkomst heeft gesloten en niet Sité, zodat op die grond de volledige CAO met de bovenwettelijke werkloosheidsregeling van toepassing is. Tevens vordert [appellant] om Leeuwenborgh in dat geval te veroordelen medewerking te verlenen aan de toewijzing van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling.

5.2.

Volgens Sité en Leeuwenborgh heeft [appellant] niet, althans niet op een voldoende kenbare wijze, gegriefd tegen de in het vonnis onder r.o. 4.6 tot en met 4.8 door de kantonrechter gegeven oordelen, zodat van het oordeel van de kantonrechter moet worden uitgegaan.

5.3.

Op basis van de als zodanig geformuleerde drie grieven van [appellant] gelezen in samenhang met de daarop gegeven toelichting begrijpt het hof dat [appellant] meent dat hij op basis van hetgeen hij met Sité is overeengekomen, kon en mocht verwachten dat hij in aanmerking zou komen voor de bovenwettelijke uitkering. Het niet toepassen van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling is in strijd met goed werkgeverschap. De in de laatste aanstellingsbrief opgenomen zinsnede ‘voor zover technisch mogelijk’ ziet niet op de bovenwettelijke werkloosheidsregeling en is bovendien niet aanvaard door [appellant] . Daarnaast is betaling van de bovenwettelijke uitkering technisch mogelijk. Subsidiair heeft [appellant] gesteld dat de toegepaste constructie in strijd is met het doel en strekking van de wet en zou geoordeeld moeten worden dat hij feitelijk een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met Leeuwenborgh en niet met Sité, zodat op die grond de bovenwettelijke werkloosheidsregeling van toepassing is. Om die reden kan het vonnis van de kantonrechter volgens [appellant] niet in stand blijven.

5.4.

Aan het betoog van Sité en Leeuwenborgh dat, kort gezegd, onvoldoende duidelijk is waartegen [appellant] opkomt, gaat het hof voorbij. Uit het inhoudelijke verweer dat Sité en Leeuwenborgh in de memorie van antwoord en in hun pleitnota hebben gevoerd blijkt dat hun voldoende duidelijk is waartegen [appellant] wil opkomen. Het hof zal deze zaak dan ook beoordelen op de door [appellant] aangevoerde gronden zoals hierboven weergegeven en de gewijzigde eis van [appellant] .

5.5.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [appellant] op grond van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst recht heeft op een uitkering op grond van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling als bedoeld in de CAO. Het gaat er daarbij om hoe de op de arbeidsovereenkomst van toepassing verklaarde cao in de verhouding tussen partijen doorwerkt. Daarbij is van belang dat de arbeidsovereenkomst is gesloten met Sité, terwijl de CAO als zodanig alleen geldt voor Leeuwenborgh. Dit staat er echter niet aan in de weg dat een werkgever en werknemer kunnen afspreken dat in het kader van de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst uitvoering wordt gegeven aan een bepaalde cao. De omstandigheid dat Sité geen instelling in de zin van de WEB is en niet aan de CAO gebonden is, vormt daarvoor op zichzelf geen beletsel. In zoverre houdt het vonnis van de kantonrechter dan ook geen stand.

5.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij, door het van toepassing verklaren van de CAO, zich jegens elkaar hebben verbonden tot het uitvoering geven aan die CAO. Partijen twisten over de reikwijdte van de CAO op hun rechtsverhouding, waarbij Sité zich op het standpunt heeft gesteld dat de CAO niet onverkort doorwerkt. De betekenis van een omstreden bepaling van een overeenkomst moet door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

5.7.

Sité heeft in dat kader in de eerste plaats aangevoerd dat zij tegenover [appellant] nooit de indruk heeft gewekt dat (ook) de bovenwettelijke werkloosheidsregeling van toepassing zou zijn. Gelet op het feit dat op de arbeidsovereenkomst de CAO van toepassing is verklaard en dat in die CAO de regeling van toepassing wordt verklaard, kan dit standpunt niet worden gevolgd. [appellant] mocht er daarom, in beginsel, op vertrouwen dat de gehele CAO, inclusief de bovenwettelijke werkloosheidsregeling, van toepassing was op de rechtsverhouding tussen partijen. Hij had geen enkele aanleiding ergens anders van uit te (moeten) gaan.

5.8.

Sité heeft verder aangevoerd dat de bovenwettelijke werkloosheidsregeling niet toegepast kán worden, omdat partijen niet voldoen aan de eisen voor toepasselijkheid van deze regeling. Toepassing is ‘technisch onmogelijk’ aldus Sité en in de laatste arbeidsovereenkomst is met betrekking tot de toepasselijkheid van de CAO het voorbehoud gemaakt ‘voor zover technisch mogelijk’. In de bovenwettelijke werkloosheidsregeling wordt bepaald wie onder welke voorwaarden aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze regeling. Het moet daarbij in de eerste plaats gaan om een werknemer in dienst van een ‘instelling als bedoeld in de artikelen 1.3.1 tot en met 1.3.4 en 12.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs’. Sité is niet een instelling als daar bedoeld. [appellant] voldoet volgens Sité daarom niet aan de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op een uitkering op grond van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling.

5.9.

[appellant] heeft betwist dat hij wist van, laat staan had ingestemd met, de door Sité in de laatste arbeidsovereenkomst opgenomen voorbehoud ‘voor zover technisch mogelijk’. Maar ook al zou deze passage met wetenschap en instemming van [appellant] zijn opgenomen, dan nog had [appellant] niet bedacht hoeven zijn op het daaruit volgens Sité voortvloeiende gevolg met betrekking tot de aanspraak van [appellant] op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Dat Sité geen ‘instelling’ is zoals bedoeld wordt in de regeling betekent niet dat partijen niet desondanks toepasselijkheid van de CAO met de daarin opgenomen bovenwettelijke werkloosheidsregeling kunnen overeenkomen en, voor Sité, om zich vrijwillig jegens [appellant] te verbinden tot uitbetaling van een uitkering op basis van die regeling, alsof zij een instelling is als bedoeld in die regeling. Dat uitvoering van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling technisch onmogelijk is, is niet gebleken. Voor deze bovenwettelijke uitkering vindt naar eigen zeggen van Sité immers geen premieafdracht of fondswerving plaats zodat deze uitkering hoe dan ook door de werkgever zelf, Sité in dit geval, betaald moet worden. Ook als Sité wel aangemerkt had kunnen worden als een instelling als bedoeld in de regeling. Het enige dat voor uitvoering van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling nodig is, is dat op basis van de inkomensgegevens van [appellant] een berekening wordt gemaakt om de hoogte en duur van de uitkering vast te stellen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom dit voor Sité ‘technisch onmogelijk’ zou zijn. Sité heeft nog aangevoerd dat ‘technisch’ eigenlijk moet worden begrepen als ‘terminologisch’, maar deze lezing staat zo ver verwijderd van de gebruikte bewoordingen dat [appellant] hier niet op bedacht had hoeven zijn.

5.10.

Voor zover onduidelijkheid bestond over de bedoeling van Sité, dat wil zeggen: voor zover Sité de bedoeling had toepasselijkheid van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling in de relatie met [appellant] uit te sluiten, moet dit voor rekening van Sité blijven. Het was aan Sité om, als zij deze regeling daadwerkelijk had willen uitzonderen van het toepassingsbereik van de CAO op de arbeidsverhouding met [appellant] , daar tegen [appellant] duidelijk over te zijn en dat heeft zij nagelaten. Op grond van het voorgaande moet geconcludeerd worden dat de CAO onverkort van toepassing is.

5.11.

Sité heeft ter comparitie in eerste aanleg verklaard dat de bovenwettelijke werkloosheidsregeling weliswaar een bijlage bij de CAO is, maar dat daar in de CAO zelf niet naar wordt verwezen. De bovenwettelijke werkloosheidsregeling zou daarom, zo begrijpt het hof de stelling van Sité, geen deel uitmaken van de CAO.

In hoger beroep heeft [appellant] echter gewezen op artikel P-1 van de CAO, waarin in het tweede lid wordt bepaald:

‘Op de rechten en plichten van werkgever en werknemer bij werkloosheid is van toepassing de in bijlage P opgenomen Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie 2008.’

Anders dan Sité heeft verklaard, blijkt toepasselijkheid van de regeling wel rechtstreeks uit de CAO.

5.12.

Sité heeft nog een betoog gehouden over de wettelijke historie van het onderscheid tussen vaste en flexibele formatie en de doorwerking daarvan in de CAO, waardoor de bovenwettelijke werkloosheidregeling niet zou gelden voor [appellant] als flexibele arbeidskracht. Aldus zou de passage ‘voor zover technisch mogelijk’ in de laatste aanstellingsbrief zelfs ten overvloede zijn opgenomen.

5.13.

Met betrekking tot de uitleg van de CAO geldt volgens vaste rechtspraak de zogenoemde cao-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend (zie onder meer HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:678). Niet valt in te zien waarom deze norm niet ook zou gelden in een geval waarin de partijen niet rechtstreeks aan een cao zijn gebonden, maar toepasselijkheid daarvan zijn overeengekomen.

5.14.

In het licht van dit criterium hoefde van [appellant] niet te worden verwacht dat hij zich voor de uitleg van het al dan niet bestaan van een aanspraak op de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering in de totstandkomingsgeschiedenis van de CAO zou verdiepen. Uit de stellingen van Sité volgt onvoldoende dat [appellant] op grond van de CAO als zodanig en de bovenwettelijke werkloosheidsregeling zonder meer duidelijk moest zijn dat laatstbedoelde regeling voor hem als flexibele arbeidskracht niet zou gelden.

5.15.

Door het van toepassing van verklaren van de CAO in de arbeidsovereenkomst is deze van toepassing geworden op de rechtsverhouding tussen [appellant] en Sité. Naar het oordeel van het hof kunnen de verweren van Sité haar niet baten en heeft [appellant] aanspraak op een uitkering op basis van de in de CAO van toepassing verklaarde bovenwettelijke werkloosheidsregeling. Tegenover de gemotiveerde stellingen over de duur van de aanspraak door [appellant] , heeft Sité haar bezwaren onvoldoende onderbouwd. De grieven van [appellant] slagen, op grond waarvan het vonnis van de kantonrechter niet in stand kan blijven. De gewijzigde primaire eis van [appellant] is toewijsbaar en de overige grieven behoeven daarom geen bespreking meer. Aan de subsidiaire vordering, die is gericht tegen Leeuwenborgh, komt het hof op basis van het voorgaande niet meer toe.

5.16.

Het bewijsaanbod van Sité wordt gepasseerd omdat dit niet is toegesneden op een of meer stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden.

6 De slotsom

6.1.

De grieven slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De primaire vordering om Sité te veroordelen aan [appellant] een uitkering ingevolge de bovenwettelijke werkloosheidsregeling te verstrekken, is toewijsbaar.

6.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Sité in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 107,62

- griffierecht € 471,00

- salaris advocaat € 1.500,00 (2,5 punten x tarief 600)

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 97,31

- griffierecht € 716,00

- salaris advocaat € 2.148,00 (2 punten x tarief 1.074)

6.3.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6.4.

[appellant] zal, als de jegens Leeuwenborgh in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties worden veroordeeld. De kosten in beide instanties aan de zijde van Leeuwenborgh zullen worden vastgesteld op nihil.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

7.1.

vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 19 juli 2017 en doet opnieuw recht;

7.2.

veroordeelt Sité om aan [appellant] te betalen de bovenwettelijke uitkering(en) conform de bovenwettelijke werkloosheidsregeling Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie 2008 over de periode vanaf 6 oktober tot aan de datum van dit arrest, binnen twee weken na dit arrest,

7.3.

veroordeelt Sité om maandelijks (achteraf) aan [appellant] te betalen de bovenwettelijke uitkering(en) conform de bovenwettelijke werkloosheidsregeling Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie 2008 vanaf de datum van dit arrest totdat [appellant] de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt,

7.4.

veroordeelt Sité in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 578,62 voor verschotten en op € 1.500,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 811,31 voor verschotten en op € 2.148,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening,

7.5.

veroordeelt Sité in de nakosten, begroot op € 157,00 met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,00 in geval Sité niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening,

7.6.

veroordeelt [appellant] in de kosten aan de zijde van Leeuwenborgh van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak vastgesteld op nihil,

7.7.

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

7.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, E.J. van Sandick en A.C. Metzelaar, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2019.

griffier rolraadsheer