Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3139

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
28-08-2019
Zaaknummer
16/03797bis
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5319, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rijnvarenden. Eindbeslissing na HR 5 oktober 2018, 18/01619, ECLI:NL:HR:2018:1725. Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.

Zonder vaststelling door de SVB (door een besluit of A1-verklaring) dat een belanghebbende in Nederland premieplichtig is voor de volksverzekeringen mag de Belastingdienst niet heffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-08-2019
V-N Vandaag 2019/1949
FutD 2019-2265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03797bis

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van
18 augustus 2016, nummer BRE 15/7817,in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de na te noemen aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2013.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een verzamel- en premie-inkomen van € 41.419 respectievelijk € 33.363. Bij de vaststelling van de aanslag is de in de aangifte verzochte vrijstelling premie volksverzekeringen niet verleend. Na tegen de aanslag gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar afgewezen, evenals het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar.

1.2.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) hebben partijen vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 november 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [gemachtigde] , verbonden aan [kantoor] te [kantoorplaats] , als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door de heer [belanghebbende 16/3517] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Tevens was in de zittingzaal aanwezig mevrouw [A] , die met de Inspecteur is meegekomen en desgevraagd verklaard heeft graag als toehoorster aanwezig te willen zijn bij het onderzoek ter zitting. De gemachtigde heeft verklaard geen bezwaar tegen haar aanwezigheid te hebben.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek geschorst en het vooronderzoek hervat.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is gezonden.

1.9.

De Inspecteur heeft bij brief van 10 januari 2018 een afschrift toegezonden van de uitspraak van de CRvB van 29 december 2017, 16/6454 AOW en 16/2722 AOW (inzake belanghebbende), ECLI:NL:CRVB:2017:4469.

1.10.

Partijen zijn op de voet van artikel 27h, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in samenhang met artikel 27ga, tweede lid, van de AWR in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen om de Hoge Raad vragen voor te leggen alsmede over de inhoud van de voor te leggen vragen. De Inspecteur heeft gereageerd bij brief van 6 april 2018, door het Hof ontvangen op 11 april 2018. Belanghebbende heeft niet gereageerd. Bij brief van 20 april 2018 heeft belanghebbende alsnog gereageerd op de brief van de Inspecteur van 6 april 2018.

1.11.

Bij tussenuitspraak van 19 april 2018, nr. 16/03715, ECLI:NL:GHSHE:2018:1644 heeft het Hof ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing de Hoge Raad vragen voorgelegd.

1.12.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 5 oktober 2018, nr. 18/01619, ECLI:NL:HR:2018:1725 de vragen beantwoord.

1.13.

Belanghebbende is bij brief van 7 november 2018 in de gelegenheid gesteld te reageren op het arrest van 5 oktober 2018. Belanghebbende heeft dit gedaan bij brief van 4 december 2018. Een afschrift daarvan is gezonden aan de Inspecteur. De Inspecteur bij brief van 20 december 2018 gereageerd op de reactie van belanghebbende en het arrest van 5 oktober 2018.

1.14.

Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.15.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 3 april 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [gemachtigde] , verbonden aan [kantoor] te [kantoorplaats] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 4] , [inspecteur 5] en [inspecteur 2] .

1.16.

De Inspecteur heeft te dezer zitting twee pleitnota’s overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij, en deze voorgedragen.

1.17.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.18.

Van de nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is gezonden.

1.19.

Na de sluiting van het onderzoek aan het einde van de zitting op 3 april 2019 heeft belanghebbende op 1 juli 2019 stukken toegestuurd aan het Hof.

1.20.

Omdat uit dit stuk bleek dat het onderzoek onvolledig is geweest als bedoeld in artikel 8:68 van de Awb heeft het Hof het onderzoek heropend en de Inspecteur in de gelegenheid gesteld op het stuk te reageren. Dit heeft de Inspecteur gedaan bij brief van 12 juli 2019, die in afschrift is verzonden aan belanghebbende.

1.21.

Met schriftelijke toestemming van partijen is een tweede nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven en heeft het Hof het onderzoek (wederom) gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zittingen zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1964 en woonde in 2013 in Nederland. Belanghebbende was in 2013 werkzaam op het binnenschip [naam schip 1] . Tot 1 februari 2013 was belanghebbende in loondienst bij [A BV] . Met ingang van 1 februari 2013 was belanghebbende in loondienst bij [B Ltd] Ltd te [plaats] (Cyprus; hierna: [B Ltd] ).

2.2.

Met dagtekening 5 augustus 2015 is onderhavige aanslag opgelegd met heffing van premie volksverzekeringen op basis van een premie-inkomen van € 33.363.

2.3.

De Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) heeft op 4 januari 2013 een zogenoemde A1-verklaring afgegeven. De door de SVB afgegeven verklaring houdt in, dat belanghebbende werknemer was van [A BV] en dat hij van 3 januari 2013 tot en met 31 december 2013 was onderworpen aan de heffing van premie volksverzekeringen in Nederland.

2.4.

De desbetreffende autoriteit in Liechtenstein heeft op 22 mei 2014 een A1-verklaring afgegeven. Deze verklaring houdt in, dat belanghebbende van 1 mei 2014 tot en met 30 april 2016 was onderworpen aan het sociale verzekeringsrecht in Liechtenstein.

2.5.

De SVB heeft op 24 juni 2014 wederom een A1-verklaring afgegeven. De SVB was op dat moment niet op de hoogte van de onder 2.4 bedoelde A1-verklaring. De door de SVB afgegeven verklaring houdt in, dat belanghebbende van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 was onderworpen aan de heffing van premie volksverzekeringen in Nederland. [B Ltd] heeft tegen deze verklaring bezwaar ingediend. Dit bezwaar is door de SVB afgewezen. Op het door [B Ltd] ingestelde beroep heeft Rechtbank Noord-Nederland bij (een tot de gedingstukken behorende) uitspraak van 30 maart 2016, LEE 16/50 (niet gepubliceerd), het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit [Hof: het besluit op bezwaar] vernietigd en de SVB opgedragen binnen twaalf weken na de dag van verzending van de uitspraak van deze rechtbank een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak van de Rechtbank. De SVB heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) en [B Ltd] heeft incidenteel hoger beroep ingediend. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 29 december 2017, 16/6454 AOW en 16/2722 AOW (inzake belanghebbende), ECLI:NL:CRVB:2017:4469, voor zover te dezen van belang, beslist:

‘- bevestigt de aangevallen uitspraken, met dien verstande dat appellant wordt opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak binnen twaalf weken na heden nieuwe besluiten te nemen op de namens [B] en betrokkenen tegen de besluiten van 24 juni 2014 ingediende bezwaren;

(…)

- bepaalt dat beroepen tegen de door appellant te nemen nieuwe besluiten op de tegen de besluiten van 24 juni 2014 ingediende bezwaren, alsmede tegen alle nadere voorlopige vaststellingen van de op de in de bijlage bij deze uitspraak vermelde natuurlijke personen toepasselijke wetgeving over de periodes in geding, alleen bij de Raad kunnen worden ingesteld;

- treft een voorlopige voorziening die inhoudt dat de toezegging zoals verwoord onder punt 7.1 ook na de dagtekening van deze uitspraak gestand moet worden gedaan, en bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt zes weken na de bekendmaking van de nieuwe besluiten op bezwaar; (…).’

2.6.

De SVB heeft bij besluit van 20 maart 2018 de A1-verklaring van 24 juni 2014 ingetrokken. De SVB heeft een nieuwe A1-verklaring van 20 maart 2018 afgegeven. De door de SVB afgegeven verklaring houdt in, dat belanghebbende van 1 februari 2013 tot en met 30 april 2014 was onderworpen aan de heffing van premie volksverzekeringen in Nederland. [B Ltd] heeft tegen deze verklaring bezwaar ingediend. Dit bezwaar is door de SVB afgewezen. Op bij de CRvB ingediend beroep is beslist bij uitspraak van CRvB van 28 februari 2019, 18/1954 AOW e.v., ECLI:NL:CRVB:2019:852. In deze uitspraak is overwogen, voor zover te dezen van belang, het volgende:

‘4.4.3.8. Uit punt 4.4.1 tot en met punt 4.4.3.7 volgt dat de Svb op de betrokkenen [Hof: waaronder belanghebbende] die hebben gewerkt op de [naam schip 1] , [naam schip 2] en [naam schip 3] , de Belgische wetgeving van toepassing had moeten verklaren over de periode dat zij op de loonlijst van [Hof: [B Ltd] ] stonden.’.

2.7.

De A1-verklaring van 4 januari 2013 is door de SVB op 30 april 2018 ingetrokken.

2.8.

De SVB heeft bij besluit van 21 juni 2019 de A1-verklaring van 20 maart 2018 ingetrokken en beslist dat op belanghebbende van 1 februari 2013 tot en met 30 april 2014 de Belgische sociale verzekeringswetgeving van toepassing is.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Na heropening van het onderzoek is slechts nog in geschil:

I. Is belanghebbende premieplichtig voor de volksverzekeringen over januari 2013?

II. Bestaat recht op voorkoming van dubbele belasting?

III. Dienen de werkelijke proceskosten aan belanghebbende te worden vergoed?

IV. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding wegens geleden immateriële schade?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Na heropening van het onderzoek is niet meer in geschil dat belanghebbende in het onderhavige jaar een vrijstelling van de heffing van premie volksverzekeringen toekomt voor de periode 1 februari 2013 tot en met 31 december 2013.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zittingen is toegevoegd, wordt verwezen naar de van deze zittingen opgemaakte processen-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag zodanig dat daarin geen premie volksverzekeringen zal zijn begrepen en rekening zal zijn gehouden met een voorkoming van dubbele belasting. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag zodanig dat daarin geen premie volksverzekeringen zal zijn begrepen over de periode 1 februari 2013 tot en met 31 december 2013.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1.

Aan belanghebbende is op 4 januari 2013 een A1-verklaring afgegeven. Die verklaring hield in, dat belanghebbende van 3 januari 2013 tot en met 31 december 2013 was onderworpen aan de heffing van premie volksverzekeringen in Nederland. Nadien zijn op 24 juni 2014 en 20 maart 2018 A1-verklaringen afgegeven over de periode 1 februari 2013 tot en met 31 december 2013. Al deze verklaringen zijn ingetrokken, waarbij belanghebbende tot tweemaal toe zich heeft moeten wenden tot de Centrale Raad van Beroep.

4.2.

Uiteindelijk is op 21 juni 2019 door de SVB beslist dat op belanghebbende van 1 februari 2013 tot en met 30 april 2014 de Belgische sociale verzekeringswetgeving van toepassing is.

4.3.

De SVB heeft uiteindelijk ten aanzien van januari 2013 geen besluit genomen.

4.4.

De Inspecteur heeft tijdens het nadere onderzoek ter zitting nadrukkelijk gesteld, dat de belastingrechter een oordeel moet vellen over verzekerings- en premieplicht van belanghebbende over januari 2013. Het Hof begrijpt, dat de Inspecteur na heropening van het onderzoek bepleit dat belanghebbende premieplichtig is voor de volksverzekeringen over januari 2013.

4.5.

Naar het oordeel van het Hof is er voor de belastingrechter geen plaats om te beoordelen of belanghebbende materieel premieplichtig voor de volksverzekeringen over januari 2013.

4.6.

Belanghebbende heeft de bestuursrechtelijke kolom tweemaal doorlopen en in wezen is daar de premieplicht voor het gehele jaar 2013 beoordeeld.

4.7.

Mede gelet op het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel is het onaanvaardbaar dat een in twee of meer lidstaten werkzame belanghebbende voor de beoordeling van zijn verzekerings- en premieplicht zowel de bestuursrechtelijke kolom (bestuursrechter bij de rechtbank en Centrale Raad van Beroep) als de fiscale kolom zou moeten doorlopen (belastingrechter bij de rechtbank, gerechtshof en Hoge Raad), terwijl een alleen in Nederland werkzame en wonende belanghebbende alleen de fiscale kolom moet doorlopen (belastingrechter bij de rechtbank, gerechtshof en Hoge Raad).

4.8.

De SVB is vanaf 4 januari 2013 tot en met 21 juni 2019 bezig geweest om te beoordelen hoe het zat met de verzekerings- en premieplicht van belanghebbende voor het jaar 2013.

4.9.

Om nu na deze periode van 4 januari 2013 tot en met 21 juni 2019, waarbij belanghebbende tweemaal bij de CRvB het oordeel van de SVB inzake zijn verzekerings- en premieplicht in 2013 aan de orde heeft moeten stellen, alsnog als belastingrechter te beoordelen of belanghebbende over januari 2013 premieplichtig is gaat te ver. Er is – ook al ontbreekt een besluit van de SVB over januari 2013 – geen ruimte meer voor de belastingrechter om te beoordelen of belanghebbende over januari 2013 premieplichtig is. Anders wordt belanghebbende gedwongen over dezelfde kwestie tweemaal lang te procederen. Uit het ontbreken van een besluit van de SVB over januari 2013 moet worden afgeleid dat de SVB in ieder geval niet heeft willen concluderen tot een premieplicht in Nederland over januari 2013.

4.10.

Het Hof wijst op de heden gedane uitspraak van het Hof met kenmerk 17/00725 tot en met 17/00727, waarin is beslist dat de beoordeling of er voor een belanghebbende premieplicht voor de volksverzekeringen bestaat dient te geschieden (alleen) door de SVB en de bestuursrechtelijke kolom (bestuursrechter bij de rechtbank en Centrale Raad van Beroep). Met andere woorden, deze beoordeling komt niet toe aan de Belastingdienst en de belastingrechter. Zonder vaststelling van de premieplicht voor de volksverzekeringen door de SVB (door middel van een besluit of A1-verklaring) mag de Belastingdienst niet heffen.

4.11.

Vraag I moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag II

4.12.

Naar het Hof begrijpt, verzoekt belanghebbende om voorkoming van dubbele belasting op grond van artikel 38 van de AWR in samenhang met Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, Stb. 2000, 642. Belanghebbende was in deze periode in loondienst bij een werkgever te Cyprus en hij heeft geen arbeid verricht in Cyprus, zodat belanghebbende geen arbeid heeft verricht in een staat waarmee Nederland geen verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten. Belanghebbende heeft geen recht op voorkoming van dubbele belasting op grond van artikel 38 van de AWR in samenhang met het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001.

4.13.

Indien belanghebbende een beroep heeft willen doen op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (hierna: het Verdrag) rust op hem de stelplicht en de bewijslast rust dat dit verdrag recht geeft op voorkoming van dubbele belasting. Belanghebbende heeft dienaangaande niet voldaan aan zijn stelplicht en evenmin aan zijn bewijslast. In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat de werkelijke leiding van de onderneming die het schip [naam schip 1] exploiteert niet in Nederland is gelegen (artikel 15, derde paragraaf, van het Verdrag, welke paragraaf ruim moet worden uitgelegd1).

4.14.

Vraag II moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag III

4.15.

Ingevolge artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan een vergoeding van de werkelijke proceskosten worden toegekend indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van het Hof is van bijzondere omstandigheden geen sprake. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering (Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 10/01397, ECLI:NL:HR:2011:BP2995 Hoge Raad 30 augustus 1996, nr. 30.881, ECLI:NL:HR:1996:AA2060 en Hoge Raad 5 januari 2018, nr. 17/00123, ECLI:NL:HR:2018:4).

4.16.

Vraag III moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag IV

4.17.

Belanghebbende heeft voor het eerst in hoger beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op vaste jurisprudentie geldt dan als redelijke termijn in beginsel een termijn van 4 jaren na de ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur.2

4.18.

De aanslag is gedagtekend 5 augustus 2015 en de datum van binnenkomst bezwaar is 1 september 2015. Van een verlenging van de termijn voor het doen van uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag 2013 blijkt uit het dossier niet. Dit heeft in beginsel tot gevolg, dat in hoger beroep binnen 4 jaren na 1 september 2015 moet zijn beslist. De termijn van 4 jaren wordt ook nog eens verlengd met de periode 19 april 2018 tot en met 5 oktober 2018, zijnde 5 maanden en 16 dagen, die gemoeid is geweest met de beantwoording van de prejudiciële vragen. Dit betekent dat de redelijke termijn (in ieder geval) loopt tot 17 februari 2020. Het Hof doet heden uitspraak, zodat de redelijke termijn niet is overschreden.

4.19.

Vraag IV moet ontkennend worden beantwoord.

Slotsom

4.20.

De aanslag dient te worden verminderd met het premiedeel volksverzekeringen na vermindering met premiedeel van de heffingskorting (€ 10.392 -/- € 2.986 = € 7.406).

Ten aanzien van het griffierecht

4.21.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 respectievelijk € 124 te worden vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

4.22.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.23.

De tegemoetkoming in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar stelt het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 1 (punten) x € 254 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 254.

4.24.

De tegemoetkoming in de kosten in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank stelt het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 (punten) x € 512 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 1.024.

4.25.

De tegemoetkoming in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof stelt het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op € 2.816. Daarbij is het Hof uitgegaan van 1 punt voor het hoger beroepschrift, 0,5 voor de conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 21 november 2017, 2 punten voor het verschaffen van inlichtingen aan de Hoge Raad, 0,5 punt voor de schriftelijke reactie op het arrest van de Hoge Raad, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting op 3 april 2019 en een waarde per punt van € 512, een factor gewicht van de zaak van 1 en een factor samenhangende zaken van 1.

4.26.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag met de premie volksverzekeringen (na vermindering met het premiedeel van de heffingskorting) onder handhaving van de overige elementen;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 169 vergoedt; en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het bezwaar en van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 4.094.

Aldus gedaan op: 28 augustus 2019 door P. Fortuin, voorzitter, T.A. Gladpootjes en F.P.G. Pötgens, leden, in tegenwoordigheid van I.H.M. Fluitsma. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 MvT, Kamerstukken II, 2000/01, 28 259, nr. 3, p. 41.

2 Hoge Raad 19 februari 2016, 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, randnummer 3.13.3.