Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3132

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
200.247.911_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

minnelijke regeling tussen partijen wat betreft de kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 22 augustus 2019

Zaaknummer: 200.247.911/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/331065/ FA RK 18-826

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.S. Maas-van Weert,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.H. Vaandrager.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 oktober 2018, heeft de man het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn verzoek in eerste aanleg tot wijziging van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 september 2015, voor wat betreft de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen, en deze bijdrage met ingang van 1 augustus 2017, althans vanaf de datum van de indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg, althans met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, op nihil te stellen, alsnog toe te wijzen.

Kosten rechtens.

2.2.

Er is geen verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op verzoek van partijen geen doorgang gevonden.

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 14 januari 2019.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 29 juni 2018.

  • -

    de brief van de advocaat van de man d.d. 19 juli 2019;

  • -

    de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 19 juli 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

Uit de voorhuwelijkse relatie van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] .

3.2.

Bij beschikking van 7 augustus 2009 heeft de rechtbank ‘s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 21 september 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.1.

Bij deze beschikking van 11 september 2015, waarvan wijziging wordt gevraagd, heeft de rechtbank Oost-Brabant – uitvoerbaar bij voorraad – , voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen moet voldoen een bedrag van € 155,23 per kind per maand met ingang van 1 maart 2015.

3.2.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man tot wijziging van de voornoemde beschikking van 11 september 2015, in die zin dat de kinderalimentatie op nihil wordt gesteld met ingang van 1 augustus 2017, althans de indiening van het verzoekschrift, althans met ingang van een in goede justitie te bepalen datum, afgewezen.

3.3.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

Partijen hebben het hof bij voormelde berichten van 19 juli 2019 te kennen gegeven dat zij een minnelijke regeling hebben getroffen. Deze regeling houdt het volgende in.

De door de man op grond van de beschikking van 11 september 2015 aan de vrouw te betalen kinderalimentatie is voorlopig nader bepaald op nihil.

Partijen zijn verder overeengekomen dat de man ter zake de achterstand die is ontstaan over de periode 1 september 2017 tot 28 maart 2019 en tot het moment waarop [minderjarige 1] meerderjarig wordt ( [geboortedatum] 2019) een alimentatiebijdrage van in totaal € 1.060,- aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van beide kinderen.

3.5.

De man heeft zijn verzoek in hoger beroep derhalve gewijzigd en het hof verzocht om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de beschikking waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 september 2015, voor wat betreft de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen, met ingang van 1 september 2017 te wijzigen en te bepalen dat de man over de periode 1 september 2017 tot en met [geboortedatum] 2019 een bedrag van € 1.060,- ter zake de kosten van verzorging en opvoeding van beide kinderen dient te voldoen. Kosten rechtens.

3.6.

Partijen hebben het hof verzocht bovengenoemde, tussen partijen gemaakte afspraken vast te leggen in een beschikking.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2018, met uitzondering van de daarin opgenomen proceskostencompensatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 september 2015, voor wat betreft de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen, als volgt:

bepaalt dat de man, met ingang van 1 september 2017, aan de vrouw over de periode

1 september 2017 tot en met [geboortedatum] 2019 een bedrag van in totaal € 1.060,- ter zake de

kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ; en

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,

dient te voldoen;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2018 voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.T.L.G. Pellis, J.C.E. Ackermans-Wijn en C.L.M. Smeets, en is op 22 augustus 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.