Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3131

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
200.245.960_01, 200.245.960_02, 200.257.985_01 en 200.257.985_02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:5439, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:446, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 22 augustus 2019

Zaaknummers: 200.245.960/01, 200.245.960/02, 200.257.985/01 en 200.257.985/02

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/235087 / FA RK 17-1679

in de zaken in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.J.M.H. Nass,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.C. Berends.

Deze beschikking gaat over [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Limburg, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

In de zaken 200.245.960/01 en 200.245.960/02

1.1.

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 juni 2018.

In de zaken 200.257.985/01 en 200.257.985/02

1.2.

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 januari 2019, zoals verbeterd bij beschikking van 18 maart 2019.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaken 200.245.960/01 en 200.245.960/02

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 september 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van 8 juni 2018 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vader gericht op omgang met de kinderen af te wijzen. Tevens heeft de moeder verzocht de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 8 juni 2018 te schorsen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 25 oktober 2018, heeft de vader verzocht het schorsingsverzoek af te wijzen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel haar verzoek af te wijzen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 18 mei 2018.

In de zaken 200.257.985/01 en 200.257.985/02

2.4.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 april 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van 21 januari 2019 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vader gericht op omgang met de kinderen af te wijzen. Tevens heeft de moeder verzocht de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 21 januari 2019 te schorsen.

2.5.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 13 juni 2019, heeft de vader verzocht het schorsingsverzoek af te wijzen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel haar verzoek af te wijzen.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het procesdossier eerste aanleg, ingekomen op 3 mei 2019.

In alle zaken

2.7.

Gelet op de verknochtheid van de onder nummers 200.245.960/01, 200.245.960/02, 200.257.985/01 en 200.257.985/02 ter griffie ingeschreven zaken, heeft het hof de zaken gevoegd, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en beslist in één door het hof te geven beschikking.

2.8.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juli 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    De moeder, bijgestaan door mr. Nass;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Berends;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] .

3 De beoordeling

In alle zaken

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen zijn, voor zover thans van belang, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De vader heeft de kinderen erkend. De moeder oefent van rechtswege het gezag over de kinderen uit. De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 22 september 2017 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, kort samengevat, de raad verzocht een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen met betrekking tot de mogelijkheden voor omgang tussen de vader en de kinderen en hoe de omgang in het belang van de kinderen vormgegeven moet worden.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 8 juni 2018 heeft de rechtbank, samengevat, bepaald dat de contactregeling tussen de kinderen en de vader voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zal plaatsvinden middels de begeleide omgangsregeling (BOR) onder professionele begeleiding van aXnaga, waarbij wordt verstaan dat de professional de regie over de contacten heeft. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 21 januari 2019 heeft de rechtbank, samengevat, bepaald dat de contactregeling tussen de kinderen en de vader voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zal plaatsvinden middels de begeleide omgangsregeling (BOR) onder professionele begeleiding van aXnaga, waarbij wordt verstaan dat de professional de regie over de contacten heeft. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,-- voor ieder keer dat zij niet volledig meewerkt aan de BOR, met een maximum aan eventueel te verbeuren dwangsommen van € 5.000,--. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

3.4.

Bij beschikking van 24 juni 2019 heeft de rechtbank, samengevat, bepaald dat de contactregeling tussen de kinderen en de vader voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zal plaatsvinden middels de begeleide omgangsregeling (BOR) onder professionele begeleiding van aXnaga, waarbij wordt verstaan dat de professional de regie over de contacten heeft. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,-- voor ieder keer of iedere dag dat zij niet volledig meewerkt aan de BOR, met een maximum aan eventueel te verbeuren dwangsommen van € 1.250,--. Verder heeft de rechtbank de vader gemachtigd om de nakoming van de BOR te bewerkstelligen door telkenmale dat de moeder deze BOR, na het verbeurd hebben van in totaal € 1.250,--, helemaal niet nakomt of op een onderdeel niet nakomt, op de moeder lijfsdwang toe te laten passen voor de duur van telkens maximaal vierentwintig aaneengesloten uren. De rechtbank heeft de raad verzocht uiterlijk 26 maart 2020 de rapportage van aXnaga (aXiehuis) omtrent de voortgang van de BOR bij de rechtbank in te dienen en de rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

3.5.

De moeder kan zich met voormelde beschikkingen van 8 juni 2018 en 21 januari 2019 niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

Ondanks de latere beschikking van de rechtbank van 24 juni 2019 heeft de moeder belang bij het onderhavige hoger beroep en bij een beoordeling van het hof of de BOR terecht is opgelegd.

Tussen de vader en de kinderen dient geen omgang plaats te vinden, ook niet begeleid. Ieder contact is schadelijk voor de ontwikkeling van de kinderen. [zoon] , de oudste zoon van partijen, gaat al jaren naar een psycholoog vanwege psychische problemen ten gevolge van de omgang met de vader. [minderjarige 1] heeft nauwelijks omgang met de vader gehad en de omgang die er was, was niet regelmatig. Tijdens de omgang van [minderjarige 1] met de vader is er meerdere keren iets voorgevallen. [minderjarige 1] wist te vertellen waar er drugs lagen in het huis van de vader. De vader en [minderjarige 1] zijn in een bar geweest waar de vader gedronken heeft en op de terugweg heeft de vader zich op straat uitgekleed; hiervan is [minderjarige 1] overstuur geraakt. Ook liepen er muizen rond in het huis van de vader. Sinds maart 2017 is er geen omgang meer geweest met de vader en heeft [minderjarige 1] zijn rust weer gevonden. [minderjarige 1] heeft onder behandeling van een psycholoog gestaan en die heeft aangegeven dat omgang met de vader niet goed is voor zijn ontwikkeling. [minderjarige 2] heeft nimmer omgang met de vader gehad. Tussen hen bestaat geen enkele band en er is geen sprake van family life. Subsidiair zou de BOR eventueel alleen met [minderjarige 1] moeten plaatsvinden, zodat maar één kind beschadigd wordt.

Het is niet in het belang van de kinderen dat zij een goed beeld krijgen van de vader en dat er stabiliteit komt in de contacten. Vanuit ervaringen in het verleden weet de moeder dat de vader niet in staat is om tot stabiliteit in de contacten te komen.

In de beschikking van 21 januari 2019 heeft de rechtbank ten onrechte de dwangsom opgelegd.

Onder druk van de inmiddels opgelegde lijfsdwang zal de moeder haar medewerking verlenen aan de BOR. De moeder heeft hulpverlening aangevraagd bij de gemeente voor haarzelf en de kinderen voor als de BOR gaat starten. [minderjarige 1] gaat daarnaast een ouder-kind-traject volgen.

3.7.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

De moeder onderbouwt niet waarom omgang met de vader slecht zou zijn voor de kinderen. De door haar gestelde problematiek van [zoon] heeft de moeder niet aangetoond. Als de psycholoog van [minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij geen omgang met de vader moet hebben, had de moeder dit aan de raad moeten doorgeven zodat de raad contact kon opnemen met de psycholoog. Ten aanzien van [minderjarige 2] is wel voldaan aan de voorwaarden voor family life. De omgang moet juist snel opgestart worden zodat de vader ook met [minderjarige 2] een band kan opbouwen. Voor de vader is ieder contact positief. Hij heeft begrip voor het wantrouwen van de moeder en hij wil daarom via de BOR het vertrouwen van de moeder terugwinnen. Als er eerst alleen omgang met [minderjarige 1] komt, geeft dat een fout beeld. Dat de kinderen reageren is heel normaal. En als de omgang zodanig schadelijk mocht zijn dan zullen de professionals de omgang stopzetten. De vader heeft in Mondriaan gezeten, is afgekickt en sinds 2010 uitbehandeld. Hij heeft geen verwaarloosde woning.

De moeder onderbouwt niet waarom het niet van belang is dat de kinderen een goed beeld van de vader krijgen en dat er stabiliteit komt in de contacten. Voor de identiteit van een kind is het goed om beide ouders te kennen. Niet is gebleken dat de kinderen schade zouden oplopen bij omgang met de vader.

De dwangsom is terecht opgelegd.

3.8.

De raad heeft ter zitting, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Sinds afgelopen week lopen er twee raadsonderzoeken; een kinderbeschermingsonderzoek en een onderzoek naar gezag en omgang. De raad is nog altijd van mening dat de BOR doorgang moet vinden. Uit niets is gebleken dat daarvoor contra-indicaties bestaan. De BOR is de veiligste manier om te bekijken of omgang tussen de vader en de kinderen haalbaar is en hoe dit vormgegeven moet worden. De moeder is heel vaag en weinig concreet over wat er zou zijn voorgevallen tijdens de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] . Ook is niet duidelijk welke schade de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] bij [minderjarige 1] zou hebben veroorzaakt.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ter zitting heeft de advocaat van de moeder het hof medegedeeld het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beide zaken in te trekken. Dit brengt mee dat het hof de moeder in deze verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.

3.9.2.

Ter zitting van het hof is gebleken dat tegen voormelde beschikking van 24 juni 2019 nog geen hoger beroep is ingesteld zodat deze beslissing thans niet aan het hof voorligt. Gelet op deze latere beschikking is de feitelijke uitvoering van de bestreden beschikkingen die thans in hoger beroep aan de orde zijn komen te vervallen. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw echter wel belang bij een beoordeling omtrent de door de rechtbank gegeven beslissing ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde BOR-regeling en de opgelegde dwangsom.

3.9.3.

Tussen de vader en de kinderen heeft aanvankelijk na uiteengaan van partijen aan de hand van een onderling overeengekomen regeling omgang plaatsgevonden, zowel met [minderjarige 1] en – in beperktere mate – met [minderjarige 2] , zo heeft de vader onweersproken gesteld. De moeder heeft in mei 2017 eenzijdig de omgang stopgezet. De stelling van de moeder, welke stelling zij overigens pas voor het eerst in hoger beroep heeft opgeworpen, dat er geen sprake is van family life tussen de vader en [minderjarige 2] zal het hof dan ook passeren.

3.9.4.

De raad heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van omgang tussen de vader en de kinderen en heeft geconcludeerd dat er geen contra-indicaties aanwezig zijn voor begeleide omgang via de BOR. Ter zitting van het hof is gebleken dat de moeder nog altijd bezwaren heeft tegen omgang tussen de vader en de kinderen, ook via de BOR. De argumenten die de moeder naar voren brengt op grond waarvan de BOR niet in het belang van de kinderen zou zijn en haar zorgen hieromtrent, heeft zij op geen enkele wijze onderbouwd. Zo heeft de moeder geen stukken van de hulpverlening van [zoon] en/of [minderjarige 1] overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat de psychologen van [zoon] en [minderjarige 1] hebben aangegeven dat de omgang met de vader op deze kinderen negatieve invloed heeft. De moeder laat verder na haar bezwaren en haar zorgen omtrent het welzijn van de kinderen gedurende de omgang met de vader, welke stellingen de vader gemotiveerd heeft betwist, voldoende concreet te maken en deze voldoende te onderbouwen.

Het voorgaande in aanmerking nemende – in samenhang met het advies van de raad – is het hof van oordeel dat omgang via de BOR, zoals door de rechtbank is bepaald, in het belang van de kinderen is, nu ook overigens niet van bezwaren is gebleken. Het hof acht het niet in het belang van de kinderen om de BOR eerst te starten met alleen [minderjarige 1] en daarmee onderscheid te maken tussen beide kinderen. Om de kinderen in staat te stellen vanuit eigen ervaringen een vaderbeeld te creëren en voor hun identiteitsontwikkeling is het in beginsel van belang dat er omgang tussen de vader en de kinderen plaatsvindt. De BOR is noodzakelijk om duidelijk te krijgen hoe de omgang het beste vormgegeven kan worden en ter ondersteuning van de ouders en de kinderen. Het enkele feit dat [minderjarige 2] lange tijd geen omgang met de vader heeft gehad en dat hij, gelet op zijn jeugdige leeftijd, niet (meer) weet wie de vader is, maakt het oordeel van het hof niet anders.

3.9.5.

De rechtbank heeft terecht een dwangsom gekoppeld aan de vastgestelde BOR-regeling. Ter zitting van het hof is duidelijk geworden dat de moeder nog altijd niet achter omgang tussen de vader en de kinderen staat, ook nadat haar is voorgehouden dat de BOR de meest veilige manier van omgang tussen de vader en de kinderen is. De enige reden dat de moeder haar medewerking zal verlenen aan de BOR is dat zij de inmiddels bij beschikking van 24 juni 2019 opgelegde lijfsdwang wil voorkomen.

3.10.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikkingen waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaken 200.245.960/01 en 200.245.960/02

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad;

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 juni 2018;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de zaken 200.257.985/01 en 200.257.985/02

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad;

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 januari 2019;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.L. Schaafsma-Beversluis en J.W.P.N. Hermans en is op 22 augustus 2019 door E.L. Schaafsma-Beversluis uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.