Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3059

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-08-2019
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
20-002010-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002010-18

Uitspraak : 7 augustus 2019

TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 1 juni 2018 in de strafzaak met parketnummer 03-700083-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

met als laatst bekend adres: [adres] ,

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens verdachte door diens raadsvrouw naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft verzocht oplegging van een gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan het door verdachte ondergane voorarrest.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van de onder feit 2 (primair en subsidiair) en feit 3 ten laste gelegde feiten. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.

Deze omstandigheid brengt voorts met zich mee dat de vorderingen van de benadeelde partijen – allen ziende op feit 2 dan wel feit 3 – niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen, voor zover de benadeelde partijen deze in hoger beroep al hadden gehandhaafd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 12 februari 2018 in de gemeente Landgraaf tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een woning, gelegen aan de [adres slachtoffer] , een (grote) hoeveelheid goederen, te weten (onder meer) een kluis, inhoudende twee (gouden) armbanden en/of (ongeveer) Euro 500,- en/of een box met juwelen, en/of twee (gouden) ringen en/of een (parel)ketting en/of een tas met (zilveren) munten en/of een doos met juwelen (waaronder een (gouden) ring), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 12 februari 2018 in de gemeente Landgraaf tezamen en in vereniging met een ander uit een woning gelegen aan de [adres slachtoffer] een hoeveelheid goederen, te weten een kluis, inhoudende twee (gouden) armbanden en Euro 500,- en een box met juwelen, en twee (gouden) ringen en een (parel)ketting en een doos met juwelen, die toebehoorden, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

Met de rechtbank, beoordeelt het hof het bewijs1 als volgt.

De politie heeft op 12 februari 2018, omstreeks 17.20 uur, een melding gekregen van het vermoeden van een inbraak, die op dat moment gaande zou zijn in een woning aan de [adres slachtoffer] . Ter plaatse aangekomen, omstreeks 17.23 uur, zagen de politieambtenaren een persoon lopen. Deze persoon droeg onder beide armen voorwerpen met zich mee en hij voldeed aan het door de melder doorgegeven signalement. Deze persoon stapte vervolgens in een zwarte personenauto van het merk Audi, type A4, op de achterbank achter de bijrijder. Even later stapte een persoon die achter de bestuurder zat uit deze personenauto en deze persoon rende weg. Na een achtervolging werd deze persoon – verdachte – door de politie aangehouden. In de auto zaten op dat moment nog drie andere mannen. [medeverdachte 1] zat op de achterbank, achter de bijrijder, en op die achterbank lagen ook diverse voorwerpen.2

Voornoemde personenauto is door de politie in beslag genomen. Op de achterbank lagen een zwarte bijouteriedoos en een metalen kluis. Achter de passagiersstoel lagen een ring met een briljant en een goudkleurige trouwring.3

De heer [slachtoffer] heeft op 12 februari 2018 aangifte gedaan van deze diefstal uit zijn woning, gelegen aan de [adres slachtoffer] . Hij heeft verklaard dat het raam aan de achterzijde van de woning was vernield en dat een kluis, die aan de grond was verankerd, was weggenomen. In de kluis zaten onder andere een gouden armband met rode stenen, een gouden armband met een rode steen, € 500,00 aan contant geld en een bordeaux rode box met daarin diverse juwelen. Verder zijn een witgouden ring, een gouden trouwring, een parelketting en een lederen box met diverse juwelen gestolen.4

Aan aangever [slachtoffer] zijn door de politie foto’s getoond van voorwerpen afkomstig uit de fouilleringszakken van verdachte en [medeverdachte 1] , welke door de aangever werden herkend als zijn eigendom. Verder zijn aan de aangever foto’s getoond van goederen die op de achterbank van de zwarte personenauto van het merk Audi, type A4, werden aangetroffen. [slachtoffer] heeft daarvan een kluis, een bijouteriedoos en een kussensloop als zijn eigendom herkend.5

[slachtoffer] heeft in het bijzijn van de politie de in beslag genomen kluis geopend met een door hem meegebrachte sleutel. Daarin bevonden zich een bijouteriedoos met sieraden, tien biljetten van € 50,00 en een lege beurs. Alle ontvreemde goederen, met uitzondering van een zogenoemde memoryring, zijn door de politie in beslag genomen, aldus de aangever.6

De [getuige] heeft verklaard dat hij op 12 februari 2018, omstreeks 17.20 uur, door zijn moeder erop werd gewezen dat er vermoedelijk werd ingebroken aan een hoekwoning aan de overzijde. De getuige heeft vervolgens met zijn telefoon een film gemaakt van de achterzijde van de woning waar is ingebroken (het hof begrijpt: de woning gelegen aan de [adres slachtoffer]). [getuige] heeft twee personen, die elk een capuchon droegen, langs de woning zien lopen en hij heeft deze gefilmd.7

De politie heeft screenshots van de beelden, opgenomen door [getuige] , vergeleken met foto’s van de jassen die verdachte en alle andere in zijn gezelschap verkerende personen droegen ten tijde van hun aanhouding. De politie heeft geconstateerd dat de jassen van de twee personen die op 12 februari 2018 door de tuin, behorende bij de woning op [adres slachtoffer] , liepen qua kleur en model overeenkomen met de jassen die verdachte en [medeverdachte 1] droegen ten tijde van hun aanhouding.8

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft ingebroken in de woning aan de [adres slachtoffer] door een ruit aan de achterzijde van die woning te vernielen en naar binnen te gaan. Voorts heeft hij verklaard dat het juist is dat hij is aangetroffen met voorwerpen afkomstig uit die woning. 9

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof – net als de rechtbank – wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde woninginbraak heeft begaan, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] .

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich, samen met een ander, schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Een dergelijk feit heeft niet zelden veel impact op de slachtoffers daarvan. Zij ervaren het als een enorme inbreuk op hun privacy en gevoel van veiligheid wanneer een vreemde zich heeft bevonden in hun woning – een plek waar men zich bij uitstek veilig en geborgen moet kunnen voelen – en daarbij hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht en meegenomen.

Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft daarbij ook gelet op de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 mei 2019, reeds eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld. Het hof heeft voorts artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht in aanmerking genomen.

Ten aanzien van de zwaarte van die straf heeft de verdediging het hof verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur van gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 97 dagen. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat zij, aan het einde van de inhoudelijke behandeling van de zaak op 18 mei 2018, een verzoek tot opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis heeft gedaan. De rechtbank heeft toen geoordeeld dat ernstig rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat verdachte, bij een verdere tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis, langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van de straf of maatregel in geval van een veroordeling. Daarbij had de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS en het strafblad van verdachte. De rechtbank heeft het bevel tot voorlopige hechtenis toen op grond van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), opgeheven en de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte bevolen. Twee weken laten, bij vonnis van 1 juni 2018, heeft de rechtbank verdachte desalniettemin veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van voorarrest, hetgeen zou betekenen dat verdachte nog circa twee maanden terug naar detentie zou moeten. De verdediging is van oordeel dat de rechtbank met oplegging van deze straf de beginselen van een behoorlijke procesorde heeft geschonden. Bij verdachte was immers door de rechtbank een gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hij een gevangenisstraf conform de duur van het voorarrest opgelegd zou krijgen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het derde lid van artikel 67a Sv volgt dat een bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden opgeheven (of achterwege dient te blijven) wanneer “ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hij bij de tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van de straf of maatregel”.

Het hof is, met de advocaat-generaal, van oordeel dat het bepaalde in artikel 67a, lid 3, Sv slechts ziet op een door de rechter te maken inschatting (een situatie waarmee ernstig rekening moet worden gehouden), maar dat die inschatting geenszins een garantie is waaraan een gerechtvaardigd vertrouwen zou kunnen worden ontleend aangaande de uiteindelijk op te leggen straf. Uit de wet volgt niet dat de rechtbank, na opheffing van de voorlopige hechtenis op grond van het derde lid van artikel 67a Sv, is gehouden aan oplegging van een straf van (maximaal) de duur van het voorarrest. De omstandigheid dat de rechtbank verdachte uiteindelijk heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van een langere duur dan het reeds ondergane voorarrest, levert derhalve geen schending van een behoorlijke procesorde op. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.

Voorts kan het hof zich, net als de advocaat-generaal, ook vinden in die door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden. Het hof acht deze straf, alle feiten en omstandigheden daarbij in aanmerking genomen, passend en geboden. Het hof zal verdachte in hoger beroep derhalve eveneens veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van voorarrest.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor het overige, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. S. Riemens en mr. J. Nederlof, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en op 7 augustus 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Van de Loo en mr. Nederlof zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 In de hierna volgende (zakelijk weergegeven) bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het proces-verbaal van de politie Eenheid Limburg, Districtsrecherche Parkstad, proces-verbaalnummers 2018022670, 2018022717, 2017197185 en 2018005129, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten d.d. 9 april 2018, aantal doorgenummerde dossierpagina’s: 479.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2018, p. 335-336.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2018, p. 154-161.

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] d.d. 12 februari 2018, p. 246-347.

5 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 13 februari 2018, p. 362-365.

6 Proces-verbaal 2e aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 18 februari 2018, met foto’s, p. 375-378.

7 Proces-verbaal van verhoor van [getuige] d.d. 12 februari 2018, p. 344-345.

8 Proces-verbaal fotomap onderzoek Miami d.d. 14 februari 2018, p. 395-405.

9 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 12 februari 2018, p. 251.