Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3038

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-08-2019
Datum publicatie
19-08-2019
Zaaknummer
200.257.593_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 15 augustus 2019

Zaaknummer : 200.257.593/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/258144 / JE RK 18-2706

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.C.H. Poelman,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

regio Noord-Limburg, locatie [locatie] ,

de gecertificeerde instelling,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Deze beschikking gaat over [minderjarige] (hierna [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (Italië).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 18 januari 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 april 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 mei 2019, heeft de GI – naar het hof begrijpt – verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juni 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Poelman; de moeder is tevens bijgestaan door een tolk, mevrouw N. Verharen;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] , mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 3] .

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De raad is niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 3 mei 2019. Ook is zij voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het journaalbericht met bijlagen van de advocaat van de moeder, ingekomen op 13 juni 2019 waaronder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 31 januari 2019;

  • -

    het journaalbericht met bijlage van de advocaat van de moeder, ingekomen op 18 juni 2019;

  • -

    het journaalbericht met bijlage van de advocaat van de moeder, ingekomen op 20 juni 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het destijds gesloten huwelijk van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – [minderjarige] geboren. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] verblijft bij de moeder.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 31 januari 2018 onder toezicht van de GI.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 januari 2020.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

[minderjarige] wordt niet in haar ontwikkeling bedreigd. Zij is de afgelopen periode heel erg gegroeid en weet haar weg te bewandelen. [minderjarige] heeft haar diploma behaald en heeft samen met haar mentor gekeken naar een geschikte vervolgopleiding. [minderjarige] wil niet op kamers gaan wonen. Zij heeft een Italiaanse identiteitskaart zodat er geen risico is voor haar verblijf in Nederland. Ook heeft zij een bijbaan, waarvan het salaris nu nog wordt overgemaakt naar een rekening van [partner] , de partner van de moeder.

De moeder heeft de intentie om in Nederland te blijven en wacht op een antwoord met betrekking tot haar aanvraag van een verblijfsvergunning. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] verloopt goed. [minderjarige] heeft wekelijks belcontact met de vader en de moeder heeft hier geen bezwaar tegen. Met de GI is de afgelopen tijd nauwelijks contact geweest. Wel heeft er eind mei van dit jaar een goed gesprek plaatsgevonden.

3.6.

De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.

Er waren zorgen over de onzekere situatie waarin [minderjarige] opgroeit. Doordat de GI vanaf januari 2019 niet in contact kon komen met de moeder en [minderjarige] , kreeg de GI geen zicht op de situatie en de ontwikkeling van [minderjarige] , terwijl de school aangaf zich zorgen te maken. Door het gesprek dat eind mei van dit jaar heeft plaatsgevonden tussen de GI, de moeder en [minderjarige] heeft de GI hierop wel zicht verkregen. [minderjarige] heeft een stijgende lijn laten zien en het gaat goed met haar. [minderjarige] weet welke wegen zij moet bewandelen. Daarbij heeft [minderjarige] gezegd dat zij op haar nieuwe school met een schone lei wil beginnen en daar kan de GI zich wel in vinden. Ook zijn de in het inleidend verzoek genoemde zorgpunten nu duidelijk of opgelost. De GI vraagt zich af waar nog op ingezet zou moeten worden in het kader van de ondertoezichtstelling.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.7.1.

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft.

De bevoegdheid om kennis te nemen van de onderhavige zaak dient te worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-bis). Ingevolge artikel 8 Brussel II-bis zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment dat de zaak aanhangig werd gemaakt. [minderjarige] heeft in Nederland haar gewone verblijfplaats.

Ten aanzien van het toepasselijk recht overweegt het hof dat het onderhavige geschil een kinderbeschermingsmaatregel betreft, waarmee het binnen de materiële werkingssfeer van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (hierna: Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996) valt. Het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is in de onderhavige zaak ook formeel en temporeel van toepassing. Ingevolge het bepaalde in artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 past de bevoegde rechter zijn interne recht toe. Dit betekent in onderhavige zaak dat de Nederlandse rechter Nederlands recht toepast. Het onderhavige verzoek zal dan ook worden beoordeeld naar Nederlands recht.

Ondertoezichtstelling

3.7.2.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.7.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.4.

Het hof is van oordeel dat op dit moment niet voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW, welke een verlenging van de ondertoezichtstelling zouden rechtvaardigen. Op grond van de overgelegde stukken is het hof gebleken dat er ten tijde van de bestreden beschikking zorgen waren over de situatie en de ontwikkeling van [minderjarige] en dat hierover veel onduidelijkheid bestond zodat de rechtbank destijds op goede gronden de ondertoezichtstelling verlengd heeft.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting in hoger beroep en het kindgesprek is het hof van oordeel dat [minderjarige] op dit moment echter niet langer in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De GI heeft aangegeven dat, nu zij inzicht hebben verkregen in de situatie van [minderjarige] , zij zich afvragen waaraan nog gewerkt zou moeten worden in het kader van de ondertoezichtstelling. [minderjarige] is ruim 17 jaar. Haar relatie met de moeder is goed en ook met [partner] , de partner van de moeder, is het contact goed. Zij heeft regelmatig telefonisch contact met de vader die in Italië verblijft. [minderjarige] heeft inmiddels een Italiaanse identiteitskaart en zij heeft een bijbaan. Zij heeft haar diploma behaald en gaat na de zomervakantie met haar vervolgopleiding beginnen. [minderjarige] wil niet op kamers maar bij haar moeder en [partner] blijven wonen. [minderjarige] heeft familie van vaders kant waar zij op terug kan vallen wanneer zij daar behoefte aan heeft. Verder is duidelijk dat [minderjarige] (voldoende) zelfstandig is en de juiste keuzes weet te maken.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het inleidende verzoek van de GI alsnog dient te worden afgewezen met ingang van heden.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt met ingang van heden de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 18 januari 2019;

en, in zoverre, opnieuw recht doende:

wijst met ingang van heden alsnog af het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling;

bekrachtigt laatstgenoemde beschikking voor wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling over de periode van 31 januari 2019 tot heden.

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, E.L. Schaafsma-Beversluis en E.H. Schijven-Bours en is op 15 augustus 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.