Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3023

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-08-2019
Datum publicatie
14-08-2019
Zaaknummer
200.257.805_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Niet-ontvankelijk hoger beroep tegen vonnis van de kantonrechter houdende afwijzing van een vordering onder de appelgrens van artikel 332 lid 1 Rv. Geen doorbreking van appelverbod. Voor schending van fundamentele rechtsbeginselen staat op de voet van artikel 80 lid 1 RO cassatie open.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 332
Wet op de rechterlijke organisatie 80
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.257.805/01

arrest van 13 augustus 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. R.P. Küffen te Kerkrade,

tegen

De Onderlinge Waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars Groep, Zorgverzekering U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. N.A. Koole te Middelburg,

als vervolg op de rolbeslissing van 30 april 2019 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 5687391 CV EXPL 17-952 gewezen vonnissen – volgens vermelding in de appeldagvaarding - van 17 mei 2017, 21 mei 2017, 19 juli 2017 en 2 augustus 2017.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 30 april 2019;

  • -

    de akte van appellant met één productie;

  • -

    de antwoordakte van geïntimeerde.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In de rolbeslissing van 30 april 2019 heeft de rolraadsheer overwogen dat uit de stukken kan worden opgemaakt dat de vordering waarover de kantonrechter had te beslissen, met inbegrip van de tot aan de dag van dagvaarding verschenen rente, een lager bedrag beliep dan het in artikel 332 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) genoemde bedrag van € 1.750,00. Partijen zijn daarop in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep.

2.2.

In zijn akte voert appellant primair aan dat voor zijn hoger beroep geen appelverbod geldt dat verbonden is aan de financiële grens omdat het hoger beroep zich (mede) richt op de beide proceskostenveroordelingen in eerste aanleg (waarbij ook nog sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden) en de Hoge Raad steeds oordeelt dat een appellant voldoende belang in appel heeft als deze de in eerste aanleg gegeven proceskostenveroordelingen bestrijdt.

Subsidiair doet appellant een beroep op de doorbrekingsleer omdat hij in eerste aanleg geen fair trial heeft gehad en de kantonrechter heeft verzuimd essentiële vormen van een goede procesorde toe te passen, zoals het vereiste van hoor en wederhoor.

2.3.

In haar antwoordakte betwist geïntimeerde gemotiveerd dat appellant ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep.

2.4.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat geïntimeerde in de eerste aanleg, na vermindering van eis, de veroordeling van appellant heeft gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan haar van een bedrag van (€ 202,43 -/- €131,25) € 71,18, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 202,43, vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, 23 januari 2017, tot aan de dag der algehele voldoening. Geïntimeerde heeft tevens een veroordeling van appellant in de proceskosten gevorderd. Uit rechtsoverweging 2.1 van het tussenvonnis van 17 mei 2017 blijkt dat de kantonrechter ook van deze vordering is uitgegaan. Het hof constateert dat dit bedrag niet boven de appelgrens uitkomt. Dat betekent dat appellant niet ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep.

Het beroep van appellant op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat een appellant voldoende belang in appel heeft als deze de in eerste aanleg gegeven proceskostenveroordelingen bestrijdt, berust op een verkeerde lezing van deze jurisprudentie. Ook indien (enkel) grieven worden aangevoerd tegen proceskostenveroordelingen, laat dit oordeel van de Hoge Raad onverlet dat de appelgrens van artikel 332 lid 1 Rv in acht moet worden genomen.

2.5.

Het subsidiair door appellant gedane beroep op doorbrekingsgronden leidt niet tot een ander oordeel omdat het appelverbod voor zaken die niet boven de financiële appelgrens van artikel 332 lid 1 Rv uitkomen, niet kan worden doorbroken. In zijn arrest van 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor dit soort zaken niet de doorbrekingsgronden gelden omdat geen hoger beroep behoort open te staan in zaken waarvan het betrekkelijk geringe financiële belang niet opweegt tegen de tijd en kosten die zijn gemoeid met de behandeling van de zaak in hoger beroep. De klacht van appellant dat hij in eerste aanleg geen fair trial heeft gehad en de kantonrechter heeft verzuimd essentiële vormen van een goede procesorde toe te passen, zoals het vereiste van hoor en wederhoor, had op de voet van artikel 80 lid 1 RO in cassatie aan de Hoge Raad voorgelegd kunnen worden.

2.6.

Nu ook overigens niets is aangevoerd op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld, is de slotsom dat appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dat betekent dat de door appellant verzochte comparitie na aanbrengen, dan wel een mediation-traject, niet meer aan de orde is.

2.7.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal appellant worden veroordeeld in de proceskosten.

3 De uitspraak

Het hof:

verklaart appellant niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;

veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van geïntimeerde op € 716,-- aan griffierecht en op € 379,50 aan salaris advocaat (½ punt liquidatietarief I).

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, A.J. Henzen en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 augustus 2019.

griffier rolraadsheer