Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2947

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-08-2019
Datum publicatie
07-08-2019
Zaaknummer
200.204.895_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:1025
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2019:1025. Benoeming deskundige en vraagstelling.

Tussenarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.204.895/01

arrest van 6 augustus 2019

in de zaak van

1 [appellant] ,

2. [appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk: [appellant] c.s.

en afzonderlijk: [appellant] en [appellante] ,

advocaat: mr. P.M.H. Cruts te Simpelveld,

tegen

[geïntimeerde] ,

handelend onder de naam [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.H.R. Bruls te Baexem,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 31 januari 2017 en 19 maart 2019 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 4396047 \ CV EXPL 15-8442 gewezen vonnis van 16 maart 2016.

8 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 19 maart 2019;

  • -

    de akte uitlating van [appellant] c.s. van 9 april 2019 met één productie;

  • -

    de akte uitlating van [geïntimeerde] van 9 april 2019 met zeven producties;

  • -

    de antwoordakte van [appellant] c.s. van 7 mei 2019 met twee producties;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] van 7 mei 2019 met drie producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

9.1.

In het laatste tussenarrest heeft het hof – kort samengevat – overwogen dat de rechtsverhouding tussen partijen rechtens gekwalificeerd moet worden als aanneming van werk. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de vloer in de badkamer niet op afschot ligt en niet goed aansluit op de afvoergoot. Dienaangaande staat ook vast dat de cementvloer waarop [geïntimeerde] de tegels heeft gelegd waterpas was gemaakt, dus geen afschot vertoonde. [geïntimeerde] heeft dienaangaande aangevoerd – en bij zijn akte herhaald – dat hij [appellant] c.s. erop heeft gewezen dat de afvoergoot niet op de juiste plaats was aangebracht en niet goed, dat de vloer onvoldoende afschot had en dat hij [appellant] c.s. voorstellen heeft gedaan ten aanzien van de wijze van verwerking van de tegels, maar dat [appellant] c.s. deze voorstellen niet hebben willen aanvaarden.

9.2.1.

In reactie op hetgeen het hof in r.o. 6.13 van het laatste tussenarrest heeft overwogen heeft [geïntimeerde] volhard in zijn stellingname en aangevoerd dat hij daarover zelf een verklaring kan afleggen en dat zijn echtgenote daarover kan verklaren. [appellant] c.s. hebben bij antwoord-akte op dit punt niet inhoudelijk op het door [geïntimeerde] gevoerde verweer gereageerd. Zij hebben volstaan met de opmerking dat zij [echtgenote van geïntimeerde] nooit op de bouwlocatie hebben gezien.

9.2.2.

Het hof overweegt nu als volgt. In r.o. 6.13 van het tussenarrest is overwogen dat [geïntimeerde] bij memorie van antwoord zijn verweer met betrekking tot het afschot van de badkamervloer nog nader heeft onderbouwd en dat – gelet op de stand van het geding - [appellant] c.s. niet in staat waren geweest daar op te reageren. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg en nader onderbouwd in hoger beroep specifiek aangevoerd welke opties hij met [appellant] c.s. heeft besproken om problemen met het afschot te voorkomen. Meer in het bijzonder noemt [geïntimeerde] in de memorie van antwoord de optie om de cementvloer alsnog op afschot te leggen zonder verhoging van de badkamervloer, de optie om de hele badkamer alsnog op afschot te leggen of het verleggen van de afvoergoot (drain) naar het midden van de douche. [appellant] c.s. hebben dit echter bij conclusie van repliek/antwoord betwist.

9.2.3.

[appellant] c.s. hebben bij memorie van grieven aangevoerd dat het een eigenschap van een gestorte betonvloer is dat deze vrijwel waterpas zal liggen en dat het benodigde afschot naar een afvoer door de tegelzetter moet worden gerealiseerd. [geïntimeerde] heeft dat bij memorie van antwoord gemotiveerd weersproken. Het hof zal op dit punt een vraag stellen aan een te benoemen deskundige. Mocht blijken dat het bij de aanleg van een (badkamer)vloer gebruikelijk is dat het afschot wordt gerealiseerd door de tegelzetter, dan levert het nalaten daarvan in dit geval een tekortkoming op van [geïntimeerde] . Mocht blijken dat juist is wat [geïntimeerde] aanvoert, dan komen - gelet ook op hetgeen hiervoor is overwogen – de gevolgen van het gebrekkig afschot voor rekening en risico van [appellant] c.s. Gelet op het specifieke aanbod van [geïntimeerde] zal het hof hem op dit punt – mocht dat na het deskundigenbericht nog aan de orde zijn - nader tot bewijsvoering toelaten. Het hof is van oordeel dat een dergelijk verhoor niet eerder kan plaatsvinden dan nadat een deskundige het hof nadere heeft ingelicht als hiervoor overwogen.

9.3.

Met betrekking tot het loslaten van de tegels op de vloer van de benedenverdieping betwist [geïntimeerde] dat de oorzaak daarvan is gelegen in een ondeugdelijke verwerking van de tegels, meer in het bijzonder door bij het plaatsen niet voldoende specie te gebruiken. [geïntimeerde] voert dienaangaande aan dat hij heeft moeten werken met cement dat daarvoor niet geschikt was. [geïntimeerde] heeft deze stellingname echter verder niet onderbouwd door te stellen welk merk cement bij de uitvoering van het tegelwerk is gebruikt. Toegelaten om zich uit te laten over zijn bewijspositie op dit punt, heeft [geïntimeerde] bij akte van 9 april 2019 aangevoerd dat portlandcement CEM I 42,5 N als zeer geschikt moet worden beschouwd. Daarmee is echter niet onderbouwd dat het door [appellant] c.s. ter beschikking gestelde cement ongeschikt was. Ook bij conclusie van antwoord in conventie heeft [geïntimeerde] niet gesteld dat het door [appellant] c.s. aangeleverde cement ongeschikt was. Hij voert daar slechts aan dat hij niet bekend was met het aangeleverde merk. [geïntimeerde] stelt daar dat wanneer de aangeleverde materialen niet optimaal zijn, de gevolgen daarvan in de risicosfeer liggen van [appellant] c.s.. Daarmee is echter niet gesteld – laat staan aangetoond - dat de aangeleverde materialen ook ondeugdelijk waren (en meer in het bijzonder: het cement ongeschikt). Nu het hof een nadere rapportage door een deskundige noodzakelijk acht, waarover hieronder meer, zal het echter ook op dit punt de te benoemen deskundige verzoeken nader te rapporteren, met name ten aanzien van de vraag of hij nog kan vaststellen welk merk en type cement voor het leggen van de vloertegels is gebruikt en, zo ja, of dat daarvoor geschikt was.

Mocht uit zijn rapportage blijken dat de gebruikte cement ongeschikt was, dan zal ook op dit punt [geïntimeerde] worden toegelaten tot het leveren van bewijs ten aanzien van zijn stellingname dat hij [appellant] c.s. hiervoor heeft gewaarschuwd.

9.4.

Zoals in r.o. 6.16 van het tussenarrest al is overwogen, is voldoende gebleken dat in elk geval een aantal van de gelegde vloertegels los ligt. Met betrekking tot die vloertegels bevinden zich bij de processtukken een tweetal documenten van derden die de vloer hebben beoordeeld, een bericht van [derde 1] van [bedrijf 1] (prod. 13 bij inleidende dagvaarding) en het rapport van ir. [derde 2] van [bedrijf 2] (prod. 4 bij akte van 29 augustus 2017). Het rapport van [derde 1] is een partijrapport dat is opgesteld door een derde die mogelijk belang heeft bij de vervanging van de vloer, gelet op de offerte die achter het rapport zit. Het hof wil daarom aan dit rapport geen doorslaggevende betekenis toekennen.

Tegen het rapport van [derde 2] zijn door [geïntimeerde] bij akte van 9 april 2019 een groot aantal bezwaren aangevoerd. Ook gelet op hetgeen het hof in r.o. 6.17 van het laatste tussenarrest heeft overwogen, is het hof van oordeel dat aan dit rapport vooralsnog niet in voldoende mate bewijs kan worden ontleend ten aanzien van de oorzaak van de door [appellant] c.s. aangevoerde klachten.

9.5.

Het hof is voornemens om de navolgende vragen aan de te benoemen deskundige voor te leggen:

  1. Waarmee wordt bij de aanleg van een badkamervloer gebruikelijker wijs het afschot gecreëerd: door het op afschot afwerken van de cement dekvloer bij het storten van die vloer of door de tegelzetter met specie, bij het plaatsen van de vloertegels?

  2. Welke oplossingen bestaan voor het verhelpen van het probleem met betrekking tot het afschot van de vloer van de inloopdouche en wat zijn naar schatting de daarmee samenhangende kosten?

  3. Kan nog worden vastgesteld volgens welke methode de vloertegels op de begane grond en in de badkamer zijn aangebracht (los gelegd in de specie of met de buttering-floating methode)?

  4. Kan nog worden vastgesteld of de verwerkingsmethode, zoals die is beschreven onder nr. 6.4 in het rapport van ir. [derde 2] , bij het leggen van de tegels is gehanteerd?

  5. Over welk deel van de vloer (globaal percentage) op de begane grond en van de vloer in de badkamer kan bij kloppen worden vastgesteld dat de vloer hol klinkt?

  6. Welke oorzaken kunnen ertoe leiden dat een vloer hol klinkt? Kunnen daarbij de door [geïntimeerde] in zijn akte van 9 april 2019 op pagina 2 onder b genoemde omstandigheden ook een rol spelen?

  7. Wat is de meest aannemelijke oorzaak voor het hol klinken van de vloer op de begane grond en van de vloer in de badkamer en geldt deze voor alle betreffende tegels, althans het overgrote deel daarvan? (Bij de motivering ook aangeven waarom andere oorzaken niet of minder aannemelijk zijn).

  8. Bestaat er een verband tussen het loslaten van de tegels en het opstarten van de vloerverwarming, kort na oplevering van de vloer in november 2013?

  9. Kan nog worden vastgesteld met welke kwaliteit cement de specie is aangemaakt waarin de vloertegels zijn gelegd en, zo ja, was de kwaliteit daarvan dan geschikt voor toepassing op de vloer op de begane grond en in de badkamer.

  10. Wat is naar voor de branche geldende normen de vulgraad (in percentage van het contactopppervlak tussen tegel en vloer) voor tegels met de afmetingen zoals die op de begane grond en in de badkamer zijn verwerkt?

  11. Wat is – bij het nemen van een relevante steekproef - de vulgraad met betrekking tot het contactoppervlak tussen dekvloer en de gecontroleerde tegels van de vloer op de begane grond en de vloer in de badkamer?

  12. Welke oplossingen bestaan er om het probleem van de los liggende tegels te verhelpen en welke kosten zijn daarmee naar schatting gemoeid? In hoeverre is daarbij van belang dat de woning is voorzien van vloerverwarming?

  13. Bestaat bij vervanging van de vloer op de begane grond de noodzaak om de keuken te demonteren en, na vervanging van de vloer, weer terug te plaatsen en, zo ja, hoeveel manuren zijn daar dan naar schatting mee gemoeid?

  14. Geven de bevindingen van de deskundige, als ook de inhoud van het rapport van ir. [derde 2] , hem overigens nog aanleiding tot het maken van opmerkingen die voor het nemen van een beslissing in de onderhavige zaak van belang kunnen zijn?

Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over deze vraagstelling.

9.6.

Het hof overweegt om als deskundige te benoemen ing. [deskundige] ( [bedrijf 3] te [plaats] ), lid van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland en als deskundige verbonden aan de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken. Deze heeft desgevraagd verklaard vrij te staan van partijen en bereid te zijn het onderzoek uit te voeren. Hij begroot de met het onderzoek en de rapportage gemoeide kosten op € 3.872,= inclusief btw. Partijen zullen zich bij akte ook uit kunnen laten over de vraag of zij bezwaar hebben tegen benoeming van ing. [deskundige] . Mocht dat zo zijn, dan verzoekt het hof partijen – zo mogelijk eenstemmig – een andere deskundige voor te dragen.

9.7.

Met betrekking tot het voorschot ten bate van het te houden onderzoek merkt het hof op dat dit onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs voor rekening van [geïntimeerde] dient te komen. Tussen partijen staat vast dat tegels in de door hem gelegde vloer los zitten, waarmee in beginsel niet is uitgesloten dat deze niet deugdelijk zijn gelegd. Een vermoeden in die richting, zo niet een direct begin van bewijs, is te vinden in het rapport van ir. [derde 2] . Nu [geïntimeerde] diens bevindingen en conclusies niet kan aanvaarden, zodat een nadere (contra-)expertise noodzakelijk is, is het hof van oordeel dat de daarmee samenhangende kosten redelijkerwijs door [geïntimeerde] moeten worden voorgeschoten.

9.8.

Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol voor uitlating over de te benoemen deskundige en de aan deze te stellen vragen. Elke verdere beoordeling en beslissing wordt aangehouden.

10 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 3 september 2019 voor akte aan de zijde van beide partijen om zich uit te laten als bedoeld in r.o. 9.7;

houdt elke verdere beoordeling en beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en R.J.M. Cremers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 augustus 2019.

griffier rolraadsheer