Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2907

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
18/00520
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:4657, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Aftrekbare giften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-10-2019
V-N Vandaag 2019/2428
FutD 2019-2852
NLF 2019/2466 met annotatie van Sabine de Wijkerslooth-Lhoëst
V-N 2019/58.20.7
NTFR 2019/2747
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00520

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 augustus 2018, nummer BRE 17/4815, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.189 (hierna: de aanslag). Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van € 40 aan belastingrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking). Na daartegen gemaakt bezwaar zijn de aanslag en beschikking bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 20 juni 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur] .

1.6.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.7

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde tijdens de zitting stelt het Hof de volgende feiten vast:

2.1.

Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.317. Daarbij is rekening gehouden met een giftenaftrek van € 3.575. Dit bedrag heeft betrekking op onderstaande giften:

[Stichting 1] ( [Stichting 1] )

€ 50

[Stichting 2] ( [Stichting 2] )

€ 1.060

[Stichting 3] ( [Stichting 3] )

€ 200

[Stichting 4]

€ 3.500

[Stichting 5] ( [Stichting 5] )

€ 820

Totaal andere giften

€ 5.630

Drempel

-/- € 357

Totaal na drempel

€ 5.273

Maximale aftrek andere giften (10%)

€ 3.575

2.2.

Naar aanleiding van de aangifte heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om nadere informatie te verstrekken over de in de aangifte vermelde giften. Met dagtekening 3 maart 2017 heeft de Inspecteur de aanslag opgelegd. Hij heeft daarin de aangifte gecorrigeerd door de giftenaftrek te verminderen tot € 703. Alleen de aangegeven gift van € 1.060 aan [Stichting 2] , die bestaat uit een betaling in contanten van € 400 en girale betalingen van, in totaal, € 660, is geaccepteerd. Deze gift is verminderd met het drempelbedrag. Het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag en beschikking is in de uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

2.3.

Belanghebbende heeft de volgende stukken overgelegd:

 Kwitanties die betrekking hebben op contante giften van belanghebbende aan [Stichting 4] van, in totaal, € 3.500. Deze kwitanties zijn voorzien van de volgende gegevens:

datum

bedrag gift

kwitantienummer

5 november 2015

€ 1.000

[nummer 1]

25 november 2016

€ 1.000

[nummer 2]

6 december 2015

€ 1.500

[nummer 3]

 Een grootboekmutatiekaart van [Stichting 4] over de periode 1 november 2015 tot en met 6 december 2015. Deze grootboekmutatiekaart vermeldt – voor zover van belang – het volgende:

dagboek

datum

Bkst.

Omschrijving

credit

1000 kas

5-11-2015

[nummer 1]

[belanghebbende]

1.000,00

1000 kas

25-11-2015

[nummer 2]

[de vrouw] [echtgenote belanghebbende]

1.000,00

1000 kas

06-12-2015

[nummer 3]

[belanghebbende]

1.500,00

 Een kwitantie van [Stichting 2] van 15 juli 2015 met kwitantienummer [nummer 4] die een gift van belanghebbende van € 400 vermeldt;

 Een grootboekmutatiekaart van [Stichting 2] van 15 juli 2015. Deze grootboekmutatiekaart vermeldt – voor zover van belang – het volgende:

dagboek

datum

Bkst.

Omschrijving

credit

1000 kas

15-7-2015

[nummer 4]

[belanghebbende]

400,00

 Een kwitantie van [Stichting 3] van 29 december 2015 met kwitantienummer [nummer 5] die een gift van belanghebbende van € 200 vermeldt;

 Een grootboekmutatiekaart van [Stichting 3] van 29 december 2015. Deze grootboekmutatiekaart vermeldt – voor zover van belang – het volgende:

dagboek

datum

Bkst.

Omschrijving

credit

1000 kas

29-12-2015

[nummer 5]

[belanghebbende]

200,00

 Een verklaring gedateerd 9 mei 2019 van [A] (hierna: [A] ), voorzitter van [Stichting 3] , en [B] (hierna: [B] ), penningmeester van [Stichting 2] en ten tijde van de kwitantie van 29 december 2015 tevens in dienst van [Stichting 3] als “onderwijs begeleidend personeel”;

 Een uittreksel van de Kamer van Koophandel betreffende de voormalig bestuurders van [Stichting 4] ;

 Een transactieoverzicht over de periode 19 april 2015 tot en met 26 december 2015 van [belanghebbende] eo [de vrouw] dat betrekking heeft op overboekingen met vermelding “gift” naar [Stichting 2] van, in totaal, € 495;

 Transactieoverzichten over de periode 1 juli 2014 tot en met 31 december 2015, voor zover die zien op opnames van contant geld van minimaal € 200 in 2014 en minimaal € 100 in 2015.

2.4.

Belanghebbende was in het onderhavige jaar penningmeester van [Stichting 4] en [Stichting 5] . [Stichting 4] is een van de vele ANBI’s van [Stichting 5] . Bij [Stichting 4] is belanghebbende nog steeds actief als penningmeester. [Stichting 3] is een van de internaten van [Stichting 6] . Belanghebbende is per 31 december 2015 penningmeester van [Stichting 3] .

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur de door belanghebbende geclaimde aftrekbare giften terecht heeft gecorrigeerd met € 3.500 ( [Stichting 4] ), € 200 ( [Stichting 3] ) en € 820 ( [Stichting 5] ).

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben partijen hun standpunt nader toegelicht.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot een aanslag rekening houdend met de (maximale) aftrek van € 3.575 aan giften. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat:

- De giftenaftrek terecht is geweigerd voor zover deze ziet op de door belanghebbende gestelde gift van € 50 aan [Stichting 1] ;

- De stichtingen waar belanghebbende aan stelt te hebben geschonken kwalificeren als algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s).

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende stelt in het onderhavige jaar aftrekbare giften te hebben gedaan aan [Stichting 4] , [Stichting 3] en [Stichting 5] tot de in 2.1 vermelde bedragen. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar de onder 2.3 opgesomde bewijsmiddelen.

4.2.

De Inspecteur betwist de door belanghebbende geclaimde giftenaftrek. Ten aanzien van de geclaimde giftenaftrek aan [Stichting 4] stelt de Inspecteur (i) dat de kwitanties zijn ondertekend door dezelfde persoon, maar zijn geschreven in een ander handschrift, (ii) dit des te opmerkelijker is indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van belanghebbende dat de kwitanties niet op de datum van het gift worden verstrekt, maar op het moment dat iemand ze nodig heeft voor de belastingaangifte, (iii) de kwitanties zijn ondertekend door iemand die niet tot het bestuur van [Stichting 4] behoort en daarom niet bevoegd is de kwitanties te ondertekenen, (iv) belanghebbende wisselend heeft verklaard over het moment waarop de kwitanties worden verstrekt en (v) er geen enkel verband is tussen de bij de bank opgenomen bedragen en de contante giften in november en december 2015 (uitgaande van een schrijffout op de kwitantie van 25 november 2016 waarmee 25 november 2015 is bedoeld).

Ten aanzien van de geclaimde giftenaftrek aan [Stichting 3] en [Stichting 2] is er volgens de Inspecteur juist sprake van een tegenovergestelde situatie. De kwitanties van deze twee verschillende instellingen zijn ondertekend door twee verschillende personen, maar zijn geschreven in hetzelfde handschrift. De Inspecteur is er van uitgegaan dat de kwitantie van [Stichting 2] is ondertekend door degene die de kwitantie heeft geschreven. De Inspecteur heeft daarom zowel de girale betalingen als de contante betaling aan [Stichting 2] in aanmerking genomen als aftrekbare gift (zie 2.2).

Ten aanzien van de geclaimde giftenaftrek aan [Stichting 5] , die volgens belanghebbende bestaat uit het afzien van reiskosten die hij in zijn functie van penningmeester heeft gemaakt, stelt de Inspecteur dat niet aannemelijk is dat belanghebbende 44 keer 98 kilometer van [plaats 1] naar [plaats 2] heeft gereisd om daar zijn werkzaamheden uit te voeren, omdat [Stichting 5] een kleine stichting is en belanghebbende deze werkzaamheden ook thuis kon uitvoeren.

4.3.

Op grond van artikel 6.32, aanhef en lid 1, onder b, in combinatie met artikel 6.33, onder b, en artikel 6.35 van de Wet IB 2001 zijn giften aan ANBI’s als ‘andere giften’ aftrekbaar.

Op grond van artikel 6.36, lid 2, van de Wet IB 2001 worden giften die bestaan uit het afzien door een vrijwilliger van een vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte kosten in aanmerking genomen voor zover die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen behoren te worden vergoed. Kosten voor vervoer per auto worden in aanmerking genomen voor € 0,19 per kilometer. Dit geldt ook indien de instelling voor deze kosten geen vergoedingsregeling heeft getroffen.

Op grond van artikel 6.39, lid 1, van de Wet IB 2001 worden ‘andere giften’ in aanmerking genomen voor zover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd en voor zover zij samen zowel € 60 als 1% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek te boven gaan, en vervolgens tot ten hoogste 10% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek.

4.4.

Het Hof stelt voorop dat op belanghebbende de bewijslast rust dat hij in aanmerking komt voor giftenaftrek.

[Stichting 4]

4.5.

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de door hem gestelde giften aan [Stichting 4] van, in totaal € 3.500, verwezen naar de kwitanties met nummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] en naar een grootboekmutatiekaart van [Stichting 4] over de periode 1 november 2015 tot en met 6 december 2015 (zie 2.3). De grootboekmutatiekaart is op 12 mei 2019 voorzien van een paraaf van [C] , voorzitter van [Stichting 4] .

4.6.

Over de giftenaftrek aan [Stichting 4] overweegt het Hof als volgt. Aan de Inspecteur moet worden toegegeven dat bij één van de kwitanties een letter van de naam van de ontvanger van de gift ontbreekt en dat het handschrift op de kwitanties aan [Stichting 4] ook op andere punten kleine verschillen vertoont. Ook heeft belanghebbende, zoals de Inspecteur terecht opmerkt, wisselend verklaard over de oorzaak van de opeenvolgende nummering van de kwitanties. Daar staat tegenover dat belanghebbende kwitanties heeft overgelegd van giften en dat de juistheid van die kwitanties wordt bevestigd door de overgelegde grootboekmutatiekaart uit de administratie van [Stichting 4] , die is geparafeerd door de voorzitter van [Stichting 4] . De bewijsmiddelen van belanghebbende afwegend tegen de door de Inspecteur geuite twijfels, leidt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende het voordeel van de twijfel moet worden gegund en acht het Hof belanghebbende geslaagd in de op hem rustende bewijslast.

[Stichting 3]

4.7.

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de door hem gestelde gift aan [Stichting 3] van € 200 verwezen naar de kwitantie met nummer [nummer 5] , de door de penningmeester van [Stichting 3] ondertekende grootboekmutatiekaart van [Stichting 3] van 29 december 2015 en een verklaring van [A] en [B] . [A] en [B] verklaren hierin dat [Stichting 3] en [Stichting 2] gebruik maken van dezelfde kantoorruimte, de kwitantie van [Stichting 3] is geschreven door [B] en dat [A] de contante gift van belanghebbende heeft ontvangen, in de kluis heeft gestopt en de door [B] opgestelde kwitantie heeft ondertekend.

4.8.

Het Hof acht belanghebbende ook ten aanzien van de gift aan [Stichting 3] geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De Inspecteur heeft twijfels geuit over de gift aan [Stichting 3] , omdat het handschrift op de kwitantie van [Stichting 3] overeenkomt met de kwitantie van [Stichting 2] . De juistheid van de door belanghebbende overgelegde kwitantie van de gift aan [Stichting 3] wordt echter bevestigd door de overgelegde grootboekmutatiekaart uit de administratie van [Stichting 3] , die is geparafeerd door de penningmeester van [Stichting 3] . Dat het handschrift op de kwitantie van [Stichting 3] overeenkomt met het handschrift op de kwitantie van [Stichting 2] wordt bevestigd door [A] en [B] en is voldoende verklaard door de in 4.7 vermelde verklaring en de omstandigheid dat [B] penningmeester van [Stichting 2] was.

[Stichting 5] en [Stichting 2]

4.9.

Belanghebbende stelt dat hij in het onderhavige jaar 44 keer van [plaats 1] naar [plaats 2] is gereden in verband met zijn werkzaamheden als penningmeester voor [Stichting 5] . De gift van € 820 ziet volgens belanghebbende op het afzien van reiskosten voor deze ritten. De Inspecteur heeft deze gift betwist.

4.10.

De Inspecteur heeft in de beroepsfase een beroep op interne compensatie gedaan indien aftrek wordt verleend voor de contante gift van € 200 aan [Stichting 3] . Deze situatie doet zich voor, gelet op de overwegingen van het Hof in 4.7 en 4.8. De Inspecteur stelt dat de aftrek voor het contant betaalde deel van de giften aan [Stichting 2] in dat geval ten onrechte is verleend.

4.11.

Tussen partijen is kennelijk niet in geschil dat de giftenaftrek van belanghebbende, gelet op het in de Wet IB 2001 bepaalde maximum, niet meer kan bedragen dan € 3.575. Het Hof heeft overwogen dat belanghebbende in aanmerking komt voor aftrek van de giften aan [Stichting 4] en [Stichting 3] . De giften aan [Stichting 2] zijn niet in geschil voor zover deze giraal zijn betaald (€ 660). Dit leidt tot het volgende overzicht:

[Stichting 2] ( [Stichting 2] )

€ 660

[Stichting 3] ( [Stichting 3] )

€ 200

[Stichting 4]

€ 3.500

Totaal andere giften

€ 4.360

Drempel

-/- € 357

Totaal na drempel

€ 4.003

Maximale aftrek andere giften (10%)

€ 3.575

De juistheid van de stellingen van partijen die zijn opgenomen onder 4.9 en 4.10 kan in het midden worden gelaten, omdat dit vanwege de maximale aftrek van € 3.575 niet tot een andere uitkomst leidt. Op basis van de reeds toegestane giften komt belanghebbende in aanmerking voor de maximale aftrek van € 3.575. De aanslag moet worden opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.317, rekening houdend met een giftenaftrek van € 3.575.

Slotsom

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Aangezien de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar worden vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 respectievelijk € 126 te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar en de proceskosten

4.14.

In artikel 7:15, lid 2 en lid 3, van de Awb is bepaald dat de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan worden vergoed uitsluitend als (1) daar door belanghebbende om wordt verzocht en (2) het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Naar het oordeel van het Hof is er geen sprake van het herroepen van het bestreden besluit wegens een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid vanwege de navolgende omstandigheden. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase weliswaar de kwitanties van de giften overgelegd, maar de Inspecteur heeft in de bezwaarfase ook verzocht om afschriften uit de administratie van de stichtingen ter onderbouwing van de door belanghebbende gestelde giften, omdat er twijfels waren omtrent de betrouwbaarheid van de kwitanties. Nu het hoger beroep gegrond wordt verklaard op basis van gegevens die pas voor het eerst in hoger beroep zijn overgelegd is er geen sprake van het herroepen van het bestreden besluit wegens een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid.

4.15.

De Inspecteur stelt dat belanghebbende geen recht heeft op een proceskostenvergoeding, omdat belanghebbende pas bij het indienen van de nadere stukken in hoger beroep de grootboekmutatiekaarten van de stichtingen heeft overgelegd. Het Hof begrijpt dat de Inspecteur betreurt dat de grootboekmutatiekaarten voor het eerst in hoger beroep zijn overgelegd, terwijl de Inspecteur hier al in de bezwaarfase om heeft verzocht. Daarmee is echter geen sprake van een situatie waarin het instellen van het (hoger) beroep uitsluitend aan belanghebbende te wijten is. Weliswaar is in artikel 6.39 van de Wet IB 2001 bepaald dat ‘andere giften’ in aanmerking worden genomen voor zover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd, maar belanghebbende heeft al in de bezwaarfase schriftelijke bescheiden, kwitanties, overgelegd, die door de Inspecteur als onvoldoende bewijs werden beschouwd. Het Hof ziet ook geen andere aanleiding om de Inspecteur niet te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.16.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 512 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) voor het beroep en eveneens voor het hoger beroep. De totale tegemoetkoming bedraagt dan € 2.048.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;

  • -

    vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.317;

  • -

    vermindert de beschikking dienovereenkomstig;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 172 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.048.

Aldus gedaan op 31 juli 2019 door P. Fortuin, voorzitter, A.J. Kromhout en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Afschriften van de uitspraak zijn aangetekend aan partijen verzonden op: 1 augustus 2019

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.