Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2902

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
02-08-2019
Zaaknummer
200.260.788_01 en 200.260.788_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Minderjarige is inmiddels al teruggeplaatst bij de moeder. Er is geen sprake meer van een uithuisplaatsing. Er is ook geen noodzaak meer aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 1 augustus 2019

Zaaknummers : 200.260.788/01 en 200.260.788/02

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/338926 / JE RK 18-1453

op het verzoek en het incidenteel verzoek

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.T. Psara,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    [de moeder] ,
    hierna te noemen: de moeder,
    advocaat: mr. A.J.C.W. Scholte-van de Ven,

  • -

    Stichting Jeugdbescherming Brabant, de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI.

Deze beschikking gaat over de minderjarige [minderjarige] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 april 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 juni 2019, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht in een gezinsvervangende omgeving (pleeggezin of gezinshuis) met ingang van 6 mei 2019 te verlengen met een termijn van zes maanden, te weten tot 6 november 2019.

De vader heeft daarnaast verzocht de schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 juni 2019, heeft de moeder primair verzocht om de vader in zijn verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair om voornoemde verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 juli 2019, heeft de GI verzocht om de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juli 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Psara;

- de moeder, bijgestaan door mr. Scholte-van de Ven;

- mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad;

- mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en de heer [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de GI.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 15 april 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2016 te
[geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

Beide ouders hebben van rechtswege het gezag over [minderjarige] .

3.2.

Bij beschikking van 30 oktober 2018 heeft de rechtbank Oost-Brabant [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 november 2018 tot 6 november 2019.

Verder heeft de rechtbank aan de GI machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gezinsvervangende omgeving (pleeggezin of gezinshuis) met ingang van 6 november 2018 tot 6 mei 2019. [minderjarige] is uiteindelijk per 21 januari 2019 in een pleeggezin geplaatst.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 24 april 2019 heeft de rechtbank de machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige] verlengd tot 6 augustus 2019.

3.4.

De rechtbank heeft bij beschikking van 13 juni 2019 onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beslissing over het hoofdverblijf van [minderjarige] is aangehouden.

3.5.

De vader kan zich met de beslissing van 24 april 2019 niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

Inmiddels woont [minderjarige] sinds 8 juli 2019 weer bij de moeder. De GI heeft zich niet gehouden aan de toezeggingen die in eerste aanleg zijn gedaan en is na de bestreden uitspraak meteen gaan toewerken naar een snelle terugplaatsing bij de moeder, zonder de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen. Er heeft geen onderzoek meer plaatsgevonden naar de thuissituatie van de moeder. Bovendien is de GI eraan voorbij gegaan dat de moeder zich niet aan de voorwaarden voor de thuisplaatsing heeft gehouden.

De vader betreurt het dat de GI niet heeft willen wachten met de terugplaatsing tot na de mondelinge behandeling in hoger beroep. Hierdoor heeft de vader geen belang meer bij het schorsingsverzoek; dat wordt om die reden ingetrokken. De vader handhaaft wel zijn hoger beroep in de bodemprocedure. Weliswaar heeft vader er nu geen bezwaar tegen dat [minderjarige] bij de moeder verblijft, maar de machtiging tot uithuisplaatsing moet voorwaardelijk doorlopen tot 6 november 2019. Mocht het in de thuissituatie bij moeder namelijk niet goed gaan, dan kan snel worden ingegrepen.. Zolang [minderjarige] het bij de moeder goed doet, heeft de vader er geen bezwaar tegen dat [minderjarige] bij de moeder verblijft. Voor vader staat enkel de veiligheid van [minderjarige] voorop. Het is wel noodzakelijk dat de GI de vader goed informeert en dat er contact is tussen de vader en [minderjarige] . De vader wordt nu door de GI weggezet als een dwarsligger en hij voelt zich ten onrechte buiten spel gezet.

3.7.

De raad voert, kort samengevat, het volgende aan.

De raad heeft destijds geadviseerd om toe te werken naar een terugplaatsing bij de moeder onder de voorwaarde dat er een passend veiligheidsplan en tijdspad zou worden opgesteld. Aangezien de rechtbank niet is meegegaan in een verlenging van de uithuisplaatsing voor een termijn van zes maanden, heeft de terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder inmiddels plaatsgevonden. Het is voor [minderjarige] niet wenselijk om deze situatie terug te draaien.

Het valt op dat de ouders in hun motivatie nog steeds ambivalent zijn. De vader wil serieus worden genomen en hij wil dezelfde rechten als de moeder. Het is aan de GI om te bekijken welke mogelijkheden er zijn. Er moet met beide ouders goed worden gecommuniceerd en de samenwerking met de vader moet worden verbeterd, teneinde nieuwe geschillen in de toekomst te voorkomen.

3.8.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

De vader is aanvankelijk akkoord gegaan met een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder.

Er zijn geen zorgen over het netwerk van de moeder en haar pedagogische vaardigheden staan evenmin ter discussie. De moeder loopt nu tegen een muur op, omdat de vader alles tegenwerkt. De moeder wil graag in het belang van [minderjarige] de strijdbijl begraven.

[minderjarige] is een week geleden bij de moeder teruggeplaatst. Het gaat goed met [minderjarige] en zijn belangen zijn dan ook niet in het gedrang. De moeder merkt dat hij nog moet wennen, maar dit lijkt haar ook logisch, gezien zijn leeftijd. [minderjarige] moet onder meer wennen aan de kat in huis en aan een nieuw bed, een nieuwe kamer met nieuwe geluiden. Daarnaast gaat [minderjarige] naar een nieuw kinderdagverblijf op de momenten dat de moeder moet werken.

De moeder krijgt ambulante ondersteuning zowel voor haarzelf als voor [minderjarige] . Er is hulpverlening vanuit Gezin op 1 en vanuit Basic Trust. Er worden om de week filmopnamen gemaakt in de thuissituatie, die de week erna met de moeder worden besproken.

Voor een voorwaardelijke uithuisplaatsing is geen juridische grondslag.

3.9.

De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.

De bestreden beschikking is op de juiste gronden afgegeven. De GI moest uitvoering geven aan de uitspraak van de rechtbank en is derhalve voortvarend aan de slag gegaan om de thuisplaatsing bij de moeder te realiseren. Aan de vader is uitgelegd dat de raad al twee keer onderzoek heeft gedaan en dat de raad heeft geadviseerd toe te werken naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, tenzij er vanuit Oosterpoort signalen komen dat hiertegen onoverkomelijke bezwaren zijn. Die signalen heeft Oosterpoort niet gegeven.

Er zijn geen zorgen over de pedagogische vaardigheden van de moeder. Er zijn wel zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] , omdat er vermoedens bestaan dat er sprake is van hechtingsproblematiek. Om die reden is er ondersteuning vanuit Basic Trust ingezet om zowel [minderjarige] en de moeder hierin te begeleiden dan wel te behandelen.

De GI vindt het van belang dat er goed contact is tussen [minderjarige] en de vader.

ViaNeo zal de omgang tussen [minderjarige] en de vader begeleiden. Het heeft echter lang geduurd voordat de vader hiermee akkoord is gegaan. De samenwerking tussen de GI en de vader verloopt moeizaam. De niet-coöperatieve en dreigende houding van de vader baren de GI zorgen. De GI heeft aan de raad verzocht onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

200.260.788/02 (het incidentele verzoek tot schorsing)

3.10.1.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vader dit verzoek ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat de grieven niet worden gehandhaafd.

3.10.2.

Dit brengt mee dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het incidentele verzoek in hoger beroep.

200.260.788/01 (het verzoek in de hoofdzaak)

3.10.3.

Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.10.4.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.10.5.

De moeder betoogt dat de vader niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep en doet een beroep op artikel 1:334 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij stelt daartoe dat de man bij de rechtbank primair heeft verzocht om afwijzing van het verzoek tot uithuisplaatsing en subsidiair heeft verzocht deze toe te wijzen voor een duur van maximaal 3 tot 5 maanden.

In de bestreden beslissing is het oorspronkelijk verzoek van de Raad deels afgewezen door de machtiging nog slechts te verlengen voor de duur van drie maanden in plaats van voor de gevraagde duur van zes maanden. Tegen deze afwijzing staat ook voor de vader hoger beroep open. De omstandigheid dat de vader aanvankelijk en overigens geheel subsidiair kon instemmen met een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden, maakt dit niet anders. Dit geldt te meer nu de vader zich beroept op een wijziging van omstandigheden, nu er volgens hem bij de terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet de nodige en toegezegde zorgvuldigheid in acht is genomen. Van berusting in de zin van artikel 1:334 Rv is dan ook geen sprake.

3.10.6.

Het beroep van de vader kan echter op inhoudelijke gronden niet slagen.

Hiertoe wordt het volgende overwogen.

3.10.7.

Vooropgesteld wordt dat er ten tijde van de bestreden beschikking voldoende gronden voor de verleende machtiging aanwezig waren. Ten tijde van de bestreden beschikking was het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk de raad te machtigen de uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen. De opvoedsituatie van [minderjarige] was complex en het ontbrak [minderjarige] aan een onbelast contact met beide ouders. Er bestonden ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de vader. Voor een thuisplaatsing bij de moeder bestonden geen grote belemmeringen, maar thuisplaatsing was (nog) niet aan de orde omdat daartoe nog de nodige voorbereidende stappen moesten worden gezet. Inmiddels is [minderjarige] op 8 juli jl. daadwerkelijk teruggeplaatst bij de moeder. Gesteld noch gebleken is dat er op dit moment grote belemmeringen bestaan om [minderjarige] bij moeder te laten wonen. Zowel de Raad als de GI hebben aangegeven dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat deze terugplaatsing ongedaan wordt gemaakt. Ook de vader heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat [minderjarige] , gegeven de ontstane situatie, nu bij de moeder moet blijven wonen; met het hoger beroep beoogt de vader niet langer dat [minderjarige] in een pleeggezin wordt (terug)geplaatst. Gelet op het voorgaande en nu evenmin omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan anders moet worden aangenomen, bestaat thans geen noodzaak de machtiging te verlengen voor een langere periode dan in de bestreden beschikking is bepaald. Voor een voorwaardelijke machtiging bestaat, nog daargelaten de vraag of daartoe een wettelijke grondslag bestaat, reeds daarom geen grond.

3.10.8.

Daarbij wordt bovendien nog in aanmerking genomen dat, alvorens tot de thuisplaatsing is overgegaan, een voldoende zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden. De raad heeft tweemaal een advies uitgebracht. Daaruit kwam naar voren dat de moeder een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat zij over voldoende (pedagogische) vaardigheden beschikt om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden. Het is in het belang van [minderjarige] geacht om naar een thuisplaatsing bij de moeder toe te werken. Dat wordt als zodanig door de vader ook niet betwist. Ook vanuit Oosterpoort zijn er geen contra-indicaties voor een terugplaatsing bij moeder naar voren gekomen. Daar komt bij dat de uitvoering van de thuisplaatsing zorgvuldig en gefaseerd is verlopen en vooraf is gegaan door een in overleg met de ouders opgesteld veiligheidsplan.

3.10.9.

Dit laat onverlet dat de zorgen over [minderjarige] nog niet geheel zijn verdwenen. De ondertoezichtstelling loopt in ieder geval nog door tot 6 november 2019.

Het is voor [minderjarige] van belang dat er voldoende hulpverlening wordt ingezet op zijn hechtingsproblematiek. Het is verder aan de GI om in te zetten op de contacten met de vader en op de relatie tussen de ouders onderling. Deze hulpverlening kan echter ambulant, vanuit de thuissituatie van de moeder, worden ingezet. Met de ondertoezichtstelling is er voldoende zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] , niet alleen via de gezinsvoogd, maar ook via de ambulante hulpverlening door Gezin op 1 en Basic Trust.

3.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaak met nummer 200.260.788/02

verklaart de vader niet-ontvankelijk in het incidenteel verzoek;

in de zaak met nummer 200.260.788/01

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 april 2019;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen
en E.H. Schijven-Bours, en is op 1 augustus 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.