Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2887

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
14-11-2019
Zaaknummer
200.257.260_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:2238
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:4163
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

ontruiming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.257.260/01

arrest van 30 juli 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

verder: [appellante]

advocaat: mr. M.A. Hupkes te Amsterdam.

tegen:

1 mr. Daan Pieter Schalken,

in hoedanigheid van curator in het faillissement van
[gefaillieerde],

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] ,

verder: de curator,

2. Achmea Bank N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder: de bank,

geïntimeerden,

advocaat: mr. J. Beerens te ’s-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 maart 2019 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen vonnis in kort geding van 5 maart 2019 tussen [appellante] als gedaagde en de curator en de bank als eisers.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/341517 / KG ZA 18-742)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en een productie;

  • -

    de schriftelijke conclusie van eis van 9 april 2019;

  • -

    de memorie van antwoord van de curator en de bank van 21 mei 2019 met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 5 maart 2019 onder 2. een aantal feiten vastgesteld. Deze vaststelling luidt als volgt:

2.1.

[de failliet] (hierna te noemen: [de failliet] ) en [appellante] hebben al geruime tijd een affectieve relatie.

2.2.

[de failliet] is eigenaar van de navolgende registergoederen (hierna gezamenlijk te noemen: de registergoederen):

  1. een landhuis aan de [adres 1] te [plaats 1] , kadastraal bekend ’s-Gravenhage [sectieletters+sectienummer 1] , dat is aangekocht in 2005 voor een bedrag van € 1.730.000,= en is gefinancierd middels een hypothecaire geldlening verstrekt door [de bank 1] (hierna te noemen: [de bank 1] ), als rechtsvoorganger van [de holding] ;

  2. een appartement in [plaats 2] ), kadastraal bekend
    ’s-Gravenhage [sectieletters+sectienummer 2] [sectieletter+sectienummer 1] , dat is aangekocht in 2006 voor € 520.000,= en is gefinancierd middels een hypothecaire geldlening verstrekt door ING Bank N.V. en

  3. een landgoed, inclusief opstallen, aan de [adres 2] [adres 3] en [adres 4] in [plaats 3] , kadastraal bekend: Mill [sectieletter+sectienummer 2] , Mill [sectieletter+sectienummer 3] , Mill [sectieletter+sectienummer 4] , Mill [sectieletter+sectienummer 5] , Mill [sectieletter+sectienummer 6] , Mill [sectieletter+sectienummer 7] , Mill [sectieletter+sectienummer 8] , dat is aangekocht in 2003 voor een bedrag van € 1.098.073,= (hierna te noemen: het landgoed) en op 23 mei 2003 is gefinancierd middels een hypothecaire geldlening, verstrekt door [de bank 2] , als rechtsvoorganger van Achmea Bank N.V. (hierna ook te noemen: de bank).

2.3.

Het draait in dit kort geding in het bijzonder om de registergoederen onder c, het landgoed [landgoed] in [plaats 3] . [de failliet] woont op het tot de registergoederen behorende kasteel Aldendriel aan de [adres 2] kadastraal bekend Mill [sectieletter+sectienummer 7] . [appellante] verblijft ook op dit adres wanneer zij in Nederland bij haar partner [de failliet] is. [appellante] verblijft daarnaast vaak in het buitenland.

2.4.

Het registergoed aan de [adres 4] te [plaats 3] is sinds 1 augustus 2002 verhuurd aan de heer [huurder] (hierna te noemen: [huurder] ). [huurder] exploiteert daar een horecagelegenheid. Een andere opstal is verhuurd aan een “klusjesman.”

2.5.

In de hypotheekakte van 23 mei 2003 van het landgoed, inclusief opstallen aan de [adres 2] [adres 3] en [adres 4] in [plaats 3] is in artikel 5 op pagina 3-4 bepaald dat het [de failliet] niet is toegestaan het onderpand te verhuren zonder schriftelijke toestemming van de bank, anders dan bij de bank bekend.

2.6.

Als gevolg van de economische crisis en gezondheidsproblemen, is [de failliet] vanaf 2010 zonder inkomen komen te zitten.

2.7.

Naast de rechten van hypotheek zijn de registergoederen sinds 2011 ook bezwaard met beslagen. De beslagen zijn gelegd door voornoemde banken, de heer [de beslaglegger] (hierna te noemen: [de beslaglegger] ) en de Belastingdienst. Voor wat betreft de registergoederen aan de [adres 2] [adres 3] en [adres 4] te [plaats 3] zijn dat de volgende beslagen:

- Mill [sectieletter+sectienummer 2] , executoriaal beslag gelegd door [de beslaglegger] op 21 maart 2012;

- Mill [sectieletter+sectienummer 3] , Mill [sectieletter+sectienummer 4] , Mill [sectieletter+sectienummer 5] , Mill [sectieletter+sectienummer 6] , Mill [sectieletter+sectienummer 7] , Mill [sectieletter+sectienummer 7] , conservatoire beslagen gelegd door [de bank 1] op 21 september 2012.

2.8.

Op 28 augustus 2015 hebben [de failliet] en [appellante] naar zij stellen een schriftelijke huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het landgoed te [plaats 3] , aan de [adres 2] [adres 3] en [adres 4] , waarbij [appellante] per 1 september 2015 de huurovereenkomsten met de huurders van de percelen aan de [adres 3] en [adres 4] te [plaats 3] overneemt en gerechtigd is de huurinkomsten ad € 5.000,= per maand te ontvangen. Voorts is in de huurovereenkomst bepaald dat [appellante] de hypothecaire verplichtingen aan de bank moet voldoen. Naast de huur neemt [appellante] tevens de verplichting op zich om de GEB te vergoeden en de rekeningen van verhuurder [de failliet] aangaande verzekeringen van het pand, de ziektekosten en abonnementen van telefoon en televisie-internet te betalen.

2.9.

[de failliet] is op 27 december 2017 bij vonnis van deze rechtbank [de rechtbank Oost-Brabant] in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. D.P. Schalken als curator. Na eerder verzet heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het faillissementsvonnis in hoger beroep bekrachtigd bij arrest van 29 maart 2018. Bij beschikking van 6 september 2018 heeft het hof [de failliet] tenslotte in zijn verzoek tot herroeping op de voet van artikel 382 Rv niet-ontvankelijk verklaard.

2.10.

De curator heeft [huurder] aangeschreven en verzocht de huursommen betreffende het registergoed aan de [adres 4] te [plaats 3] vanaf faillissementsdatum aan de boedel te voldoen. [huurder] heeft aan dat verzoek voldaan.

2.11.

Vervolgens is de curator in onderhandeling getreden met de bank om tot verkoop van het landgoed in [plaats 3] te komen. De bank heeft te kennen gegeven tot executie van haar hypotheekrecht over te willen gaan. In overleg met de curator is een verkooptraject gestart. In dat kader zou op 16 oktober 2018 een bezichtiging door geïnteresseerde partijen plaatsvinden.

2.12.

Bij brief van 10 oktober 2018 heeft de advocaat van [appellante] de curator medegedeeld dat sprake is van een rechtsgeldige huurovereenkomst en voorts dat de voorgenomen bezichtiging van 16 oktober 2018 niet kan doorgaan in verband met verhindering van [appellante] .

2.13.

De curator heeft (mede namens de bank) daarop bij brief van 12 oktober 2018 - kort gezegd - gemeld de huurovereenkomst tussen [de failliet] en [appellante] niet te erkennen, voor zoveel nodig de vernietiging daarvan in te roepen. Voorts heeft de curator in de brief het huurbeding namens de bank ingeroepen.

2.14.

Bij e-mailbericht van 17 oktober 2018 heeft de heer [medewerker van de bank] , namens de bank, aan de advocaat van [appellante] , bevestigd dat de bank niet op de hoogte was van de verhuur van de registergoederen in [plaats 3] aan de [adressen 2,3 en 4] en dat zij hiervoor geen toestemming heeft verleend.

2.15.

In de dagvaarding van 27 december 2018 heeft de bank voor zover nodig het in de hypotheekakte opgenomen huurbeding ten aanzien van het landgoed nogmaals ingeroepen tegen [appellante] .

2.16.

Op 5 februari 2019 heeft [appellante] een dagvaarding laten beteken aan de curator en de bank in een bodemprocedure bij deze rechtbank [de rechtbank Oost-Brabant]. Daarin vordert zij - onder meer - een verklaring voor recht dat zij huurster is van het landgoed, staande en gelegen aan het adres [adres 2] te [plaats 3] en dat de huurrechten niet vervallen door verkoop en levering van het landgoed.

Grief I van [appellante] betreft de juistheid van onderdeel 2.7. van deze feitenvaststelling en grief II een door [appellante] gewenste aanvulling erop. Het hof komt daar in een later stadium op terug. Voor het overige is de vaststelling van de feiten niet bestreden.

3.2

Bij dagvaarding van 27 december 2018 hebben de curator en de bank het onderhavige kort geding tegen [appellante] aanhangig gemaakt. Hierin stellen de curator en de bank, kort gezegd, dat [appellante] zonder recht of titel in het landgoed verblijft en dat de door haar gestelde huurovereenkomst haar niet kan baten. De curator en de bank hebben inmiddels een koopovereenkomst voor het landgoed gesloten op grond waarvan zij het landgoed dienen te (kunnen) leveren vrij van huur van met name de woonruimte, het kasteel, door [appellante] . De rechter-commissaris in het faillissement van [de failliet] heeft de verkoop van het landgoed op 22 november 2018 goedgekeurd. In verband hiermee dient [appellante] volgens de curator en de bank het landgoed op korte termijn te ontruimen.

3.3

Op grond hiervan vorderden de curator en de bank in eerste aanleg, samengevat, veroordeling van [appellante] primair jegens zowel de curator als de bank, subsidiair jegens de curator, om - behoudens de rechten van andere huurders dan [appellante] - de registergoederen aan de [adres 2] [adres 3] en [adres 4] te [plaats 3] te ontruimen en ontruimd te houden, op verbeurte van een dwangsom. [appellante] heeft de vorderingen van de curator en de bank gemotiveerd bestreden, waarbij zij zich met name beroept op de rechtsgeldigheid van de door haar gestelde huurovereenkomst.

3.4

De voorzieningenrechter heeft een voldoende spoedeisend belang voor de vorderingen van de curator en de bank aanwezig geoordeeld. Veronderstellenderwijs aannemende dat tussen [de failliet] en [appellante] de gestelde huurovereenkomst is gesloten heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat deze niet aan de curator en de bank kan worden tegengeworpen en geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de bank met de verhuur aan [appellante] heeft ingestemd, ondanks het huurbeding dat hiervoor in 3.1 onder 2.5. is vermeld.

3.5

De voorzieningenrechter heeft [appellante] veroordeeld om binnen twee maanden na betekening van het vonnis de registergoederen aan de [adres 2] [adres 3] en [adres 4] te [plaats 3] , kadastraal bekend als Mill [sectieletter+sectienummer 2] ; Mill [sectieletter+sectienummer 3] ; Mill [sectieletter+sectienummer 4] ; Mill [sectieletter+sectienummer 5] ; Mill [sectieletter+sectienummer 6] ; Mill [sectieletter+sectienummer 7] en Mill [sectieletter+sectienummer 8] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken tenzij deze zaken van de curator en de bank zijn, en de sleutels af te geven aan de curator, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten met nakosten, en met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

3.6

Tegen de gedeeltelijke afwijzing van hun vorderingen hebben de curator en de bank niet (incidenteel) geappelleerd zodat in dit hoger beroep de vorderingen van de curator en de bank alleen aan de orde zijn voor zover deze door de voorzieningenrechter zijn toegewezen.

3.7

Met grief III komt [appellante] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter over het spoedeisend belang aan de kant van de curator en de bank. De grieven IV, V en VI betreffen de wetenschap van [appellante] over de financiële situatie van [de failliet] en de mogelijke beperking van verhaalsmogelijkheden. Grief VII, ten slotte, betreft de instemming van de bank met de huurovereenkomst.

3.8

Voorafgaande aan hun betwisting van de grieven van [appellante] hebben de curator en de bank aangevoerd dat [appellante] geen belang heeft bij het hoger beroep aangezien de ontruiming inmiddels een feit is. De proceskostenveroordeling, die in het algemeen nog een voldoende belang inhoudt, biedt dat in dit geval niet omdat [appellante] daartegen geen grief heeft gericht, aldus de curator en de bank. Het komt het hof geraden voor [appellante] in de gelegenheid te stellen bij akte kort op dit preliminaire standpunt van de curator en de bank in te gaan. Deze akte biedt haar tevens de gelegenheid om, eveneens kort, in te gaan op de producties die de curator en de bank bij memorie van antwoord hebben overgelegd (voor zover deze niet eerder reeds zijn overgelegd). Het hof heeft hierbij met name het oog op de koopovereenkomst, die een ontbindende voorwaarde bevat (mede in verband met hetgeen [appellante] hierover stelt in de vierde alinea van bladzijde 7 van haar appeldagvaarding). De curator en de bank zullen hier bij antwoordakte kort op kunnen reageren. Voor enig ander doel dan (1) de kwestie van het ontbreken van belang en (2) de nieuwe producties is deze aktewisseling niet bestemd.

3.9

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4. De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 13 augustus 2019 voor akte aan de zijde van appellante met (uitsluitend) het hiervoor onder 3.8 vermelde doel, waarna antwoordakte van geïntimeerden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, A.J. Henzen en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 juli 2019.

griffier rolraadsheer