Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2881

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
04-01-2021
Zaaknummer
200.250.514_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop en verkoop van aandelen. Geen consumentenkredietovereenkomst in de zin van artikel 7:57 lid 1 BW. Koop op afbetaling ex artikel 7A:1576 lid 1 BW (oud). Toestemming echtgenote ex artikel 1:88 lid 1 onder d BW ontbreekt. Beroep op vernietiging slaagt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 57
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1576
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.250.514/01

arrest van 30 juli 2019

gewezen in het incident ex artikel 217 Rv in de zaak van

[voegende partij] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [voegende partij] ,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. R.R.C. Rosens te Veldhoven,

in het geding tussen:

1 [appellante] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [appellant],
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat: mr. J.W. Hilhorst te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. R.R.C. Rosens te Veldhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 november 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 augustus 2018, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen appellanten – [appellante] – als eisers en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 6412688, rolnummer 17-9603)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het vonnis in incident van 15 maart 2018.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie in het incident van [voegende partij] ;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident van [appellante].

[geïntimeerde] heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om een antwoordmemorie in het incident te nemen.

Het hof heeft vervolgens een datum voor arrest in het incident bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.000,-, te vermeerderen met contractuele rente tot 1 oktober 2017 en de wettelijke handelsrente vanaf 1 oktober 2017, alsmede een bedrag ad € 875,- als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [appellante] heeft aan deze vordering samengevat het volgende ten grondslag gelegd. Zij heeft in december 2015 aandelen verkocht aan [geïntimeerde] voor een bedrag van € 10.000,-. De koopsom is omgezet in een lening aan [geïntimeerde]. De lening zou via 20 maandelijkse termijnen van € 500,- worden afgelost. [geïntimeerde] is in gebreke gebleven met betaling van de termijnen.

3.2.

[voegende partij] heeft in eerste aanleg een incidentele vordering ingesteld op grond van artikel 217 Rv, primair tot voeging aan de zijde van [geïntimeerde] in de hoofdzaak en subsidiair tot tussenkomst in de hoofdzaak. De kantonrechter heeft bij vonnis in het incident van 15 maart 2018 de primaire vordering tot voeging toegewezen.

3.3.

[geïntimeerde] en [voegende partij] hebben de vordering van [appellante] bestreden. [voegende partij] heeft onder meer als verweer aangevoerd dat zij in gemeenschap van goederen is gehuwd met [geïntimeerde] en geen toestemming heeft gegeven voor de koop of afbetaling van aandelen. Zij heeft een beroep gedaan op de vernietiging van de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellante] betreffende de koop op afbetaling.

3.4.

Bij eindvonnis van 2 augustus 2018 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen.

3.5.

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de kantonrechter en alleen [geïntimeerde] in hoger beroep gedagvaard.

3.6.

In het onderhavige incident vordert [voegende partij] wederom primair voeging aan de zijde van [geïntimeerde] en subsidiair tussenkomst op grond van artikel 217 Rv.

3.7.

[appellante] heeft de incidentele vordering van [voegende partij] bestreden.

3.8.

Het hof zal eerst de primaire vordering tot voeging behandelen.

3.9.

[voegende partij] voert aan dat zij belang heeft bij voeging, omdat indien in de hoofdzaak komt vast te staan dat niet [appellante], maar [geïntimeerde] zelf gehouden is tot betaling van de koopsom voor de aandelen, en [geïntimeerde] veroordeeld wordt tot betaling van het door [appellante] gevorderde, [appellante] zich kan verhalen op de gemeenschap.

3.10.

[appellante] betwist dat [voegende partij] belang heeft bij voeging. Zij voert in dat kader het volgende aan. Vanwege de voeging in eerste aanleg is [voegende partij] in deze procedure procespartij geworden. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep zullen derhalve alle standpunten die in eerste aanleg naar voren zijn gebracht in hoger beroep weer aan de orde komen. Er is reeds een beroep op vernietiging van de tussen [appellante] en [geïntimeerde] gesloten overeenkomst gedaan en dit is ook in eerste aanleg als principaal verweer naar voren gebracht. Het wederom instellen van een volledig identiek incident leidt voorts tot een onredelijke vertraging van de hoofdzaak.

3.11.

Op grond van artikel 217 Rv kan een ieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van dat belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij, aan wier zijde zij zich voegt. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot voeging kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.

Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridisch gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:306).

3.12.

Het hof is van oordeel dat [voegende partij] belang heeft bij de tussen [appellante] en [geïntimeerde] in hoger beroep aanhangige procedure. [appellante] heeft niet betwist dat indien de vorderingen van [appellante] in hoger beroep alsnog worden toegewezen, [appellante] zich kan verhalen op de gemeenschap. Dat [voegende partij] reeds in eerste aanleg een beroep op vernietiging van de overeenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] heeft gedaan, maakt niet dat zij in hoger beroep geen belang meer heeft. In hoger beroep kunnen immers door alle partijen nieuwe stellingen of verweren worden aangevoerd en kunnen stellingen en verweren nader worden onderbouwd. De toewijzing van de vordering tot voeging leidt niet tot een onredelijke vertraging van de hoofdzaak, zoals [appellante] stelt. [voegende partij] kan haar memorie van antwoord tegelijk met de memorie van antwoord van [geïntimeerde] nemen.

3.13.

Gelet op het voorgaande zal het hof de incidentele vordering tot voeging toewijzen. Aan de subsidiaire vordering tot tussenkomst komt het hof niet meer toe. Het hof houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

3.14.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord van de zijde van [geïntimeerde] en [voegende partij] . Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

laat [voegende partij] toe zich te voegen in de hoofdzaak tussen [appellante] en [geïntimeerde] aan de zijde van [geïntimeerde];

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 10 september 2018 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] en [voegende partij] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 juli 2019.

griffier rolraadsheer