Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2821

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
200.248.207_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:5442, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vervangende toestemming verhuizing en inschrijving school

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 25 juli 2019

Zaaknummer: 200.248.207/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/346038 / FA RK 18-3106

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F.J.I. van den Branden,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.A.G. van Acker.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio: Zuidwest-Nederland, locatie: [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 10 augustus 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift, met producties, ingekomen ter griffie op 22 oktober 2018, heeft de moeder, samengevat, verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de verzoeken van de moeder tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor de verhuizing van de hierna nader te noemen [minderjarige] naar [plaats 1] en haar aldaar in te schrijven op de [school] , alsnog toe te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 december 2018 heeft de vader verzocht om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans de verzoeken af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. Bij die gelegenheid

zijn gehoord:

-de moeder, bijgestaan door mr. Van den Branden;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Van Acker;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

Ter zitting van het hof heeft de advocaat van de moeder een pleitnota overgelegd.

2.4.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van:

- de brief van de raad van 26 oktober 2018;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 26 juli 2018;

- het V-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 29 mei 2019 met bijlagen.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2013 (hierna ook te noemen: [minderjarige] ).

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

Bij (echtscheidings)beschikking van 6 maart 2018 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant bepaald dat [minderjarige] het hoofdverblijf bij de moeder heeft. Daarnaast is bepaald dat tussen partijen ten aanzien van [minderjarige] een voorlopige zorgregeling geldt waarbij het contact, bij een positief verloop daarvan, in eerste instantie begeleid, wordt opgebouwd.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder om vervangende toestemming om met [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen en haar aldaar in te schrijven op de [school] , afgewezen. Ook het gelijkluidende verzoek om een voorlopige voorziening te treffen in dit kader is afgewezen.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Ter zitting is gebleken dat het beroep zich niet richt tegen de beslissing ten aanzien van de afwijzing van het treffen van een voorlopige voorziening. Slechts de door de rechtbank genomen beslissingen in de bodemprocedure zijn aan het oordeel van het hof onderworpen.

3.6.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat er geen noodzaak is voor verhuizing en dat de verhuizing onvoldoende is doordacht en voorbereid. De moeder is inmiddels bijna twee jaar gelukkig met haar nieuwe partner en zij willen samen hun toekomst verder opbouwen.

De moeder wil met [minderjarige] intrekken in de koopwoning van haar nieuwe partner in [plaats 1] . [minderjarige] en de moeder verblijven daar in de weekenden en zij zijn daar inmiddels geïntegreerd. Inmiddels hebben de moeder en haar nieuwe partner bij de notaris een samenlevingscontract opgesteld dat zal worden getekend zodra de moeder met [minderjarige] naar [plaats 1] mag verhuizen. Ook heeft de moeder een baan gevonden in [plaats 1] en om haar uren te kunnen uitbreiden is het noodzakelijk dat zij naar [plaats 1] verhuist.

De rechtbank oordeelde dat de situatie kwetsbaar was en dat als de relatie van de moeder zou stranden zij geen financiële middelen zou hebben met alle onzekerheid van dien. Dat is nu anders. De moeder heeft een inkomen en als de relatie zou stranden heeft zij op basis van het samenlevingscontract recht om nog een periode samen met [minderjarige] in de woning te blijven. Bovendien heeft de moeder inmiddels haar rijbewijs gehaald en beschikt zij over een auto.

Zij is voor het vervoer van [minderjarige] in het kader van het contact tussen [minderjarige] en de vader dus niet langer afhankelijk van haar nieuwe partner. Bovendien zal zij de kosten die hieraan verbonden zijn dragen.
Ten aanzien van het contact tussen de vader en [minderjarige] heeft de moeder opgemerkt dat er het nodige is gebeurd en dat er (vooralsnog) geen regeling tot stand gekomen. Er hebben acht begeleide bezoeken plaatsgevonden via [instelling] , maar [instelling] heeft recentelijk aangegeven de begeleiding te stoppen. [instelling] heeft overplaatsing geadviseerd naar een instantie die naast de begeleiding van het contact tussen de vader en [minderjarige] , - die volgens [instelling] zouden moeten worden teruggeschroefd naar een bezoek per maand van vier uur- , ook hulp aan de vader zelf kan bieden. [instelling] heeft zorgen geuit over het drugsgebruik van de vader en zijn mentale gesteldheid.
Volgens de moeder dient op grond van al het bovenstaande alsnog vervangende toestemming voor een verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 1] te worden verleend en dus ook vervangende toestemming voor de inschrijving op de school in [plaats 1] . De door de moeder voorgestelde school sluit goed aan bij [minderjarige] en de moeder is ervan overtuigd dat [minderjarige] zich daar goed kan ontwikkelen.

3.7.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

De vader is het met de rechtbank eens dat (nog) niet kan worden gesproken van een bestendige relatie, temeer nu de moeder en haar nieuwe partner elkaar slechts in de weekenden en in de vakanties zien. Bovendien heeft de moeder een tijdelijk arbeidscontract. De vader vindt dat de situatie van de moeder onvoldoende waarborgen biedt en hij vindt het te vroeg om [minderjarige] bloot te stellen aan nieuwe ingrijpende wijzigingen in haar leven, waarbij de risico’s groot zijn. Bovendien is er voor de moeder geen noodzaak om te gaan samenwonen in [plaats 1] . De nieuwe partner kan ook in de regio [plaats 2] komen wonen. Haar belang om te gaan samenwonen met haar nieuwe partner in [plaats 1] is ondergeschikt aan het belang van de vader en [minderjarige] om (intensief) contact met elkaar te hebben. [minderjarige] heeft tijdens het onderzoek van de raad in het kader van de zorgregeling (rapport 22 december 2017) aangegeven graag meer contact met de vader te hebben en de raad heeft aangegeven dat [minderjarige] geen belang heeft bij een verhuizing en heeft aangegeven aanvullend onderzoek te willen doen. De vrouw wenst nu tegen het advies van de raad in te verhuizen.

Het is de man niet duidelijk waarom de begeleide omgang bij [instelling] is gestopt. Hij heeft geen bericht ontvangen over de reden hiervan.

De moeder geeft zich geen rekenschap van de belangen van [minderjarige] en de vader vreest dat hij na een verhuizing van de moeder met [minderjarige] naar [plaats 1] uit het leven van [minderjarige] wordt geduwd. Dat geldt temeer nu partijen niet goed in staat zijn om te communiceren en te overleggen en nu de vader niet betrokken is bij school.

Bovendien is [minderjarige] geworteld in [plaats 2] en het feit dat de moeder inmiddels contacten heeft opgebouwd in [plaats 1] doet er niet aan af dat [minderjarige] haar contacten heeft in [plaats 2] . Ook vindt de vader het belangrijk dat [minderjarige] bij haar halfzus op school blijft zitten. Ook zijn er extra kosten verbonden aan de omgang na een verhuizing naar [plaats 1] .

Ook als het hof vervangende toestemming zou verlenen voor een verhuizing is de vader niet akkoord met inschrijving van [minderjarige] op de [school] . De moeder heeft de man niet in keuze betrokken en zij voorziet hem niet van de nodige informatie over [minderjarige] .

3.8.

De raad heeft in de brief van 26 oktober 2018 aangegeven dat er geen nadere rapportages zijn gemaakt dan het rapport van 22 december 2017. De raad vond het moeilijk om ter zitting een advies te geven en heeft (opnieuw) aangeboden om een aanvullend

onderzoek te doen naar de verhuizing en het contact met de vader, zodat een afgewogen standpunt kan worden ingenomen. Daarbij heeft de raad nog opgemerkt dat er voor [minderjarige] geen noodzaak bestaat om te verhuizen. Als het contact met de vader moet worden opgebouwd is een regeling waarbij er kort maar frequent contact is prettiger en dan is het

lastig als de moeder gaat verhuizen.

3.9.

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen ouders geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechter voorleggen. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van [minderjarige] van [plaats 2] naar [plaats 1] toestemming van de vader behoeft. Nu de ouders het hierover niet eens zijn, dient de rechter hierover een beslissing te nemen. De rechter neemt een zodanige beslissing die hem in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter bij zijn beslissing in dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.

3.10.

Het hof is van oordeel dat het belang van de moeder om met [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen (inmiddels) zwaarder weegt dan het belang van de vader bij niet verhuizen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

De situatie is gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de beslissing van de rechtbank. Naar het oordeel van het hof is er in ieder geval nu wel sprake van een bestendige relatie tussen de moeder en de nieuwe partner. De relatie duurt inmiddels bijna twee jaar en heeft stand gehouden ondanks het op en neer reizen. Bovendien is de moeder niet langer (geheel) afhankelijk van de partner. De moeder heeft werk gevonden in [plaats 1] en inmiddels hebben de moeder en haar partner een samenlevingscontract bij de notaris op laten stellen, met daarin in ieder geval de afspraak dat, mocht de relatie stranden, de moeder en [minderjarige] nog enige tijd in de woning kunnen blijven wonen. Ook heeft de moeder een rijbewijs gehaald en zij beschikt over een auto. De moeder heeft verder voldoende stabiliteit en (financiële) waarborgen gecreëerd voor haarzelf en [minderjarige] . Ook heeft zij [minderjarige] alvast ingeschreven op de buitenschoolse opvang voor het geval zij mag verhuizen, in verband met de wachtlijst.
Het ligt op de weg van de moeder, die wil verhuizen, om de banden van [minderjarige] met de vader zoveel mogelijk te waarborgen. In dit verband is van belang dat de moeder haar volledige medewerking heeft verleend aan de (begeleide) contactmomenten. Zij heeft [minderjarige] gebracht en gehaald, heeft de kosten voor haar rekening genomen en is bereid dit te blijven doen. Er is echter iets voorgevallen waardoor de omgang is stopgezet. De exacte oorzaak hiervan is onduidelijk gebleven, maar wel duidelijk is dat die oorzaak binnen de invloedsfeer van de vader ligt. Bovendien is de persoonlijke problematiek van de vader aan de orde gesteld door de instantie die de omgang begeleidde.
Verder heeft de moeder verklaard ook de familie van vaderszijde te zullen blijven bezoeken en zij heeft onweersproken gesteld dat halfzusje [halfzusje] weliswaar nu (nog twee jaar) bij [minderjarige] op school zit, maar dat zij elkaar eigenlijk niet zien vanwege verschillende lestijden. Buiten school hebben zij ook geen contact.

Het hof constateert dat de moeder veel stappen heeft gezet om de mogelijke negatieve gevolgen zo goed mogelijk weg te nemen en dat de verhuizing in zoverre voldoende is doordacht. Nu de verhuizing niet afdoet aan de omgangsmogelijkheden van de vader (en aan het contact met zijn familie), moet de moeder de kans krijgen om haar leven verder vorm te geven met haar nieuwe partner in [plaats 1] . Het hof acht dit bovendien een goed moment,

omdat [minderjarige] na de zomervakantie de overstap gaat maken naar groep 3. Ook de vader heeft aangekaart dat, mocht er toch vervangende toestemming worden verleend, de overstap het beste voorafgaand aan het volgende schooljaar kan worden gemaakt.

Het hof zal de moeder derhalve vervangende toestemming voor een verhuizing naar [plaats 1] verlenen. Daarbij merkt het hof wel nog op dat ter zitting is gebleken dat de communicatie tussen partijen verbeterd dient te worden. De vader voelt zich buitengesloten en de moeder dient de vader (beter) te informeren over en te betrekken bij de te nemen beslissingen voor [minderjarige] .

Voor wat betreft de inschrijving op de door de moeder verzochte school, geldt dat de moeder gemotiveerd heeft aangegeven waarom zij de school in het belang van [minderjarige] acht. De vader heeft daar concreet niets tegen ingebracht anders dan dat de moeder de vader in de schoolkeuze had moeten betrekken. Ook het verzoek om inschrijving op de verzochte school zal derhalve worden toegewezen.

3.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking wordt vernietigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en dat opnieuw rechtdoende aan de moeder alsnog vervangende toestemming zal worden verleend voor een verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 1] en de inschrijving op de door de moeder verzochte school.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 10 augustus 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verleent toestemming aan de moeder - welke toestemming die van de vader vervangt – voor de verhuizing van haar en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2013 (hierna: [minderjarige] ) naar [plaats 1] ;

verleent toestemming aan de moeder - welke toestemming die van de vader vervangt – om [minderjarige] met ingang van het schooljaar 2019-2020 in te schrijven op de [school] te [plaats 1] ;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, M.J. van Laarhoven en K.A. Boshouwers en is op 25 juli 2019 uitgesproken in het openbaar door mr. M.J. van Laarhoven in tegenwoordigheid van de griffier.