Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2791

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
200.223.375_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:6216
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

recht op langere verzekeringsuitkering vanwege wettelijke verhoging AOW-leeftijd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0977
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.223.375/01

arrest van 23 juli 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam,

tegen

Loyalis Schade N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Loyalis,

advocaat: mr. E.Ph. Roelofs te Heerlen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 oktober 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 5489369 CV EXPL 16-9717 gewezen vonnis van 28 juni 2017.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 9 oktober 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;

  • -

    het pleidooi van 13 mei 2019, waarbij partij [appellante] pleitnotities heeft overgelegd;

  • -

    de bij brief van 8 mei 2019 door Loyalis toegezonden productie, die aan het procesdossier is toegevoegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In r.o. 2.1. tot en met 2.8. heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met de grieven 1 tot en met 4 bestrijdt [appellante] deze vaststelling. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

a. a) [appellante] is geboren op [geboortedatum] 1954. Zij is werkzaam geweest als ambtenaar bij de gemeente Amsterdam Stadsdeel Oost.

b) Op 10 september 2012 is [appellante] wegens ziekte uitgevallen. Vanaf 8 september 2014 is aan haar een WIA-uitkering (meer in het bijzonder: een loongerelateerde WGA-uitkering) toegekend door het UWV. In aanvulling op de WIA-uitkering ontvangt [appellante] een arbeidsongeschiktheidspensioen (AAOP) van het ABP.

c) [appellante] heeft daarnaast nog een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering (IPAP) afgesloten bij het ABP. Deze verzekering is door Loyalis als verzekeraar overgenomen.

d) Artikel 3 lid 1 van de polisvoorwaarden (versie januari 2007, productie 1 bij dagvaarding, hierna: de oude polisvoorwaarden) luidt, voor zover relevant, als volgt:

Artikel 3 Einde van de uitkering

1. De uitkering eindigt (onverminderd het elders in de voorwaarden bepaalde):

a. op de eerste dag van de maand waarin verzekerde de 65-jarige leeftijd bereikt;”

Artikel 8 van de oude polisvoorwaarden luidt, voor zover relevant:

“Artikel 8 Aanvang, duur en einde van de verzekeringsovereenkomst

3. Einde van de verzekeringsovereenkomst.

(…)

c. De verzekeringsovereenkomst eindigt automatisch:

(…)

2º op de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de 65-jarige leeftijd bereikt.”

e) De hoogte van de verschuldigde verzekeringspremie is berekend uitgaande van onder meer de einddatum op 65-jarige leeftijd. [appellante] heeft die premie steeds betaald.

f) Artikel 17 van de oude polivoorwaarden luidt, voor zover relevant:

“Artikel 17 Herziening van tarieven en/of voorwaarden

De maatschappij [hof: Loyalis] heeft het recht het tarief en/of de voorwaarden van bepaalde groepen van de bij haar lopende verzekeringen en bloc te wijzigen. (…)”

g) Op 1 januari 2013 is de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd in werking getreden, waardoor de AOW-pensioengerechtigde leeftijd vanaf 1 januari 2013 stapsgewijs verhoogd wordt totdat die in 2021 67 jaar is. Voor [appellante] betekent dit (op grond van de nu geldende regels) dat zij pas bij het bereiken van de 67-jarige leeftijd (in mei 2021) recht op AOW-pensioen zal krijgen.

h) De einddatum van de uitkering die Loyalis op grond van de IPAP verstrekt bij voortdurende arbeidsongeschiktheid van [appellante] , zal 1 mei 2019 zijn. Er ontstaat voor [appellante] dan ook een “gat” van twee jaar.

i. i) Een brief van 13 december 2013 van Loyalis aan [appellante] (prod. 2 bij inleidende dagvaarding) luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Geachte mevrouw [appellante] ,

(…)

Daarom heeft het kabinet besloten dat de AOW-leeftijd stapsgewijs omhoog gaat naar 67 jaar (…).

U krijgt dus, afhankelijk van uw geboortedatum, niet meteen op uw 65ste een AOW-uitkering.

Goed verzekerd tot uw AOW-leeftijd

U hebt bij Loyalis een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten die u beschermt tegen inkomensverlies als u niet meer kunt werken. Deze verzekering loopt nu tot uw 65ste. Wij vinden het belangrijk dat onze klanten goed verzekerd blijven tot hun AOW leeftijd. Daarom verlengen wij vanaf 1 januari 2014 de arbeidsongeschiktheidsverzekering tot de AOW-leeftijd. Omdat deze aanvullende uitkering langer doorloopt, passen wij op 1 januari 2014 ook de premie aan.

Wat verandert er voor u?

- Op 1 januari 2014 gaat uw premie van 0,72% naar 0,79% van uw verzekerd inkomen. Natuurlijk houden wij rekening met de eventuele korting die met uw (voormalige) werkgever is afgesproken.

- U hebt zich bij Loyalis ziek gemeld. Als u herstelt en vier weken aaneengesloten werkt, dan loopt uw arbeidsongeschiktheidsverzekering vanaf 1 januari 2014 door tot uw AOW-leeftijd.

- Leidt uw huidige ziekte na 1 januari 2014 tot een arbeidsongeschiktheidsuitkering, dan krijgt u deze uitkering tot 65 jaar. Zodra uw uitkering ingaat, krijgt u de betaalde premieverhoging van ons terug.

(…)”

j) [appellante] heeft in de periode januari 2014 tot en met september 2014 de premieverhoging (van 0,72% naar 0,79% van haar verzekerd inkomen) betaald. Het daarmee gemoeide bedrag van in totaal € 32,04, heeft Loyalis op 27 oktober 2014 (zoals aangekondigd in de brief van 13 december 2013) aan [appellante] terugbetaald. Overigens heeft [appellante] dit niet geaccepteerd en het bedrag aan Loyalis terugbetaald. Daarna is het bedrag nogmaals over en weer overgemaakt.

6.2.

In de onderhavige procedure vordert [appellante] een verklaring voor recht dat zij recht heeft op de verlengde uitkeringsduur van de door haar bij Loyalis afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering, te weten van haar 65e levensjaar tot haar 67e levensjaar, mits op dat moment ook aan de overige voorwaarden voor uitkering krachtens de verzekering is voldaan.

Mede op basis van de bevestiging van beide partijen tijdens het pleidooi in hoger beroep, begrijpt het hof dit als volgt. Met “tot haar 67e levensjaar” bedoelt [appellante] “totdat zij 67 jaar wordt”.

6.3.

Aan deze vordering heeft [appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Primair stelt zij dat de oude polisvoorwaarden zo uitgelegd dienen te worden dat zij recht heeft op een uitkering tot aan haar AOW-leeftijd (67 jaar). Subsidiair stelt [appellante] dat zij ook onder de door Loyalis geïntroduceerde nieuwe polisvoorwaarden (hierna: de nieuwe polisvoorwaarden) recht heeft op een uitkering onder de verzekering totdat zij 67 jaar wordt.

6.4.

Loyalis heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.5.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Loyalis heeft van haar bevoegdheid uit artikel 17 van de oude polisvoorwaarden gebruik gemaakt ten aanzien van een deel van haar verzekerden. De voorwaarde voor verlenging van de IPAP-uitkering (dat de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid die leidt tot een WIA-uitkering pas ligt op of 1 januari 2014) komt enigszins arbitrair voor. Maar er is naar het oordeel van de kantonrechter geen rechtsregel die het Loyalis verbiedt om die voorwaarde te stellen. Loyalis heeft met [appellante] afgesproken dat zolang zij een WIA-uitkering zou ontvangen, Loyalis als aanvulling daarop een IPAP-uitkering zou verstrekken tot aan

de maand waarin [appellante] 65 jaar zou worden. Daar is ook de premie op gebaseerd. Aan die afspraak is niets veranderd. Wat gewijzigd is, is het moment waarop [appellante] AOW-pensioengerechtigd wordt. Dat is het gevolg van een wetswijziging. Die wetswijziging verplicht Loyalis niet om langer uit te keren dan zij met [appellante] heeft afgesproken en ook verder is niet gebleken van een dergelijke verplichting.

6.6.

[appellante] heeft in hoger beroep 8 grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vordering.

6.7.

Loyalis heeft in hoger beroep geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het hoger beroep van [appellante] en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

6.8.

De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

6.9.

Zoals [appellante] tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet zij als de kern van de zaak dat uit de verzekeringsovereenkomst (oude polisvoorwaarden) volgt dat Loyalis dient uit te keren tot de (gewijzigde) AOW-leeftijd van [appellante] . [appellante] baseert dit op uitleg (volgens de Haviltex-maatstaf) van artikel 3 van de oude polisvoorwaarden. Zij stelt dat een zuiver taalkundige uitleg er toe zou leiden dat zij tussen haar 65e en 67e jaar alsnog met een fors inkomensverlies te maken krijgt, omdat de aanvulling op haar WIA-uitkering dan ontbreekt. Er dient volgens [appellante] dus doorslaggevende betekenis toe te komen aan de strekking van de verzekering. Die houdt in dat inkomensverlies bij arbeidsongeschiktheid wordt opgevangen door middel van een aanvulling op de WIA-uitkering, welke aanvulling tot de AOW-leeftijd doorloopt, aldus nog steeds [appellante] . Daarnaast doet [appellante] een beroep op de zogenaamde uitleg contra proferentem (zie hierna in 6.11. en 6.13.).

6.10.

Loyalis voert het volgende aan. Ook [appellante] is kennelijk van mening dat de tekst van de polisvoorwaarden op dit punt duidelijk is (zij doet alleen een beroep op de strekking van de bepaling). Dit brengt volgens Loyalis mee dat de theorie op het punt van “onduidelijke voorwaarden” niet relevant is. Verder brengt Loyalis naar voren dat de door [appellante] gevolgde uitleg onjuist en onredelijk is en zou leiden tot een veel te groot risico voor Loyalis. [appellante] kon en mocht er niet van uit gaan dat Loyalis tegen een vaste premie een ongelimiteerd risico heeft willen nemen. Loyalis wijst er in dat verband op dat de premie samenhing met de berekende kansen op arbeidsongeschiktheid, gekoppeld aan de verwachte duur van een eventuele uitkering. De documentatie waar [appellante] naar verwijst dateert uit 2010. Eventuele verwachtingen van [appellante] over de uitleg van de polis van 2007 zijn volgens Loyalis alleen relevant voor zover zij voordien zijn ontstaan. Dit is dus niet het geval bij genoemde documentatie uit 2010.

6.11.

Het hof overweegt als volgt over de toepasselijke maatstaf.

De betekenis van een omstreden beding moet door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en hebben afgeleid uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, en van hetgeen zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex maatstaf).

Verder geldt ten aanzien van algemene voorwaarden die van toepassing zijn op een overeenkomst met een consument, dat de bedingen duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. Bij twijfel over de betekenis van een beding prevaleert de voor de consument gunstigste uitleg (artikel 6:238 lid 2 BW, uitleg contra proferentem).

6.12.1.

Zoals ook uit het voorgaande in r.o. 6.9. en 6.10. volgt, is tussen partijen niet in geschil dat de tekst van artikel 3 van de oude polisvoorwaarden als zodanig duidelijk is. De letterlijke tekst houdt in dat de IPAP-uitkering eindigt in de maand dat [appellante] 65 jaar wordt. Gelet op de toepasselijke Haviltex maatstaf betekent dit echter niet zonder meer dat die letterlijke tekst doorslaggevend is voor de betekenis van het beding in de verhouding tussen [appellante] en Loyalis.

Bij de beoordeling van de betekenis dienen alle omstandigheden van het geval te worden betrokken.

6.12.2.

Het hof constateert dat niet alleen in artikel 3 maar ook in artikel 8 van de oude polisvoorwaarden èn op het aan [appellante] verstrekte certificaat (prod. 1 bij inl. dagvaarding) de genoemde, duidelijke tekst is opgenomen.

6.12.3.

De door Loyalis in haar betwisting aangevoerde argumentatie die erop gericht is dat de letterlijke en op zichzelf duidelijke betekenis van de tekst ook de tussen partijen geldende betekenis is, is onderbouwd en plausibel. Zo ligt het niet voor de hand dat Loyalis bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst heeft bedoeld toekomstige verhogingen van de AOW-leeftijd tegen een daar niet op afgestemde premie voor haar rekening te nemen.

6.12.4.

Tegen de achtergrond van het voorgaande had het op de weg van [appellante] gelegen concrete feiten en omstandigheden te stellen, op grond waarvan zij gerechtvaardigd mocht verwachten dat het beding moet worden uitgelegd op de manier die zij voorstaat. Dit heeft zij onvoldoende gedaan.

Het enkele gegeven dat het doel van de verzekering is om inkomensverlies bij arbeidsongeschiktheid op te vangen door middel van een aanvulling op de WIA-uitkering, is daartoe niet voldoende. Uit de stellingen van [appellante] blijkt niet dat die strekking ook inhield dat indien de wettelijke AOW-leeftijd hoger zou worden dan 65 jaar, de aanvulling ook pas op die latere leeftijd zou eindigen in plaats van op het expliciet genoemde eindmoment (de maand waarin [appellante] 65 jaar wordt).

Er is ook geen sprake van het door [appellante] gestelde algemeen spraakgebruik ten tijde van het opstellen van de oude polisvoorwaarden, waarbij het begrip “65-jarige leeftijd” de AOW-leeftijd werd genoemd.

Uit de door [appellante] aangehaalde brochure uit 2010 (memorie van grieven 4.4 en 4.5 en prod. C bij die memorie) blijkt ook niet dat de in het beding genoemde leeftijd van beëindiging van 65 jaar door Loyalis zou worden verhoogd, indien de AOW-leeftijd omhoog zou gaan. In de brochure wordt zelfs niet gesproken over de AOW-leeftijd en over beëindiging van de IPAP uitkering. Ook uit de aangehaalde tekst op de laatste bladzijde van de oude polisvoorwaarden (memorie van grieven 4.6) blijkt niet dat die voorwaarden moeten worden uitgelegd zoals door [appellante] gesteld. Daartoe is de tekst te algemeen (“inkomenszekerheid”, “sluiten aan op uw collectieve pensioenregeling”).

Ook overigens stelt [appellante] geen concrete verklaringen of gedragingen van Loyalis op grond waarvan [appellante] mocht verwachten dat met “de 65-jarige leeftijd” werd bedoeld: de op enig moment geldende hogere AOW-leeftijd.

Zonder nadere toelichting, die [appellante] niet heeft gegeven, is verder onvoldoende duidelijk waarom de door haar gestelde verwachting zou kunnen worden afgeleid uit het enkele feit dat verzekerden niet de mogelijkheid hadden zelf een eindleeftijd te kiezen.

6.13.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat artikel 3 van de oude polisvoorwaarden (net als artikel 8 en het certificaat) aldus moet worden uitgelegd dat de IPAP-uitkering van [appellante] eindigt in de maand waarin zij 65 jaar wordt (ongeacht de hoogte van de AOW-leeftijd). Aan bewijslevering op dit punt wordt niet toegekomen.

Uit het bovenstaande volgt verder dat van de in artikel 6:238 lid 2 BW bedoelde twijfel over de betekenis van deze bedingen geen sprake is. Een uitleg contra proferentem is hier dan ook niet aan de orde.

6.14.

Ten tijde van het pleidooi in hoger beroep heeft [appellante] nog gesteld dat Loyalis in verband met de al langer op handen zijnde wijziging van de AOW-leeftijd eerder bepaalde passende maatregelen had dienen te treffen. Voor zover [appellante] hiermee heeft beoogd een beroep te doen op schending van een zorgplicht door Loyalis, heeft [appellante] dit te laat gedaan vanwege de in hoger beroep geldende twee-conclusie regel.

6.15.

In haar subsidiaire betoog stelt [appellante] dat de wijze waarop Loyalis haar polisvoorwaarden nu “en bloc” heeft proberen te wijzigen, niet mogelijk is vanwege strijd met artikel 17 van de oude polisvoorwaarden. [appellante] betoogt dat Loyalis de polisvoorwaarden slechts voor groepen van verzekeringen mocht aanpassen, niet voor groepen van verzekerden. Het stond Loyalis dan ook niet vrij een onderscheid te maken tussen verzekerden die op 1 januari 2014 al ziek waren en anderen, zoals Loyalis nu heeft gedaan. Volgens [appellante] betekent dit dat zij op basis van de “en bloc” wijziging recht heeft op een IPAP-uitkering totdat zij 67 jaar wordt. Hiertoe verwijst zij naar (de uitleg van) artikel 7 van de nieuwe polisvoorwaarden.

6.16.

Loyalis brengt naar voren dat [appellante] geen belang heeft bij behandeling van haar grieven in verband met haar subsidiaire standpunt. Ook als Loyalis bij de bedoelde wijziging in strijd zou hebben gehandeld met de oude polisvoorwaarden, leidt dit er niet toe dat de nieuwe polisvoorwaarden van toepassing zijn op de verzekering van [appellante] . Daarnaast betwist Loyalis dat het haar niet vrij stond om de hier besproken wijziging van de polisvoorwaarden in te voeren.

6.17.

Het hof oordeelt als volgt.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen (r.o. 4.3.), heeft Loyalis niet de tussen haar en [appellante] geldende afspraken en voorwaarden gewijzigd. [appellante] stelt ook zelf dat voor verzekerden zoals [appellante] (die op 1 januari 2014 al ziek waren) de oude polisvoorwaarden zouden blijven gelden. Het is de wettelijk bepaalde AOW-leeftijd die is veranderd.

Dit is voor Loyalis reden geweest om met verzekerden in een andere situatie dan [appellante] de nieuwe polisvoorwaarden overeen te komen. Ook indien deze handelwijze niet in overeenstemming zou zijn met de tussen Loyalis en [appellante] geldende oude polisvoorwaarden, dan heeft dit als zodanig niet tot gevolg dat de nieuwe polisvoorwaarden óók ten opzichte van [appellante] gaan gelden. Als onvoldoende betwist staat verder vast dat Loyalis [appellante] niet heeft aangeboden om in hun onderlinge verhouding de nieuwe polisvoorwaarden overeen te komen. [appellante] heeft ook overigens niets gesteld dat kan leiden tot het oordeel dat indien de handelwijze van Loyalis in strijd zou zijn met artikel 17 van de oude polisvoorwaarden, de nieuwe polisvoorwaarden alsnog voor [appellante] zouden gaan gelden.

Het voorgaande betekent dat ook het subsidiaire betoog van [appellante] niet kan slagen. Haar andere stellingen (onder meer over de inhoud van de nieuwe polisvoorwaarden) hoeven dan ook niet verder inhoudelijk te worden behandeld.

6.18.

Uit al het bovenstaande volgt dat de grieven van [appellante] falen of niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal dan ook worden bekrachtigd.

6.19.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Limburg van 28 juni 2017;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van Loyalis in het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Loyalis op € 716,-- aan griffierecht en op € 3222,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, E.H. Schulten en J.M.W. Werker en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 juli 2019.

griffier rolraadsheer