Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2776

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
09-12-2019
Zaaknummer
200.260.723_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 355 Fw: De rechtbank heeft ter zitting in eerste aanleg aan appellant niet medegedeeld op welke datum vonnis zal worden gewezen. Appellant heeft de beroepstermijn slechts één dag overschreden, hetgeen het hof onder die omstandigheden verschoonbaar acht.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 355
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 18 juli 2019

Zaaknummer : 200.260.723/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/16/340 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. R.M.M. Menting te Venlo .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 28 mei 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 juni 2019, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en de schuldsaneringsregeling te verlengen met één jaar, of een termijn die hethof geraden acht.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Menting.

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 25 april 2019;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 19 juni 2019;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 3 juli 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 9 mei 2016 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellante] geen “schone lei” is verleend.

De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

3.3.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

“2.5. De rechtbank stelt vast dat de schuldenaar stelselmatig en óók na haar vonnis van

8 januari 2019 niet heeft voldaan aan al haar verplichtingen voortvloeiende uit de

schuldsaneringsregeling. De rechtbank merkt op dat het belang van de nakoming van de

verplichtingen na alle zittingen duidelijk had moeten zijn voor de schuldenaar. Temeer nu

de schuldenaar ter zitting duidelijke toezeggingen heeft gedaan er alles op te willen zetten

om de verplichtingen wél na te komen. De rechtbank rekent het de schuldenaar zwaar aan

dat zij tot de dag van vandaag de bewindvoerder nog steeds niet heeft geïnformeerd. Zo

ontbreekt informatie over de ontslagvergoeding alsook de loonstroken, bankoverzichten,

gegevens met betrekking tot de vaste lasten en werd er niets meer afgedragen aan de boedel.

In totaal bedraagt de boedelachterstand € 8.849,12. Dit bedrag is inclusief de ontslag-

vergoeding van € 5.485,20 dat de schuldenaar aan de boedel heeft onttrokken. Nu er veel

informatie ontbreekt, is het onduidelijk of sprake is van nieuwe schulden. Tot slot moet de

rechtbank vaststellen dat de schuldenaar niet heeft voldaan aan haar aanvullende sollicitatie- en arbeidsplicht.”

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

[appellante] erkent dat er sedert augustus 2017 geen boedelafdrachten meer hebben plaatsgevonden. Tot en met maart 2018 was het inkomen uit WW-uitkering echter lager dan het vrij te laten bedrag dat door de WSNP-bewindvoerder was berekend, waardoor er geen mogelijkheid bestond tot boedelafdracht en er ook geen plicht bestond tot boedelafdracht. Vanaf april 2018 ontvangt [appellante] maandelijks een raadsvergoeding voor haar werkzaamheden als gemeenteraadslid van de gemeente [gemeente] . Deze vergoeding is hoger dan het door de WSNP-bewindvoerder berekende vrij te laten bedrag, zodat [appellante] vanaf dat moment was gehouden tot het doen van boedelafdrachten.

3.4.1.

Sedert maart 2018 hebben zich echter persoonlijke omstandigheden voorgedaan, waardoor [appellante] niet in staat is geweest om haar verplichtingen te voldoen. In maart 2018 is een dierbare vriendin van [appellante] vermist geraakt. Na een dagenlange zoektocht van [appellante]

werd de vriendin van [appellante] door de brandweer aangetroffen in het water in [plaats] . Zij

bleek met haar fiets te water te zijn geraakt en te zijn verdronken. Voormelde gebeurtenis

heeft een enorme impact op [appellante] gehad, waardoor er zich bij haar een diversiteit aan

psychische klachten heeft ontwikkeld met verstrekkende gevolgen van verscheidene aard.

Zo heeft [appellante] gedurende langere tijd in een sociaal isolement verkeerd. Het was voor

haar in dat stadium nog niet mogelijk om de klachten te erkennen, laat staan hier

professionele hulp voor te zoeken.

De psychische klachten waar [appellante] onder te lijden heeft bestaan uit een diepgewortelde

depressie, waardoor het voor [appellante] thans onmogelijk is om de somberheid en het verdriet

dat ze voelt niet haar algehele gemoedstoestand over te laten nemen. Het is voor haar een

grote schok geweest dat haar dierbare vriendin op een dergelijke tragische wijze de dood

moest vinden. Gevoelens van onmacht, radeloosheid, verdriet en onbegrip zijn voortdurend

in haar hoofd aanwezig. Hierdoor is het voor [appellante] langere tijd, en soms nog steeds,

onmogelijk geweest om als een normaal persoon binnen deze maatschappij te functioneren.

[appellante] heeft de tragische dood van haar vriendin tot op heden dan ook nog niet verwerkt.

Inmiddels is het besef bij [appellante] aanwezig dat het zo niet meer verder kan. In dit kader

heeft zij dan ook reeds enkele weken geleden hulp gezocht bij de huisarts. Hier werd zij

doorverwezen naar de praktijkondersteuner die thans doende is om een

hulpverleningstraject voor [appellante] in kaart te brengen en haar de psychische hulp en

ondersteuning te bieden die zij nodig heeft. [appellante] merkt op dat zij gebaat is bij de hulp die

zij tot dusver van de praktijkondersteuner heeft mogen ontvangen. Het helpt haar om de

dingen in het perspectief te zien en de tragische dood van haar vriendin een plek te kunnen

gegeven, doch zij heeft nog een lange weg te gaan. Door de depressieve klachten waar

[appellante] onder te lijden heeft is zij voortdurend vermoeid en is het voor haar onmogelijk om

de gevraagde dingen te kunnen doen. Het is immers voor haar een hele opgave om deel te

nemen aan het arbeidsproces. Desalniettemin is de intentie bij [appellante] om haar leven weer

op de rit te krijgen in meer dan voldoende mate aanwezig. In dit kader hoopt zij dan ook dat

het hof haar nog een mogelijkheid, een laatste kans, wil bieden om aan haar

verplichtingen op de grond van de Faillissementswet te voldoen.

3.4.2.

Met betrekking tot de financiële situatie is reeds opgemerkt dat [appellante] tot april 2018 een WW-uitkering ontving. Sinds april 2018 is [appellante] werkzaam als gemeenteraadslid in de gemeente [gemeente] , waarvoor zij een raadsvergoeding ontvangt ter hoogte van ten minste

€ 1.658,52 bruto per maand, wat gelijk staat aan € 1.584,14 netto. Sinds 1 januari 2019 weet [appellante] dit te combineren met werkzaamheden als postbezorger voor PostNL waarvoor zij een salaris ontvangt van ten minste € 691,95 (thans € 698,87) bruto, wat gelijk staat aan circa € 500,00 netto. Het maandelijks inkomen bedraagt op grond van het voorgaande ten minste een kleine € 2.100,00 netto. In augustus 2018 is [appellante] verhuisd. Zij is toen bij haar vriend in gaan wonen, waardoor op de vaste lasten kon worden bespaard en het vrij te laten bedrag kon worden verlaagd. [appellante] betaalt sinds dat moment € 488,00 per maand aan haar vriend als vergoeding voor de vaste lasten. Deze vergoeding is per januari 2019 verhoogd naar € 563,= in verband met hogere kosten voor nutsvoorzieningen. Het vrij te laten bedrag is laatstelijk in maart 2018 door de WNSP-bewindvoerder berekend, per januari 2018. De gemachtigde van [appellante] heeft ten behoeve van de onderhavige procedure het vrij te laten bedrag berekend per augustus 2018 en per januari 2019. Uit de berekeningen blijkt dat het vrij te laten bedrag per 1 januari 2018 € 1.484,13 bedroeg exclusief € 565,51 te behouden vakantiegeld, per augustus 2018 € 1.349,60 bedroeg exclusief € 615,33 te behouden vakantiegeld en per januari 2019 € 1.428,40 exclusief te behouden vakantiegeld. In de berekeningen over augustus 2018 en januari 2019 is ingevuld dat er geen sprake is van minderjarige kinderen, omdat anders rekening wordt gehouden met een correctie voor kind gebonden budget, hetgeen niet correct zou zijn nu [appellante] geen kind gebonden budget ontvangt.

3.4.3.

Naar aanleiding van de berekeningen van het vrij te laten bedrag is tevens een overzicht opgesteld van het inkomen van [appellante] over de maanden januari 2018 tot en met mei 2019. Uit dit overzicht blijkt dat [appellante] in deze periode in totaal circa € 8.150,26 had moeten afdragen aan de boedel, aldus [appellante] . Het vakantiegeld dat in mei 2018 is ontvangen van het UWV wordt niet meegeteld, nu dit valt binnen het bedrag te behouden vakantiegeld. Het overzicht is opgesteld aan de hand van een overzicht van de bij- en afschrijvingen van de rekening van [appellante] . [appellante] stelt zich op het standpunt dat de huidige boedelachterstand binnen 12 maanden volledig door haar kan worden ingelost. Uit het overzicht blijkt dat [appellante] uitgaande van het voor haar geldende vrij te laten bedrag maandelijks ten minste € 700,00 van haar loon kan inlossen op de boedelachterstand. Dit bedrag is de afgelopen maanden bovendien steeds gestegen. De verwachting is dan ook dat [appellante] binnen 12 maanden tussen € 8.400,00 en € 10.000,00 aan de boedel kan afdragen en daarmee (meer dan) de volledige achterstand kan inlossen. [appellante] heeft de rechtbank reeds in januari 2019 om die reden verzocht om de duur van de schuldsaneringsregeling te verlengen. De rechtbank heeft op dit verzoek echter niet beslist. Beëindiging zonder schone lei heeft immers aanzienlijke gevolgen voor [appellante] , nu zij in dat geval gedurende tien jaren geen beroep meer zal kunnen doen op de schuldsaneringsregeling. [appellante] heeft inmiddels hulp voor haar psychische klachten en wenst ook haar financiële situatie weer volledig op de rit te krijgen.

[appellante] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante] niet heeft voldaan aan haar sollicitatie en arbeidsplicht. Sinds maart 2018 is [appellante] werkzaam als gemeenteraadslid, welke werkzaamheden circa 25 tot 30 uur in beslag nemen. Zij verdient hiermee een redelijk salaris. [appellante] heeft daarnaast gezocht naar aanvullend werk dat zij met haar werk als gemeenteraadslid kon combineren. Met ingang van 1 januari 2019 is zij dan ook aangevangen als pakketbezorger voor ten minste 16 uur per week. [appellante] werkt daarmee in totaal meer dan 40 uren per week en ontvangt een zeer riant netto salaris.

Tot slot merkt [appellante] op dat zij nimmer een ontslagvergoeding heeft ontvangen, zodat de

rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij een ontslagvergoeding aan de boedel zou

hebben onttrokken. Aan [appellante] is een scholingsbudget toegekend welk budget door

[appellante] louter kon worden aangewend voor scholing. Van een ontslag- of

beëindigingsvergoeding is geen sprake geweest, aldus [appellante] .

3.5.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

Op 5 juni 2019 is het beroepschrift gefaxt naar het gerechtshof. Aangezien het beroepschrift vanwege het aantal producties niet compleet was ontvangen is het beroepschrift op 6 juni 2019 nogmaals gefaxt. Volgens [appellante] heeft zij het vonnis op 31 mei 2019 ontvangen en heeft zij vervolgens meteen contact opgenomen met de advocaat.

Een verlenging van de schuldsaneringsregeling is het laatste redmiddel voor [appellante] . Haar huidige partner wil financieel bijdragen, zodat de achterstand kan worden ingelopen. [appellante] heeft nu een goed inkomen uit werkzaamheden als gemeenteraadslid en Post.nl. Ze is in staat om maandelijks € 800,-- af te dragen aan de boedel. Als de schuldsaneringsregeling wordt verlengd zal er een hoger bedrag worden gegenereerd ten behoeve van de schuldsaneringsregeling.

[appellante] heeft erkend dat ze een psychisch probleem heeft en ze heeft daarvoor hulp gezocht.

De eerste anderhalf jaar van de schuldsaneringsregeling is zonder problemen verlopen. Ook de partner is nu op de hoogte van de psychische problemen van [appellante] . Dat is een stimulans om alles op te lossen.

Het raadslidmaatschap heeft [appellante] voortgezet na het overlijden van haar vriendin. Een raadsvergadering bijwonen is voor [appellante] niet zo moeilijk, maar dossierbestudering en informatie uitzoeken voor de bewindvoerder is wat anders. [appellante] staat nu onder behandeling van de praktijkondersteuner van haar huisarts. De praktijkondersteuner is een psycholoog van GGZ. [appellante] kan geen verklaring voor het feit dat zij sinds augustus 2018 niets meer heeft afgedragen aan de boedel.

De transitievergoeding ad € 5.485,20 is aangewend voor een studie bestuursrecht. Die studie was een goede aanvulling op de carriereswitch van [appellante] . [appellante] is op 1 september 2017 aangevangen met die studie. Haar voormalige werkgever heeft de kosten van het LOI op haar verzoek betaald ten laatste van de transitievergoeding en de eindafrekening. [appellante] erkent dat zij heeft geprobeerd te verhullen dat dit zo heeft plaatsgevonden.

3.6.

De bewindvoerder heeft in haar brief van 19 juni 2019 - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Voorafgaande aan de eindzitting werd allereerst op 29 januari 2018 een verhoor gehouden bij de rechter-commissaris. De eindzitting volgde op 7 juni 2018 omdat appellante zich niet hield aan de tijdens genoemd verhoor gemaakte afspraken. De rechtbank besloot de eindzitting toen 6 maanden aan te houden om appellante in de gelegenheid te stellen duidelijkheid te verkrijgen m.b.t. de transitievergoeding en sollicitaties. Na het verstrijken van de gestelde 6 maanden wordt op 14 november 2018 de dan geldende stand van zaken doorgegeven. Omdat appellante in de tussenliggende periode niets van zich liet horen werd gevraagd het op 29 maart 2018 gedane tussentijds beëindigingsverzoek voort te zetten. De wijzigingen tot 7 juni 2018 werden daarin meegenomen. De voortgezette eindzitting vond plaats op 20 december 2018. Ondanks het feit dat de rechtbank daarbij vaststelde dat appellante niet aan de kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling had voldaan besloot deze haar nog een kans te geven. De schuldsaneringsregeling werd nog tot minimaal de reguliere einddatum - t.w. 9 mei 2019 (het hof begrijpt: 16 mei 2019) - voortgezet. Als dan ten tijde van de reguliere eindzitting blijkt dat appellante wederom niets van zich liet horen is de regeling voorgedragen voor beëindiging (regulier) zonder schone lei.

3.6.1.

Door appellante wordt aangegeven dat zij sedert maart 2018 vanwege persoonlijke omstandigheden de verplichtingen niet meer na kon komen. Appellante voldeed echter ruim voor dit life event niet aan haar verplichtingen. Door appellante is aangegeven dat zij kampt met psychische klachten door het life event dat wordt genoemd onder dit punt. De depressie en op handen zijnde behandelingen wordt overigens niet onderbouwd met enige medische informatie maar dat terzijde. Deze klachten, welke inmiddels ruim 1 jaar spelen, zijn bij ondergetekende tot het moment van het lezen van het verzoekschrift onbekend. Dat n.a.v. deze klachten nu pas actie werd ondernomen - na het beëindigingsverzoek - is wat de bewindvoerder betreft mosterd na de maaltijd. Appellante vermeldt dat zij nu het besef heeft dat het zo niet meer verder kan. Eerder gaf appellante ook al aan dat besef te hebben gekregen. Appellante heeft dan inmiddels hulp gezocht maar het feit dat er weer volledige radiostilte was vanaf de dag van de eindzitting tot heden kan de bewindevoerder er niet van overtuigen dat de informatiestroom nu wel op gang zal komen en appellante verder ook aan haar verplichtingen zal kunnen voldoen bij een eventuele verlenging.

3.6.2.

Dat appellante voornemens is te gaan samenwonen, deelde ze op 22 februari 2018 reeds mee. De bewindvoerder deelde appellante vervolgens mede dat er ten aanzien van het VTLB dan veel zal veranderen en meteen werd vermeld dat voor de juiste berekening van het VTLB ook financiële gegevens van de partner nodig zijn. Desondanks verzuimde appellante de verhuizing überhaupt door te geven en zijn de financiële gegevens van de partner tot nu toe niet overgelegd. Daarom is het tot op heden niet mogelijk de juiste VTLB berekeningen te maken en is het onmogelijk de stand van de boedel te bepalen. De bij het verzoekschrift gevoegde VTLB berekeningen zijn niet correct; appellante wordt daar aangemerkt als alleenstaande zonder kinderen, de inkomsten en uitgaven van de partner blijven daar buiten beschouwing en het “kostgeld" dat appellante aan haar partner betaald wordt opgevoerd als huur. Er moet een VTLB berekening worden gemaakt met status samenwonende (een van de partners niet in de WSNP), de kinderen van sanieten moeten worden vermeld en het inkomen en de vaste lasten (waaronder een hypotheek) van de partner dienen inzichtelijk te worden gemaakt. De in het verzoekschrift bijgevoegd bankoverzicht is niet compleet, de pagina's 22 t/m 61 ontbreken. Nu gesteld kan worden dat er geen VTLB kan worden berekend, kan ook de stand van de boedel niet worden berekend. De boedelachterstand - die tot en met de maand april 2018 reeds € 8.849,12 bedroeg, zal inmiddels veel hoger zijn.

Appellante stelt zich op het standpunt dat ze de boedelachterstand binnen 12 maanden kan inlossen. Gezien het feit dat de stand van de boedelachterstand niet kan worden berekend is het volgens de bewindvoerder onmogelijk in te schatten binnen welke termijn deze kan worden ingelopen. In elk geval heeft appellante tot nu toe geen extra boedelbijdrage gedaan om de “wending ten goede” te laten zien. Zoals uit onder productie 14 bijgevoegd overzicht van de boedelrekening blijkt, werd de laatste boedelbijdrage op 6 juni 2018 ontvangen.

3.6.3.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

Het vonnis waarvan beroep is door de bewindvoerder op 29 mei 2019 ontvangen. [appellante] heeft geen gegevens van haar partner verstrekt. Om die reden kan de boedelachterstand niet exact worden berekend. Uitgaande van de berekening van [appellante] zelf acht de bewindvoerder desgevraagd het zeer waarschijnlijk dat de boedelachterstand in totaal meer dan € 16.000, = bedraagt, omdat de achterstand tot april 2018 in ieder geval moet worden opgeteld bij de door [appellante] zelf berekende achterstand sinds januari 2019.

Als de ontbrekende gegevens bekend zouden zijn dan zou de boedelachterstand nog verder kunnen oplopen. [appellante] heeft in mei 2018 voor het laatst een bedrag van € 511,17 afgedragen aan de boedel, aldus de bewindvoerder.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

De ontvankelijkheid

3.7.1.

Bij vonnis van 28 mei 2019 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellante] op grond van artikel 354 Fw door de rechtbank beëindigd zonder toekenning van de schone lei.

Op grond van het bepaalde in artikel 355 Fw kunnen de schuldeisers en de schuldenaar van het vonnis als bedoeld in artikel 354 Fw gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak in hoger beroep. Dat betekent dat de termijn voor het instellen van hoger beroep expireerde op 5 juni 2019.

Uit de inhoud van het proces-verbaal in eerste aanleg is het hof gebleken dat door de rechtbank geen exacte datum is medegedeeld waarop vonnis zal worden gewezen.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de bewindvoerder nogmaals bevestigd dat zij het bestreden vonnis op 29 mei 2019 heeft ontvangen. Volgens [appellante] heeft zij het vonnis op 31 mei 2019 ontvangen.

Het hof is van oordeel dat, nu de rechtbank ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 25 april 2019 aan [appellante] niet heeft medegedeeld op welke datum vonnis zal worden gewezen, [appellante] redelijkerwijs niet kon weten dat de rechtbank op 28 mei 2019 vonnis heeft gewezen of zou gaan wijzen. Uitgaande van de datum waarop de bewindvoerder het vonnis heeft ontvangen, heeft [appellante] de beroepstermijn met slechts één dag overschreden, hetgeen het hof gelet op het vorenstaande en in het bijzonder uitgaande van een daadwerkelijke ontvangst op – ten vroegste – 29 mei 2019 verschoonbaar acht. [appellante] is derhalve ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep.

De inhoudelijke beoordeling

3.7.2.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.7.3.

Met betrekking tot de door [appellante] ontvangen transitievergoeding van haar toenmalige werkgever [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) van bruto

€ 8.148,-- overweegt het hof het volgende. Bij beëindigings-/vaststellingsovereenkomst d.d. 29 juni 2017 is de hierboven vermelde transitievergoeding tussen [bedrijf] en [appellante] vastgesteld. Uit de door [appellante] overgelegde loonstroken blijkt dat de transitievergoeding op 21 september 2017 aan haar is uitgekeerd via eerder betaalde “voorschotten”. Op het moment dat [bedrijf] de ontslagvergoeding aan [appellante] uitkeerde was op [appellante] de schuldsanering van toepassing en had zij een schuld van € 88.734,--.

Uit een email van 7 juli 2017 blijkt dat bewindvoerder [appellante] had uitgelegd dat de transitievergoeding in de boedel valt en, indien [appellante] van mening was dat zij deze vergoeding zou mogen aanwenden voor scholing, zij een gemotiveerd verzoek moet doen dat vervolgens kan worden voorgelegd aan de rechter-commissaris. Uit deze email blijkt voorts dat de bewindvoerder een inschrijfbewijs van LOI had ontvangen dat [appellante] zich had ingeschreven voor een opleiding waarvan de kosten € 5.712,-- bedragen. De bewindvoerder heeft [appellante] vervolgens verzocht aan te geven hoe zij deze opleiding gaat betalen. Vervolgens heeft de bewindvoerder bij e-mails van onder meer respectievelijk 3 augustus 2017 en 29 augustus 2017 [appellante] herhaaldelijk verzocht om informatie rond de transitievergoeding.

3.7.4.

Uit het voortgangsverslag van 29 november 2017 heeft de bewindvoerder met betrekking tot de transitievergoeding de rechter-commissaris het volgende bericht:

“Bankoverzichten ontbreken vanaf juli 2017. Verder heeft saniet niet meer geïnformeerd m.b.t. de transitievergoeding en reageert zij onvoldoende op vragen van bewindvoerderszijde. Ten aanzien van aangegane verplichtingen van een opleiding via de LOI - die zou worden betaald door de werkgever - en hoe deze in verhouding staat tot de transitievergoeding,. worden gestelde vragen onvoldoende beantwoord. Ter illustratie wordt enige e-mail correspondentie bijgevoegd waaruit de vragen van bewindvoerderszijde en de daarop summiere reacties van saniet blijken - als er al werd gereageerd. Met betrekking tot de transitievergoeding is niets meer vernomen, er is geen bedrag in deze op de boedelrekening ontvangen.”

3.7.5.

Op 29 januari 2018 heeft een verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris plaatsgevonden, omdat er onder meer onduidelijkheid is blijven bestaan over de door [appellante] ontvangen transitievergoeding. Blijkens het proces-verbaal heeft de rechter-commissaris daarbij onder meer bepaald dat [appellante] binnen vier weken de ontbrekende gegevens rond de bekostiging van de LOI-opleiding door de voormalige werkgever moet aanleveren en moet [appellante] ervoor zorgen dat de transitievergoeding (ca € 8.000,--) aan de boedel wordt voldaan.

Bij vonnis van 8 januari 2019 is het verzoek van de bewindvoerder van 3 april 2018 afgewezen. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat de schuldsaneringsregeling minimaal voor de reguliere termijn (‘einddatum 9 mei 2019’) zal worden voortgezet, nu ter zitting is gebleken dat [appellante] er eindelijk van lijkt te doordrongen van de gevolgen van haar gedrag en daar nu ook in lijkt te willen handelen. Voorts heeft [appellante] toegezegd nadere informatie te verstrekken aan de bewindvoerder over de discussie aangaande de transitievergoeding.

3.7.6.

Het hof stelt vast dat [appellante] ook na het vonnis van 8 januari 2019 niets meer van zich heeft laten horen en de bewindvoerder geen nadere informatie heeft verstrekt rond de transitievergoeding. Zoals reeds hiervoor onder rechtsoverweging 3.7.2. is overwogen wist [appellante] dat de transitievergoeding op de boedelrekening gestort had moeten worden ten behoeve van de schuldeisers. Gebleken is dat [appellante] noch de bewindvoerder noch de rechter-commissaris heeft verzocht de transitievergoeding te mogen aanwenden voor een studie. Integendeel, zoals uit de email van 7 juli 2017 blijkt had [appellante] zich reeds ingeschreven voor een studie bij het LOI zonder de bewindvoerder daarvan op de hoogte te stellen.

Daarnaast heeft [appellante] , met uitzondering van een boedelafdracht van € 511,17 in mei 2018, niets meer afgedragen aan de boedel, terwijl zij de transitievergoeding eveneens niet op de boedelrekening heeft gestort of doen storten. Bovendien heeft [appellante] geen open kaart gespeeld en tot de behandeling in hoger beroep niet erkend dat haar voormalig werkgever op haar verzoek de transitievergoeding heeft aangewend voor de kosten bij het LOI. Het gevolg hiervan is dat er een geschatte boedelachterstand is ontstaan per april 2018 van op zijn minst € 8.849,12,--, te vermeerderen met de door [appellante] zelf berekende achterstand vanaf 1 januari 2018 van ook meer dan € 8.000,=, welke achterstand vermoedelijk nog verder zal oplopen, omdat [appellante] heeft nagelaten de inkomensgegevens van haar partner te overleggen die van invloed zijn op het vast te stellen vrij te laten bedrag.

Het hof is van oordeel dat dergelijke gedragingen rond het achterhouden van de transitievergoeding en langdurig geen open kaart spelen laakbaar en onacceptabel zijn en zich niet verdragen met de aan [appellante] opgelegde uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen.

Door de handelwijze van [appellante] ter zake van het niet afdragen van de reguliere boedelafdrachten en de transitievergoeding die ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers had moeten komen heeft [appellante] niet bepaald blijk gegeven over een saneringsgezinde houding te beschikken, nu zij door de transitievergoeding aan te wenden voor een studie haar eigen belang heeft laten prevaleren boven die van haar schuldeisers.

Daarnaast is het hof aan de hand van de verslagen van de bewindvoerder genoegzaam gebleken dat [appellante] zich niet heeft gehouden aan de aan haar opgelegde informatieplicht en sollicitatieplicht, terwijl zij voldoende kansen heeft gehad om daarin enige verbetering in aan te brengen. [appellante] heeft deze kansen echter onbenut gelaten, hetgeen voor haar rekening en risico dient te komen.

3.7.7.

[appellante] heeft tot slot gesteld dat zij vanwege haar geestelijke gesteldheid niet heeft kunnen voldoen aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen. Het hof gaat hier evenwel aan voorbij, nu bewijsstukken zoals bijvoorbeeld een verklaring van een psycholoog ontbreken, terwijl [appellante] ter zitting in hoger beroep bovendien desgevraagd verklaard heeft dat zij ondanks haar geestelijke gesteldheid wel haar werkzaamheden als gemeenteraadslid onverkort heeft voortgezet. Dit laat zich zonder toelichting, die ontbreekt, in het geheel niet rijmen met de door [appellante] beschreven geestelijke toestand waarin zij vanaf maart 2018 zou hebben verkeerd.

3.8.

Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof tot slotsom dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van diverse uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, welke tekortkomingen op zichzelf beschouwd ieder voor zich reeds voldoende grond opleveren de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellante] zonder toekenning van de “schone lei” te beëindigen. Het hof ziet dan ook geen enkele aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkomingen gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijven.

3.9.

Op zich is ingevolge HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935 verlenging van de termijn van schuldsanering ook mogelijk na afloop van de looptijd als in het toelatingsvonnis vermeld.

Reeds gezien de ernst van bovenstaande toerekenbare tekortkomingen, acht het hof geen termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling van [appellante] te verlengen zoals door [appellante] subsidiair verzocht.

[appellante] heeft zich gedurende de inmiddels verstreken reguliere looptijd niet alleen herhaaldelijk niet gehouden aan de aan haar opgelegde informatie- en sollicitatieplicht, doch daarnaast heeft [appellante] bewust een aanzienlijke boedelachterstand doen laten ontstaan, terwijl niet is gebleken van een concreet plan van aanpak, onderbouwd met stukken, op welke wijze [appellante] voornemens zou zijn de ontstane boedelachterstand – die geschat moet worden op minstens € 16.000,= - integraal in te lopen indien de toepassing van de schuldsaneringsregeling zou worden verlengd.

3.10.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, R.R.M. de Moor en M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2019.