Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2694

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
200.258.487_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 18 juli 2019

Zaaknummer : 200.258.487/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/342207 / JE RK 19-46

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

en

[appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de ouders, respectievelijk de vader en de moeder,

advocaat: mr. C.M.M. Mikkers,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

de gecertificeerde instelling,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Deze beschikking gaat over [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op
[geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2019, waarbij de rechtbank de machtiging heeft verleend aan de GI om [de minderjarige] met ingang van 31 januari 2019 voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot uiterlijk 1 augustus 2019, uit huis te plaatsen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 april 2019, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 juni 2019, heeft de GI verzocht het door de ouders ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juli 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Mikkers;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] .

De raad isniet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 14 mei 2019. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 31 januari 2019;

- de brief van de raad, ingekomen op 28 juni 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van de ouders is – voor zover thans van belang – [de minderjarige] geboren.

3.2.

[de minderjarige] staat sinds 15 mei 2018 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 1 augustus 2019.

3.3.

Bij beschikking van 13 november 2018 heeft de rechtbank Oost-Brabant het verzoek van de GI een spoedmachtiging uithuisplaatsing te verlenen afgewezen. Bij beschikking van 5 december 2018 heeft de rechtbank Oost-Brabant het verzoek van de GI een machtiging uithuisplaatsing te verlenen afgewezen.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om [de minderjarige] met ingang van 31 januari 2019 voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot uiterlijk 1 augustus 2019, uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder: Amarantgroep, regio Brabant Zuid-Oost regio [regio] . [de minderjarige] verblijft sinds 17 april 2019 bij Amarantgroep.

3.5.

De ouders kunnen zich met laatstgenoemde beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De ouders voeren, kort samengevat, het volgende aan.

Een uithuisplaatsing is een uiterste middel en is in dit geval niet nodig omdat er voldoende hulp in huis is. Door de plaatsing bij Amarant stagneert de hulpverlening voor [de minderjarige] juist. De ouders hebben altijd hun medewerking verleend aan de nodige hulpverlening; aan Amarant, danstherapie en [naam] . Ook met TED hebben zij ingestemd, alleen vonden zij vier dagen per week te veel naast de danstherapie. De vader heeft nimmer geweigerd urinecontroles af te geven. Sinds [de zus van de minderjarige] , het zusje van [de minderjarige] , vrijwillig op een groep is geplaatst is het thuis veel rustiger geworden en kunnen de ouders meer aandacht besteden aan [de minderjarige] .

De ouders hebben het gevoel dat zij geen kans krijgen van de GI. Na de beschikking van
5 december 2018 is nergens meer op ingezet en de jeugdzorgwerker is niet meer bij de ouders geweest. Ook worden in het inleidend verzoekschrift veel oude feiten genoemd. Voor de plaatsing van [de minderjarige] bij Amarant wilden de ouders wel tekenen, maar pas als duidelijk was dat haar therapie kon doorgaan.

Met de vorige jeugdzorgwerker liep het niet goed. De nieuwe jeugdzorgwerker heeft meer contact met de ouders, legt uit wat zij gaat doen en biedt de ouders ondersteuning. Omdat er een nieuwe jeugdzorgwerker is, hebben de ouders alle klachten laten vallen.

[de minderjarige] verblijft veel bij de ouders. Zij komt iedere twee weken van vrijdag tot maandag. Als [de minderjarige] naar het ziekenhuis moet, komt zij de dag ervoor al en blijft zij overnachten. In de zomervakantie komt [de minderjarige] twee keer een hele week.

3.7.

De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.

De ouders hebben meerdere malen aangegeven niet te willen samenwerken met hulpverlening en niet meer met de jeugdzorgwerker in gesprek te willen. Uit angst voor klachten van de ouders durft hulpverlening niets meer te zeggen, waardoor de samenwerking tussen de jeugdzorgwerker en hulpverlening onder spanning komt te staan.

Er is om een uithuisplaatsing verzocht omdat de ouders niet meewerkten aan TED. De uithuisplaatsing is nodig vanwege de kindeigen problematiek van [de minderjarige] in combinatie met de problematiek van de ouders waardoor de ouders niet in staat zijn de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] op zich te nemen. [de minderjarige] was in de voetsporen van [de zus van de minderjarige] aan het treden en dit zorgde voor opstandigheid en agressie van [de minderjarige] richting de ouders en buren.

Op de groep komt er een plan van aanpak, maar het is niet bekend wanneer het klaar is. Er ligt ook een plan om een ouder-kind traject in te zetten voor ondersteuning van de ouders.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.2.

Op grond van de overgelegde stukken en het besprokene ter zitting is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW. Een uithuisplaatsing is een uiterste middel en er is onvoldoende komen vast te staan dat op dit moment voldaan is aan de noodzaak om de uithuisplaatsing te rechtvaardigen.

Weliswaar zijn er zorgen over [de minderjarige] en haar situatie thuis, maar de GI heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat op dit moment de hulpverlening niet ingezet kan worden in de thuissituatie. De ouders erkennen dat bij [de minderjarige] sprake is van kindeigen problematiek en geven aan, zowel voor [de minderjarige] als voor henzelf in verband hiermee hulp te willen. Zij staan achter de ondertoezichtstelling en ervaren de huidige jeugdzorgwerker als prettig en ondersteunend. In het kader van de ondertoezichtstelling is er voldoende zicht op de gezinssituatie en de medewerking die door de ouders wordt verleend aan hulpverlening. De GI verwijst naar feiten en omstandigheden die zien op de periode gelegen vóór de afwijzing van de spoedmachtiging. Niet voldoende is gebleken welke nieuwe feiten en omstandigheden tot het onderliggende verzoek nopen. Tijdens de zitting van 26 november 2017 voorafgaande aan de afwijzing van 5 december 2018 is TED al besproken en hebben de ouders aangegeven dat zij hieraan wel willen meewerken maar dat vier dagen TED in combinatie met de danstherapie teveel zou worden.

Het hof neemt verder in aanmerking dat de machtiging pas na bijna drie maanden is geëffectueerd. Inmiddels zijn er sinds de plaatsing van [de minderjarige] weer bijna drie maanden verstreken, terwijl er nog altijd geen concreet hulpverleningsplan is, er geen zicht op bestaat wanneer dit wordt verwacht en er evenmin hulpverlening is ingezet. Bovendien zijn de omstandigheden in die zin gewijzigd, dat er een nieuwe jeugdzorgwerker is aangesteld in wie de ouders vertrouwen hebben, de ouders hebben hun klachten ingetrokken en de ouders geven aan dat het met [de zus van de minderjarige] heel goed gaat. Ook gaat [de minderjarige] zeer frequent naar huis en blijft bij de ouders, zelfs voor een langere aaneengesloten periode van een week, overnachten.

Het hof wijst de ouders erop dat zij zich moeten realiseren dat zij in het belang van [de minderjarige] in ieder geval de samenwerking met de jeugdzorgwerker en de hulpverlening zullen moeten aangaan en dat zij [de minderjarige] niet mogen belasten met volwassenzaken. Zoals ook de rechtbank in haar beslissing van 5 december 2018 heeft overwogen, kan de afweging of de ouders de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] thuis kunnen blijven dragen, opnieuw aan de orde komen. De zorgen die er over [de minderjarige] bestaan zijn namelijk nog bepaald niet weggenomen. Aan de GI geeft het hof mee, zoals Amarant in haar verslag van 22 november 2018 heeft aangegeven, hulpverlening mogelijk kans van slagen heeft als er duidelijk en goed met de ouders wordt gecommuniceerd. Zowel de GI als de ouders dienen zich ervoor in te blijven zetten dat de nu nog prille positieve samenwerking met de nieuwe jeugdzorgmedewerker in het belang van [de minderjarige] gehandhaafd blijft.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het inleidende verzoek van de GI alsnog dient te worden afgewezen met ingang van heden.

4 De beslissing

Het hof vernietigt met ingang van heden de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2019

en in zoverre opnieuw recht doende:

wijst met ingang van heden alsnog af het inleidend verzoek van de GI tot machtiging uithuisplaatsing;

bekrachtigt de genoemde beschikking voor wat betreft de machtiging uithuisplaatsing over de periode van 31 januari 2019 tot heden;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, H. van Winkel en J.W.P.M. Hermans en is op 18 juli 2019 door mr. H. van Winkel uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.