Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2559

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
200.252.904_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:6583, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Familie- en jeugdrecht. Kort geding. Vaccinatie minderjarige volgens Rijksvaccinatieprogramma. Executiegeschil. Dwangsommen. Tussenarrest: hof gelast comparitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

tGERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.252.904/01

arrest van 16 juli 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de vader,

advocaat: mr. N.D. Wassink te Zoetermeer,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de moeder,

advocaat: mr. M.W.F. van Wijk te Helmond,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 januari 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 december 2018, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, gewezen tussen de vader als eiser en de moeder als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/339361 / KG ZA 18-607)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties, alsmede een eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van de zijde van de vader d.d. 26 maart 2019.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
Uit de relatie is op [geboortedatum] 2016 geboren: [minderjarige] .

De vader heeft [minderjarige] erkend.

Partijen hebben het gezamenlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.3.

Bij beschikking van 21 augustus 2018 heeft de rechtbank Oost-Brabant, voor zover thans van belang, uitvoerbaar bij voorraad, ter vervanging van de toestemming van de moeder, aan de vader toestemming verleend om [minderjarige] volgens het Rijksvaccinatieprogramma te laten vaccineren.

De beschikking van 21 augustus 2018 is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan.

3.4.

In de onderhavige procedure vorderde de vader in eerste aanleg bij wijze van voorlopige voorziening en uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair: de moeder te veroordelen mee te werken aan de tenuitvoerlegging van de beschikking van 21 augustus 2018 inhoudende dat de moeder [minderjarige] zal laten vaccineren volgens het Rijksvaccinatieprogramma en dat de moeder het bewijs daarvan zal overleggen aan de vader, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht voor elke dag dat de moeder in gebreke blijft om het bewijs over te leggen;

2. subsidiair: de moeder te veroordelen mee te werken aan de tenuitvoerlegging van de beschikking van 21 augustus 2018, inhoudende dat de moeder zal toestaan dat [minderjarige] op een door de vader nader te bepalen datum bij de vader zal verblijven zodat hij haar kan laten vaccineren en te bepalen dat de moeder haar medewerking zal verlenen aan dat de vader [minderjarige] om 9.00 uur in de ochtend ophaalt en om 18.00 terugbrengt op straffe van een dwangsom van € 10.000,-;

3. de moeder te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.5.

Aan deze vordering heeft de vader kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De moeder wil niet meewerken aan het vaccineren van [minderjarige] . Omdat [minderjarige] bij de moeder woont en de vader geen onbegeleide contactregeling met [minderjarige] heeft, is hij niet bij machte om [minderjarige] te laten inenten. De vader heeft een spoedeisend belang omdat het voor de gezondheid van [minderjarige] van groot belang is dat zij zo snel mogelijk wordt gevaccineerd.

3.6.

De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Voor zover (nog) relevant heeft de moeder het volgende aangevoerd.

[minderjarige] heeft in de afgelopen twee jaren haar immuunsysteem op natuurlijke wijze opgebouwd. [minderjarige] heeft niet te kampen gehad met gezondheidsproblemen. De vrouw stelt dat het de man ontbreekt aan spoedeisend belang, aangezien het volgende vaccinatiemoment pas van toepassing zou zijn op het moment dat [minderjarige] de vierjarige leeftijd bereikt. Indien de man een ‘inhaalslag’ zou wensen te maken ten aanzien van de vaccinaties, is het maar de vraag of dit mogelijk en/of wenselijk is, welke effecten dit heeft op [minderjarige] en hoe uitvoering gegeven dient te worden aan de vaccinaties. Er is op dit moment geen acuut dreigend gevaar voor de gezondheid van [minderjarige] .

3.7.

In het vonnis van 10 december 2018 heeft de rechtbank Oost-Brabant de vorderingen van de vader afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

De voorzieningenrechter heeft deze beslissing als volgt gemotiveerd.

“4.1. Bij de beoordeling van een vordering als de onderhavige, die ertoe moet leiden dat gevolg wordt gegeven aan de eerder vastgestelde en uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing dat [minderjarige] wordt gevaccineerd, heeft als uitgangspunt te gelden dat die eerdere uitspraak dient te worden nagekomen tenzij de beslissing klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust dan wel anderszins sprake is van bijzondere omstandigheden die de niet-nakoming rechtvaardigen. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zich voordoen wanneer ofwel op grond van na de rechterlijke uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten nakoming klaarblijkelijk een noodtoestand doet ontstaan.

4.2.

Dat voornoemde beschikking van 15 augustus 2018 van de rechtbank klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust op grond waarvan de vrouw haar medewerking niet zou hoeven verlenen aan hetgeen daarin is bepaald ten aanzien van de vaccinaties, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken. Dat het wel/niet vaccineren en de dalende vaccinatiegraad hoge prioriteit heeft van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de discussie volop in de aandacht is en er een sterk tegengeluid heerst tegen het van overheidswege geadviseerde vaccinatiebeleid, was afgelopen zomer ten tijde van de beschikking van de rechtbank al bekend. Dat de Staatssecretaris op dit moment actief beleid voert om de vaccinatiebereidheid te verhogen bij ouders die vraagtekens plaatsen bij het nut en de noodzaak van vaccineren is ook niet nieuw en lag in de lijn der verwachtingen. In zoverre onderstreept de ontwikkeling dat het vaccineren hoog op de overheidsagenda staat dat dit nog steeds in het belang van het kind wordt geacht. De bodemrechter, tevens kinderrechter, heeft in het belang van [minderjarige] de beslissing genomen en bepaald dat het laten vaccineren van [minderjarige] volgens het rijksvaccinatieprogramma het meest in haar belang is. [minderjarige] dient dus gevaccineerd te worden. De vrouw geeft hier echter geen gevolg aan en de man wil de beslissing van de rechtbank effectief maken en versterkt zien met een dwangsom om zo de vrouw te bewegen haar medewerking te verlenen.

4.3.

Door de man is evenwel verzuimd op concrete wijze aan te geven hoe een ander in de praktijk zal gaan met het vaccineren van [minderjarige] . [minderjarige] is net twee jaar oud geworden. Niet is uit te sluiten dat mogelijkerwijs wordt geadviseerd dat bepaalde vaccinaties niet meer nodig zijn, of met een andere dosering moeten worden uitgevoerd. Het is in het belang van [minderjarige] dat het al dan niet uitvoeren van het gehele Rijksvaccinatieprogramma en het tijdstip van de eventuele vaccinaties in overeenstemming is met een daartoe in te winnen advies. De vordering is evenwel op geen enkele wijze gespecificeerd en onderbouwd met bijvoorbeeld een aangepast vaccinatieschema. [minderjarige] loopt immers niet meer gelijk met het oorspronkelijke plan. Het had op de weg van de man gelegen om de voorzieningenrechter te voorzien van een vaccinatieschema van het RIVM of van een kinderarts/consultatiebureau. Ook ter zitting heeft de man nagelaten hierover uitsluitsel te geven. De enkele suggestie dat de vrouw met het gele inentingsboekje naar de huisarts kan gaan is uiteraard onvoldoende en vaag. Die vaagheid zou tevens een grote kans op executieproblemen geven. Toewijzing op de gevorderde wijze bergt een executiegeschil in zich. Om die reden liggen de vorderingen thans voor afwijzing gereed.

4.4.

Nu reeds gelet hierop hetgeen door de man is gevorderd wordt afgewezen behoeft hetgeen partijen overigens nog naar voren hebben gebracht geen bespreking meer.

4.5.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.”

3.8.

De vader heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. De vader heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het toewijzen van zijn (gewijzigde) vorderingen dat:

- primair: de moeder wordt veroordeeld mee te werken aan de tenuitvoerlegging van de beschikking van 21 augustus 2018, inhoudende dat de moeder [minderjarige] zal laten vaccineren volgens het Rijksvaccinatieprogramma te weten met:

o 3 x DKTP-HepB(-Hib)-vaccinatie, volgens een schema van 0-1-6 maand;

o 1 x BMR;

o 1 x MenACWY,

en dat de moeder het bewijs daarvan, in de vorm van het Vaccinatiebewijs Rijksvaccinatieprogramma, aan te vragen bij het RIVM, binnen veertien dagen na iedere vaccinatie zal overleggen aan de vader, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht, voor elke dag dat de moeder na betekening van het in dezen te wijzen arrest in gebreke blijft aan het in dezen te wijzen arrest te voldoen;

- subsidiair: voor het geval het primair gevorderde niet voor toewijzing vatbaar is, de moeder te veroordelen mee te werken aan de tenuitvoerlegging van de beschikking van 21 augustus 2018 inhoudende dat de moeder zal toestaan dat [minderjarige] op een door de vader nader te bepalen datum bij de vader zal verblijven zodat hij haar kan laten vaccineren volgens het Rijksvaccinatieprogramma te weten met:

o 3 x DKTP-HepB(-Hib)-vaccinatie, volgens een schema van 0-1-6 maand;

o 1 x BMR;

o 1 x MenACWY,

zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht, voor elke dag dat de moeder na betekening van het in dezen te wijzen arrest in gebreke blijft aan het in dezen te wijzen arrest te voldoen;

- primair en subsidiair: de moeder te veroordelen in de kosten van beide instanties te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, en – voor het geval van voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.9.

Het hof zal de grieven van de vader gezamenlijk behandelen. Door middel van deze grieven betoogt de vader het volgende.

Het moge duidelijk zijn dat het Rijksvaccinatieprogramma zoals dat geldt voor een tweejarige die nog niet is ingeënt gevolgd zal moeten worden. De vader heeft toch informatie ingewonnen bij het RIVM. Hij verwijst naar een e-mailwisseling met [arts M&G] , arts M&G, medisch adviseur, RIVM regiokantoor [regiokantoor] , waarin deze op 2 januari 2019 het schema heeft verstrekt van de vaccinaties die [minderjarige] nu en op negen- en dertienjarige leeftijd zou moeten krijgen. De vader beperkt zijn vordering in deze procedures tot de vaccinaties die zij nu zou moeten krijgen.

Indien de moeder zich met [minderjarige] tot de jeugdgezondheidsorganisatie wendt zal [minderjarige] worden ingeënt volgens het dan geldende schema van het RIVM, zoals dat van toepassing is op een tweejarig meisje.
De vader is van mening dat, nu geoordeeld is dat [minderjarige] wel dient te worden ingeënt en de moeder ondanks de beschikking van de rechtbank van 21 augustus 2018 weigert haar medewerking te verlenen, de moeder veroordeeld dient te worden in de proceskosten in beide instanties.

3.10.

De moeder heeft tegen de grieven van de vader gemotiveerd verweer gevoerd. De moeder voert, voor zover in het kader van deze procedure van belang, het volgende aan.

De vader vordert dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan de vaccinaties die normaliter van toepassing zijn bij de leeftijd tot 14 maanden. Het is maar de vraag of je een inhaalslag kan maken zoals de vader dat voorstelt, of dit wenselijk is en welke effecten dit heeft op [minderjarige] en het is de vraag hoe de verschillende vaccinaties die gekoppeld zijn aan leeftijdscategorieën gegeven dienen te worden. Het is ook de vraag of de vaccinaties op deze leeftijd überhaupt nog bescherming bieden. Het e-mailbericht van de heer [arts M&G] is te algemeen. De vaccinaties die hij noemt zijn exact hetzelfde als in het vaccinatieschema. Hij laat zich niet uit over of het nog verstandig is deze bij [minderjarige] toe te brengen en hoe hieraan uitvoer gegeven dient te worden. De bescherming door de vaccinaties is niet optimaal doordat er geen tijd tussen wordt gelaten.
Gezien de onomkeerbare gevolgen van de tenuitvoerlegging van de beschikking van 21 augustus 2018, lenen de vorderingen van de vader zich niet voor deze procedure in kort geding.

De moeder verwijst naar een verklaring van mevrouw [arts JGZ] , arts JGZ, lid van AJN (Artsenvereniging voor Jeugdgezondheidszorg Nederland, KNMG, NVAA (antroposofische artsen), pagina 3, waarin zij verklaart dat uitgebreide vaccinatie voor kinkhoest, hepatitis B, Hib, polio en tetanus bij [minderjarige] niet noodzakelijk is.

De stress voor de moeder wanneer haar dochter onder dwang gevaccineerd gaat worden, is een verzwakkende factor op de hechtingsrelatie met [minderjarige] , die toch al onder druk staat vanwege de vorderingen van de vader.

3.11.

Het hof oordeelt als volgt.

3.11.1.

Bij beschikking van 21 augustus 2018 is beslist dat [minderjarige] gevaccineerd mag worden. Deze beschikking is in kracht van gewijsde gegaan. Uitgangspunt is dat deze beschikking dient te worden nagekomen tenzij de beslissing klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust dan wel anderszins sprake is van bijzondere omstandigheden die de niet-nakoming rechtvaardigen. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zich voordoen wanneer ofwel op grond van na de rechterlijke uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten nakoming klaarblijkelijk een noodtoestand doet ontstaan.

De moeder heeft zich, ook in hoger beroep, niet op dergelijke bijzondere omstandigheden beroepen. Zij verwijst in het geheel niet naar na de rechterlijke uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten. Ook anderszins zijn dergelijke bijzondere omstandigheden niet gebleken.

Het hof gaat derhalve uit van de beschikking van 21 augustus 2018 en derhalve van het gegeven dat aan de vader vervangende toestemming is verleend om [minderjarige] te laten vaccineren volgens het Rijksvaccinatieprogramma.

3.11.2.

De moeder heeft na de beschikking van 21 augustus 2018 [minderjarige] niet laten vaccineren volgens het Rijksvaccinatieprogramma.

De vader vordert in deze procedure de moeder te veroordelen tot ‘meewerking aan de tenuitvoerlegging’ van de beschikking van 21 augustus 2018, door (primair) te bepalen dat de moeder [minderjarige] dient te laten vaccineren en dat zij daarvan bewijs dient te overleggen, dan wel door (subsidiair) te bepalen dat de moeder dient toe te staan dat [minderjarige] op een nader te bepalen datum bij de vader verblijft zodat hij haar zelf kan laten vaccineren, een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen.

3.11.3.

Het hof stelt vast dat bij de beschikking van 21 augustus 2018 ‘slechts’ aan de vader vervangende toestemming is verleend om [minderjarige] te laten vaccineren volgens het Rijksvaccinatieprogramma. De moeder werkt niet mee. De vader heeft slechts begeleide contacten met [minderjarige] en is derhalve niet in de gelegenheid haar te laten vaccineren. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige] om te bepalen dat zij enkel voor het laten plaatsvinden van de vaccinaties op een nader door het hof te bepalen datum bij de vader zal verblijven, nu een dergelijke beslissing op gespannen voet staat met het doel en de strekking van de begeleide omgangsregeling.

3.11.4.

Het hof wenst graag met de ouders in gesprek te gaan over een praktische oplossing voor de ontstane situatie. Daartoe zal het hof een comparitie gelasten, waarbij tevens de Raad voor de Kinderbescherming (de raad) zal worden opgeroepen, nu de raad het hof onder meer kan informeren over of een (tijdelijke) ondertoezichtstelling van [minderjarige] (eventueel in combinatie met een beslissing ex artikel 1:265h BW) nodig c.q. mogelijk is om de vaccinatie te realiseren.

Het hof benadrukt dat er tijdens de comparitie uitdrukkelijk geen ruimte zal zijn voor discussie over de vraag of [minderjarige] alsnog moet en kan worden gevaccineerd volgens het Rijksvaccinatieprogramma. Het hof verwijst in dit kader naar hetgeen hiervoor onder 3.11.1. is overwogen.

3.12.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.

4 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen, vergezeld van hun advocaten, alsmede de Raad voor de Kinderbescherming zullen verschijnen voor de meervoudige kamer van het gerechtshof, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op 10 oktober 2019 te 13.30 uur met de hiervoor onder 3.11.4. vermelde doeleinden;

bepaalt dat de griffier van het hof een kopie van dit arrest en een kopie van het gefourneerde procesdossier aan de Raad voor de Kinderbescherming zal verzenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.N.M. Antens en I.B.M.L. Oomes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juli 2019.

griffier rolraadsheer