Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2557

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
200.244.998_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldlening. Betaling. EET-Verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team handelsrecht

zaaknummer 200.244.998/01

arrest van 16 juli 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,
advocaat: mr. P.R. Mars te Oss,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,
niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 31 mei 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 1 maart 2018, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
’s-Hertogenbosch, gewezen tussen appellant (hierna [appellant] ) als eiser en geïntimeerde (hierna [geïntimeerde] ) als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6653068 CV EXPL 18-893)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het herstelexploot;

  • -

    het aan [geïntimeerde] verleende verstek;

  • -

    de memorie van grieven, met productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast (inleidende dagvaarding, 1-2).

  1. [appellant] heeft op 1 april 2006 een bedrag van € 1.300,00 aan [geïntimeerde] geleend.

  2. Over de hoofdsom van de lening is een contractuele rente van 18% per jaar verschuldigd.

  3. [geïntimeerde] was gehouden de lening terug te betalen in twee termijnen: op 1 mei 2006 en 1 juni 2006.

  4. [geïntimeerde] heeft de lening niet terugbetaald.

  5. [appellant] heeft in 2009, 2012 en 2015 aanmaningen gestuurd.

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen (i) € 1.300,00 (hoofdsom lening) te betalen, te vermeerderen met de contractuele rente, en (ii) € 235,95 (buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding. [appellant] heeft ook gevorderd het vonnis te waarmerken als Europese executoriale titel (Verordening EG/805/2004, hierna EET-Verordening).

[appellant] heeft de overeenkomst van geldlening hieraan ten grondslag gelegd.

[geïntimeerde] is niet verschenen.

3.3.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis het gevorderde toegewezen met dien verstande (onder meer) dat (a) niet de contractuele rente maar de wettelijke rente over de hoofdsom is toegewezen en (b) het vonnis niet wordt gewaarmerkt als Europese executoriale titel.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging wat betreft de afwijzing van de contractuele rente en tot toewijzing van het gevorderde op dit punt. Hij heeft het hof verzocht het arrest te waarmerken als Europese executoriale titel.

[geïntimeerde] is niet verschenen.

3.5.

Het hof stelt vast dat de appelgrens gelet op de gevorderde contractuele rente is bereikt.

3.6.

Het hof overweegt verder dat [appellant] een onderhandse akte heeft overgelegd waaruit blijkt dat partijen een contractuele rente van 18% per jaar zijn overeengekomen (productie 1 bij inleidende dagvaarding). De vordering tot betaling van deze rente komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal worden toegewezen. Dit betekent dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd wat betreft de afwijzing van de contractuele rente over de hoofdsom van de geldlening en wat betreft de toewijzing van de wettelijke rente over de hoofdsom van de geldlening.

3.7.

[appellant] heeft in hoger beroep niet voldoende onderbouwd dat is voldaan aan de desbetreffende vereisten voor het waarmerken van het arrest als Europese executoriale titel. De appeldagvaarding, via het herstelexploot, is weliswaar uitgereikt aan een huisgenoot van [geïntimeerde] (overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, lid 1, onder a, van de EET-Verordening), maar daarmee is nog niet voldaan aan de bepalingen van de artikelen 12 tot en met 19 van de EET-Verordening. Het hof kan uit de beschikbare stukken en gegevens niet afleiden dat aan deze bepalingen is voldaan. Het hof zal het verzoek van [appellant] wat betreft het ‘bewijs van waarmerking als Europese Executoriale Titel-beslissing’ afwijzen.

3.8.

De conclusie van het voorgaande is dat de eerste grief slaagt, dat de tweede grief faalt en dat het bestreden vonnis als na te melden moet worden vernietigd. De gevorderde contractuele rente zal worden toegewezen. Het verzoek wat betreft de EET-Verordening zal worden afgewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld. De kosten van het herstelexploot blijven als onnodig gemaakt voor rekening van [appellant] .

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis, doch uitsluitend voor zover daarbij de vordering tot betaling van de contractuele rente over de hoofdsom van de geldlening is afgewezen en de vordering tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom van de geldlening is toegewezen;

en opnieuw rechtdoende

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 1.300,00 aan [appellant] , te vermeerderen met de contractuele rente van 18% per jaar vanaf 1 april 2006 tot de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

wijst af het verzoek het arrest te waarmerken als Europese executoriale titel;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 98,01 aan dagvaardingskosten, op € 318,00 aan griffierecht en op € 759,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, L.S. Frakes en I.C.A. Wilschut en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juli 2019.

griffier rolraadsheer