Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2556

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
200.237.667_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Contractoverneming op de voet van artikel 6:159 BW? Tussen enerzijds de schuldeiser (A) van facturen en anderzijds de directeur/enig aandeelhouder van de schuldenaar (B) van de facturen vindt een e-mailwisseling plaats over een betalingsregeling. De directeur van B is tevens medebestuurder en medeaandeelhouder is van een andere rechtspersoon (C), en de naam van C komt voor in de automatische ondertekening van de door de directeur verzonden e-mails. Ligt in de e-mails een akte tussen B en C besloten, waarbij C met medewerking van A de rechtsverhouding van B met A heeft overgenomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/974
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.237.667/01

arrest van 16 juli 2019

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M. Hoogenboom te Rotterdam,

tegen

[de vennootschap 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 februari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 november 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen [appellante] als een van de drie gedaagden en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5882363 CV EXPL 17-1801)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 31 mei 2017.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met drie producties;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    Op 12 november 2015 heeft [de vennootschap 3] (hierna: [de vennootschap 3] ) bij [geïntimeerde] een bestelling geplaatst voor zonnepanelen. Daardoor is tussen [geïntimeerde] en [de vennootschap 3] een overeenkomst tot stand gekomen ter zake de levering van 60 Vitovolt zonnepanelen voor de prijs van € 9.438,05 inclusief btw en 52 Vitovolt All Black zonnepanelen voor de prijs van € 10.727,79 inclusief btw.

  • -

    [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] (hierna: [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] ) was op dat moment via ( [de vennootschap 4] en) [de vennootschap 5] enig aandeelhouder en bestuurder van [de vennootschap 3] en van [de vennootschap 6] (hierna: [de vennootschap 6] ), een en ander zoals schematisch weergegeven op blz. 6 van de memorie van grieven. [de vennootschap 6] was destijds geheten [destijds geheten vennootschap]

  • -

    Gedurende de periode van 18 juni 2015 tot 18 augustus 2016 is [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] eveneens via ( [de vennootschap 4] en) [de vennootschap 7] medeaandeelhouder en medebestuurder geweest van [appellante] , zoals eveneens schematisch weergegeven op blz. 6 van de memorie van grieven. [appellante] was destijds (tot 25 augustus 2016) genaamd [destijds tot 25 augustus 2016 genaamde vennootschap] De andere aandeelhouder en medebestuurder was via ( [de vennootschap 8] en) [de vennootschap 7] de heer [(indirect) de enig aandeelhouder en bestuurder] .

  • -

    De samenwerking tussen [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] en [(indirect) de enig aandeelhouder en bestuurder] is in augustus 2016 geëindigd. [(indirect) de enig aandeelhouder en bestuurder] is sindsdien (indirect) de enig aandeelhouder en bestuurder van [appellante] .

  • -

    [de vennootschap 5] en [de vennootschap 6] zijn in het voorjaar van 2017 failliet verklaard.

  • -

    Naar aanleiding van de bestelling van 12 november 2015 heeft [geïntimeerde] aan [de vennootschap 3] in totaal € 20.165,84 gefactureerd, bestaande uit een factuur van 20 november 2015 ten bedrage van € 9.438,05 en een factuur van 23 november 2015 ten bedrage van € 10.727,79.

  • -

    [geïntimeerde] en [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] hebben in 2016 contact gehad over betaling van de facturen en over een te treffen betalingsregeling.

  • -

    Bij e-mail aan [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] van 4 februari 2016 heeft [geïntimeerde] geconstateerd dat zij nog steeds geen betalingsvoorstel van [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] heeft ontvangen. [geïntimeerde] heeft [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] in deze e-mail gesommeerd tot betaling van de facturen.

  • -

    Per e-mail van 8 februari 2016 heeft [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] (via het e-mailadres [e-mailadres 1] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:

‘Allereerst excuses voor de late reactie, het gehele bedrijf is gesloten tot en met dinsdag (morgen). Ik kom woensdag terug met het voorstel, nogmaals ik erken de

vordering dat is geen issue.

Maar ik wil graag een voorstel doen welke ik na kan komen met je. (...)’

In de ondertekening van de e-mail staat onder meer:

‘ [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3]

Founder & CCO

[destijds tot 25 augustus 2016 genaamde vennootschap] ’

- Bij e-mail van 16 februari 2016 heeft [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:

‘Op dit moment ben ik voor het einde van deze week een betaling te verrichten

vooruit lopend op een definitief voorstel.

Wij hebben een aantal concrete toezeggingen van klanten welke op grote schaal panelen hebben besteld en gaan aanbetalen in de komende week.

Vanuit deze positie kan ik een voorstel aan u sturen, ik bevestig met klem dat wij de

vordering erkennen laat daar geen onduidelijkheid over bestaan.’

Ook in de ondertekening van de e-mail staat onder meer:

‘ [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3]

Founder & CCO

[destijds tot 25 augustus 2016 genaamde vennootschap] ’

  • -

    Bij e-mail van 17 februari 2016 heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde] [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] nogmaals gesommeerd tot betaling van het gefactureerde, vermeerderd met een bedrag ad € 475,73 aan rente en € 976,66 aan buitengerechtelijke kosten (in totaal: € 21.618,23).

  • -

    Bij e-mail van 19 februari 2016 heeft [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] in antwoord op de sommatie onder meer het volgende meegedeeld:

‘Ik verricht een betaling vandaag van € 2500,00 euro op uw bankrekening en kom

volgende week terug op een regeling als dan een nieuwe betaling.’

Ook in de ondertekening van de e-mail staat onder meer:

‘ [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3]

Founder & CCO

[destijds tot 25 augustus 2016 genaamde vennootschap] ’

- Bij e-mail van 8 maart 2016 heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde] aan [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] onder meer het volgende meegedeeld:

‘Zoals afgesproken ontvangt u hierbij een overzicht betreffende de met u overeengekomen betalingsregeling inzake uw schuld aan [de vennootschap 2] ’

Bijgevoegd is een overzicht van de betalingsregeling, waarop voormeld bedrag van € 21.618,23, na aftrek van voornoemde betaling van € 2.500,--, is onderverdeeld in 9 maandelijkse betalingstermijnen van € 2.124,25 per maand, verspreid over de periode van maart tot en november 2016.

  • -

    Op 7 juni 2016 heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde] [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] per e-mail gesommeerd tot betaling van maandtermijn mei 2016, waarna [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] voornoemd e‑mailbericht heeft doorgestuurd naar [assistent controller] , assistant controller bij [destijds tot 25 augustus 2016 genaamde vennootschap] (thans genaamd [appellante] ). Laatstgenoemde heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde] een dag later per e‑mail geïnformeerd dat de betaling is voldaan.

  • -

    Bij e-mail van 8 augustus 2016 heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde] [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] gesommeerd tot betaling van de maandtermijn met de vervaldatum 28 juli 2016. Bijgevoegd is een overzicht van voornoemde betalingsregeling, waaruit blijkt dat tot en met (maandtermijn) juni 2016 € 10.997,- is betaald.

  • -

    In reactie hierop, heeft [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] bij e-mail van 8 augustus 2016 onder meer het volgende meegedeeld aan de gemachtigde van [geïntimeerde] :

‘(...) Inzake uw bovenstaande vordering moet ik u helaas mededelen dat ik op dit

moment niet de financiële middelen bezit om het termijn te voldoen.

Reden hiervan is dat de onderneming door een van de vaste leveranciers enorm is

benadeeld door fraude.’

De ondertekening van deze e-mail wijkt af van de ondertekening van de eerdere e-mails van [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] . In deze ondertekening staat onder meer:

‘ [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3]

[de vennootschap 6] ’

- Bij e-mail van 10 november 2016 heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde] aan [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] onder meer het volgende meegedeeld:

‘Ondanks meerdere sommaties inzake [de vennootschap 2] hebben wij nog

geen betaling ontvangen van u. Sinds augustus hebben wij niet meer van u mogen vernemen (…).

Wij sommeren u voor de laatste maal om de vordering ad € 10.621,23 direct aan ons te

voldoen (…).’

- [geïntimeerde] heeft nadien nogmaals gesommeerd tot betaling. Dit heeft niet tot volledige betaling van de facturen geleid.

3.2.1.

[geïntimeerde] heeft in het geding in eerste aanleg [de vennootschap 3] , [appellante] en [de vennootschap 6] in rechte betrokken. [geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg hoofdelijke veroordeling van [de vennootschap 3] , [appellante] en [de vennootschap 6] tot betaling aan [geïntimeerde] van, voor zover in hoger beroep van belang, € 11.327,39, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 9.168,84 vanaf 23 februari 2017 en met veroordeling van [de vennootschap 3] , [appellante] en [de vennootschap 6] in de proceskosten.

Het gevorderde bedrag van € 11.327,39 bestaat uit:

  • -

    een hoofdsom van € 9.168,84;

  • -

    € 1.181,89 aan wettelijke handelsrente over de periode tot 23 februari 2017;

  • -

    € 976,66 aan buitengerechtelijke kosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[de vennootschap 3] heeft bij [geïntimeerde] zonnepanelen besteld. [geïntimeerde] heeft de bestelde panelen geleverd en daarvoor € 20.165,84 in rekening gebracht. [de vennootschap 6] en [appellante] hebben contractovernemende handelingen verricht waardoor zij naast [de vennootschap 3] aansprakelijk zijn voor betaling van het gefactureerde bedrag. In mindering op de vordering strekt € 10.997,-- aan gedane betalingen. Rekening houdend met die betalingen heeft [geïntimeerde] nog te vorderen:

  • -

    een hoofdsom van € 9.168,84;

  • -

    € 1.181,89 aan wettelijke handelsrente over de periode tot 23 februari 2017;

  • -

    € 976,66 aan buitengerechtelijke kosten.

3.2.3.

[de vennootschap 3] en [de vennootschap 6] zijn in het geding bij de kantonrechter niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend. [appellante] is wel verschenen in het geding en heeft verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het tussenvonnis van 31 mei 2017 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

3.2.5.

In het eindvonnis van 29 november 2017 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.

  • -

    De in geding zijnde koopovereenkomst van 12 november 2015 is tot stand gekomen tussen [geïntimeerde] en [de vennootschap 3] . [de vennootschap 3] is als koper debiteur van de facturen (rov. 3.6).

  • -

    Gelet op de e-mailcorrespondentie die [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] met [geïntimeerde] heeft gevoerd, mede in aanmerking genomen dat [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] ten tijde van die e-mailcorrespondentie (mede)bestuurder van [appellante] (destijds genaamd [destijds tot 25 augustus 2016 genaamde vennootschap] ) was, kan het ervoor worden gehouden dat de voor een contractoverneming vereiste wilsovereenstemming tussen [de vennootschap 3] en [appellante] in die e-mailcorrespondentie besloten ligt. [geïntimeerde] heeft, door in te stemmen met de door [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] voorgestelde betalingsregeling, haar medewerking aan de contractoverneming verleend, waardoor die tot stand is gekomen. Gelet daarop zijn alle rechten en plichten van [de vennootschap 3] uit de overeenkomst op [appellante] overgegaan. [appellante] moet daarom het resterende bedrag van € 9.168,84 voldoen (rov. 3.7 en 3.8).

  • -

    Het verweer van [appellante] dat [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] niet zelfstandig bevoegd was om [appellante] te binden, gaat niet op. Het handelen van [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] komt in de gegeven omstandigheden voor rekening van [appellante] (rov. 3.9).

  • -

    De door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke handelsrente is toewijsbaar (rov. 3.10).

  • -

    Het ter zake buitengerechtelijke kosten gevorderde bedrag is eveneens toewijsbaar (rov. 3.11).

  • -

    Omdat de rechten en plichten van [de vennootschap 3] uit de overeenkomst zijn overgegaan op [appellante] , moet de vordering van [geïntimeerde] tegen [de vennootschap 3] en tegen [de vennootschap 6] worden afgewezen (rov. 3.12).

Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 11.327,39 te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 9.168,84 vanaf 23 februari 2017. De kantonrechter heeft [appellante] voorts in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] veroordeeld, het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het door [geïntimeerde] meer of anders gevorderde afgewezen.

3.3.1.

[geïntimeerde] is niet in (incidenteel) hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van haar vorderingen tegen [de vennootschap 3] en [de vennootschap 6] . De tegen [de vennootschap 3] en [de vennootschap 6] ingestelde vorderingen zijn in dit hoger beroep dus niet meer aan de orde.

3.3.2.

[appellante] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd tegen het vonnis van 29 november 2017. Op basis van die grieven heeft [appellante] geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover gewezen tussen [geïntimeerde] en [appellante] , en tot, kort gezegd:

  • -

    afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] tegen [appellante] ;

  • -

    veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellante] al hetgeen terug te betalen dat [appellante] op grond van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] mocht hebben betaald;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente.

Met betrekking tot grief I: de vaststelling van de feiten

3.4.1.

De kantonrechter heeft in rov. 3.2 van het bestreden vonnis een opsomming gegeven van tussen de partijen vaststaande gegevens. Grief I is tegen deze feitenvaststelling gericht. Volgens [appellante] is de door de kantonrechter gegeven feitenvaststelling deels onjuist en onvolledig. [appellante] heeft daarbij verwezen naar de feiten die zijn in het eerste deel van haar memorie van grieven heeft weergegeven.

3.4.2.

Deze grief hoeft niet meer besproken te worden omdat het hof hiervoor in rov. 3.1 van dit arrest een vaststelling van feiten heeft gegeven waarbij voor zover van belang met grief I rekening is gehouden.

Met betrekking tot grief II: Contractovername?

3.5.1.

Grief II is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat met betrekking tot de overeenkomst die op 12 november 2015 door [de vennootschap 3] met [geïntimeerde] gesloten is, sprake is geweest van een contractoverneming, waardoor alle rechten en plichten van [de vennootschap 3] uit die overeenkomst op [appellante] zijn overgegaan.

3.5.2.

Het hof stelt met betrekking tot deze grief het volgende voorop. Volgens artikel 6:159 lid 1 BW kan een partij bij een overeenkomst haar rechtsverhouding tot de wederpartij met medewerking van deze laatste overdragen aan een derde bij een tussen haar en de derde opgemaakte akte. Toegepast op het onderhavige geschil houdt dit artikel in dat [de vennootschap 3] haar rechtsverhouding tot [geïntimeerde] met medewerking van [geïntimeerde] kon overdragen aan [appellante] bij een tussen [de vennootschap 3] en [appellante] opgemaakte akte.

3.5.3.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de voor contractoverneming vereiste, tussen [de vennootschap 3] en [appellante] opgemaakte akte in dit geval besloten ligt in de e-mails die [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] aan [geïntimeerde] heeft verzonden. De kantonrechter heeft daarbij van belang geacht dat [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] ten tijde van de verzending van die e-mails niet alleen bestuurder en enig aandeelhouder van [de vennootschap 3] was, maar ook medebestuurder van [appellante] , destijds genaamd [destijds tot 25 augustus 2016 genaamde vennootschap] , en dat de naam van die laatstgenoemde vennootschap werd genoemd in de (automatische) ondertekening van de door [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] verzonden e-mails.

3.5.4.

Naar het oordeel van het hof is [appellante] hier met grief II terecht tegen opgekomen. Uit enkele feit dat in de automatische ondertekening van de door [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] verzonden e-mails de toenmalige naam van [appellante] ( [destijds tot 25 augustus 2016 genaamde vennootschap] ) is vermeld en niet de naam [de vennootschap 3] , is naar het oordeel van het hof niet af te leiden dat [appellante] ( [destijds tot 25 augustus 2016 genaamde vennootschap] ) bereid was om de betalingsverplichting van [de vennootschap 3] over te nemen. Een uitlating met die strekking is in de e-mails niet te lezen. Aangezien [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] directeur en enig aandeelhouder van [de vennootschap 3] was en [de vennootschap 3] de schuldenaar van de facturen was, lag het veeleer voor de hand om aan te nemen dat [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] namens [de vennootschap 3] betaling van de facturen, al dan niet door een betalingsregeling, in het vooruitzicht stelde. Ook de omstandigheid dat [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] gebruik maakte van een e-mailadres dat eindigde op ‘ [e-mailadres 2] ’, kan [geïntimeerde] in dit kader niet baten. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] dat e-mailadres eveneens gebruikte voor kwesties met betrekking tot [de vennootschap 6] (destijds genaamd [destijds geheten vennootschap] ). Uit het verzenden van een e-mail vanaf een bepaald adres kan bovendien op zichzelf niet worden afgeleid dat de rechtspersoon die dat adres gebruikt, bepaalde verbintenissen op zich wil nemen.

3.5.5.

Ter onderbouwing van haar stelling dat wel van een contractoverneming sprake is geweest, heeft [geïntimeerde] in het geding in eerste aanleg betoogd dat [appellante] ter nakoming van de betalingsregeling een betaling in mindering op de facturen heeft voldaan. [geïntimeerde] heeft in dit kader verwezen naar de door haar ten behoeve van de comparitie van partijen bij de rechtbank ingezonden productie 8 met de gegevens van een betaling van € 2.500,=. [appellante] heeft echter uitdrukkelijk betwist dat zij die betaling heeft verricht. De stellingen van [appellante] (memorie van grieven, onder meer sub 24 en 50) houden in dat de betreffende betaling is verricht door [de vennootschap 6] (destijds genaamd [destijds geheten vennootschap] ), hetgeen te verenigen is met de naam en het adres op het door [geïntimeerde] overgelegde betalingsbewijs. [geïntimeerde] heeft vervolgens in haar memorie van antwoord niet nader onderbouwd dat een of meer betalingen zijn verricht door [appellante] . Het hof concludeert dat [geïntimeerde] tegenover de gemotiveerde betwisting van [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat [appellante] betalingen in mindering op de facturen heeft gedaan. In zoverre is er geen sprake van handelingen van [appellante] die erop wijzen dat zij ermee instemde om betalingsverplichtingen van [de vennootschap 3] over te nemen.

3.5.6.

Ter onderbouwing van haar stelling dat wel van een contractoverneming sprake is geweest, heeft [geïntimeerde] in het geding in eerste aanleg voorts betoogd dat zij van de heer [medewerker van appellante] namens [appellante] een verzoek tot wijziging van het afleveradres van de zonnepanelen heeft ontvangen, en dat zij de zonnepanelen op grond van dat verzoek heeft afgeleverd bij [appellante] . Ook die stelling is door [appellante] uitdrukkelijk betwist. Op de door [geïntimeerde] ter staving van haar betoog overgelegde productie 6 staat als gewijzigd afleveradres ‘ [bedrijf] , [adres] , [postcode] [vestigingsplaats] . [appellante] heeft in de memorie van grieven sub 50 uiteengezet dat op het betreffende adres destijds niet alleen [appellante] maar ook [de vennootschap 6] (destijds genaamd [destijds geheten vennootschap] ) was gevestigd, zodat [de vennootschap 3] de panelen kennelijk heeft laten afleveren op het adres van deze aan haar gelieerde vennootschap. [appellante] heeft uitdrukkelijk betwist dat zij zonnepanelen van [geïntimeerde] in ontvangst heeft genomen. Volgens [appellante] zijn de zonnepanelen ook niet bij haar opgeslagen geweest en heeft zij er nooit enige vorm van opbrengst van genoten. Het hof constateert dat [geïntimeerde] dit in de memorie van antwoord (sub 29) niet gemotiveerd heeft betwist. Het hof concludeert daarom dat niet is komen vast te staan dat de levering van de zonnepanelen door [geïntimeerde] op enigerlei wijze aan [appellante] ten goede is gekomen. In zoverre is er dus geen argument om aan te nemen dat [appellante] bereid zou zijn geweest om mee te werken aan een overname van de rechtspositie (betalingsverplichting) van [de vennootschap 3] jegens [geïntimeerde] . Dat [de vennootschap 3] jegens [appellante] enige andere tegenprestatie zou hebben verricht tegenover overname van haar schulden door [appellante] is ook niet gesteld of gebleken.

3.5.7.

Het hof concludeert om bovenstaande redenen dat er onvoldoende grondslag is om een contractovername tussen [de vennootschap 3] en [appellante] met betrekking tot de tussen [de vennootschap 3] en [geïntimeerde] gesloten overeenkomst aan te nemen. Grief II is dus terecht voorgedragen. [geïntimeerde] heeft voor het overige geen feiten of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat voor bewijslevering als door [geïntimeerde] aangeboden geen aanleiding is. Aangezien een contractovername niet is komen vast te staan, moet de vordering van [geïntimeerde] jegens [appellante] alsnog worden afgewezen. Dit brengt mee dat het besteden vonnis niet in stand kan blijven voor zover gewezen tussen [geïntimeerde] en [appellante] .

Met betrekking tot de overige grieven

3.6.1.

Door middel van grief III betoogt [appellante] dat [enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap 3] niet (zelfstandig) bevoegd was om haar te vertegenwoordigen. Deze grief hoeft niet meer besproken te worden omdat uit de oordelen over grief II al volgt dat de vordering van [geïntimeerde] tegen [appellante] niet toewijsbaar is.

3.6.2.

Grief V is gericht tegen de toewijzing van de vordering ter zake buitengerechtelijke kosten. Die grief treft doel. Omdat de door [geïntimeerde] gevorderde hoofdsom niet toewijsbaar is, is er ook geen grondslag voor de toewijzing van buitengerechtelijke kosten.

3.6.3.

De andere grieven hebben, mede gelet op de daarbij gegeven toelichting, geen zelfstandige betekenis naast de reeds besproken grieven. Omdat de vordering van [geïntimeerde] tegen [appellante] alsnog wordt afgewezen, zal het hof [geïntimeerde] alsnog veroordelen in de proceskosten van het geding in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] .

3.6.4.

Het hof zal [geïntimeerde] , zoals door [appellante] gevorderd, veroordelen om de bedragen die [appellante] op grond van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald, aan [appellante] terug te betalen.

3.6.5.

Het hoger beroep heeft doel getroffen. Het hof zal [geïntimeerde] daarom als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

3.6.6.

Het hof zal dit arrest tot slot, zoals door [appellante] gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van 29 november 2017, voor zover gewezen tussen [geïntimeerde] en [appellante] ;

opnieuw rechtdoende:

  • -

    wijst de vorderingen van [geïntimeerde] voor zover gericht tegen [appellante] af;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] , en begroot die kosten tot op heden op € 800,-- aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] al hetgeen terug te betalen dat [appellante] op grond van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 81,-- aan dagvaardingskosten, op € 726,-- aan griffierecht en op € 1.074,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

bepaalt dat de bedragen van deze proceskostenveroordelingen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juli 2019.

griffier rolraadsheer